AN: Alles wat je herkent, is van JK Rowling; wat je niet herkent, is van mij.


Hoofdstuk 1: Gedonder

Harry Potter slenterde doelloos door de straten. Het weer drukte zijn gevoelens perfect uit: somber en depressief. De regen had de hele dag met bakken uit de lucht gevallen en de straten stonden vol grote plassen. Op de plaatsen waar de regendruppels het wateroppervlak raakten, ontstonden belletjes die even later alweer in het niets verdwenen.

Harry had niet de minste interesse voor de regendruppels, noch voor de plassen en de belletjes die op het water dansten. Het deerde hem ook niet dat zijn haren op zijn hoofd plakten of dat zijn kleren doorweekt waren; hij leek het zelfs nauwelijks te voelen.

Sinds Harry uit Zweinstein was teruggekeerd had hij bijna niet gegeten en maar heel weinig geslapen. Als hij dan toch de slaap kon vatten, werd hij geplaagd door nachtmerries over de dood van zijn peetvader. Keer op keer was hij weer in het Departement van Mystificatie en zag hij Sirius sterven. Hij voelde steeds weer die onmacht toen hij zijn peetvader als in slowmotion door het gordijn zag vallen, een onmacht die hij sinds de gebeurtenissen in juni niet meer was kwijtgeraakt. Hij had maar op een paar meter van Sirius vandaan gestaan en toch had hij met lege ogen moeten aanzien hoe de spreuk van Bellatrix hem trof. En nadien was hij er niet in geslaagd zijn peetvader te redden.

Het voelde aan alsof iemand zijn hart uit zijn lijf had gerukt. Op die plaats zat nu een gapend, leeg gat dat niemand kon opvullen en dat hij voor de rest van zijn leven met zich mee zou dragen. Ademen was bijna onmogelijk geworden, denken deed pijn. De dood zou een welkom geschenk zijn.

Het was zijn schuld dat zijn peetvader dood was! Hij was in de val gelopen die Voldemort voor hem had uitgespreid. Hermelien had hem nog zo gewaarschuwd dat hij zijn visioenen niet mocht vertrouwen. Had hij maar naar haar geluisterd, dan zou dit allemaal niet gebeurd zijn. Dan zou hij nu de dagen aftellen tot hij naar Grimboudplein kon en Sirius kon vertellen over de gebeurtenissen van het afgelopen jaar. Ze zouden de fijnste tijd hebben met het verzinnen van grappen die ze met Omber konden uitvoeren. Ook al zou ze geen les meer geven in het komende schooljaar, gewoon al het idee om samen met Sirius die dingen te bedenken, zou een zoete wraak geweest zijn voor al de ellende die ze hem had aangedaan. Hij zag Sirius en hem al over de grond rollen van het lachen. Sirius zou echter nooit meer naar hem lachen. De laatste lach die hij van zijn peetvader gezien had, was in het Departement van Mystificatie, net voor hij door het Gordijn viel.

Stop het! Dacht Harry bij zichzelf. Hij sloot zijn ogen en schudde met zijn hoofd in een poging de pijnlijke herinneringen uit zijn geest te bannen, maar het hielp niet. Integendeel, het maakte de pijn alleen maar erger, want de gedachten waren nu ook vergezeld van beelden. Hij zag Hermelien roerloos op de grond liggen. Ron die aangevallen werd door een stel hersenen uit een bak. Ginny hinkte door zijn gedachten, het uitroepend van de pijn omwille van haar gebroken enkel.

Wederom bewoog hij zijn hoofd van links naar rechts. Hij opende zijn ogen en de beelden verdwenen. Het verscheurende gevoel dat herinneringen met zich meebrachten, bleef echter achter.

Luister naar Hemelien! Het was een voornemen dat hij deze zomer al veel had gemaakt. Ze was zijn ratio, diegene van het trio die het hoofd koel kon houden in de meest uitzichtloze situaties. Zij wist verder te kijken dan wat Harry en Ron zagen en verloor zelden het groter geheel uit het oog. Als hij deze oorlog wilde overleven en Voldemort wilde verslaan, dan zou hij naar haar raad moeten luisteren, want ze had het zelden bij het foute eind. Als hij maar eerder naar haar had geluisterd.

Harry ontwaakte uit zijn sombere gedachten en zag dat zijn voeten hem automatisch naar een speeltuin uit de buurt hadden gebracht. Harry duwde het piepende hek open een liep over de plassen heen naar de schommels. Met een zucht zette hij zich neer op het enige zitje dat nog niet door Dirk en zijn vrienden was vernietigd. Terwijl hij naar zijn schoenen staarde, werd hij weer overspoeld door overpeinzingen die duisterder waren dan de dikke wolken die over het landschap dreven.

Het was alsof zijn hele leven veranderd was door de gebeurtenissen in het Ministerie. Hij had afscheid moeten nemen van de persoon die hem het dierbaarst was. Voldemort had weer iemand van hem afgepakt die heel veel voor hem betekende. Hij was amper één jaar oud toen zijn ouders bruut aan hem werden onttrokken, en nu, nog geen maand geleden, Sirius. Alle hoop op een gelukkig leven waarin hij omringd werd door mensen waarvan hij hield, was maar weer eens de grond in geboord door de kwaadaardigste tovenaar aller tijden. Maar dit maal zou Harry terugvechten. Als hij en Voldemort elkaar de volgende keer zagen, zou Jeweetwel moeten boeten voor alles wat hij Harry al had aangedaan. De tiener was het Sirius verschuldigd. Het verlies van zijn peetvader had hem vastberadener dan ooit gemaakt.

En met de gedachte aan een volgende confrontatie, kwamen ook de herinneringen en angsten weer boven. Hij zou Voldemort moeten vermoorden, want niemand anders kon dit doen. Hij zou moordenaar zijn of vermoord worden, er was geen andere mogelijkheid. De toekomst van de hele wereld rustte op zijn schouders. Zijn smalle schouders hadden al het lot van velen gedragen. Konden zij ook dit gewicht aan? De opdracht die hij moest uitvoeren leek onmogelijk. Harry voelde elke keer als hij eraan dacht de zenuwen door zijn keel gieren. Had hij wel die kracht om Voldemort te verslaan? Voldemort kon dingen met een toverstok die niemand anders kon, behalve Perkamentus. Hoe kon hij, een doodgewone jongen, nu de meest gevreesde tovenaar ooit verslaan? Toen dacht Harry aan de woorden van het schoolhoofd van Zweinstein. Perkamentus had gezegd dat hij over een kracht beschikte die sterker was dan al het andere op aarde: liefde. Harry begreep nog steeds niet hoe hij met liefde Voldemort kon verslaan.

Het geluid van de donder overstemde zijn gedachten en bracht hem terug naar de realiteit. Harry was nooit bang geweest van onweer, in het derde jaar had hij in zo'n noodweer zelfs een Zwerkbalwedstrijd gespeeld, maar toch was ook hij liever binnen dan buiten als de weergoden hun krachten maten.

Harry liep de speeltuin uit, de Magnoliastraat in. Zijn voeten pletsten op het natte trottoir en voor het eerst besefte hij dat hij doorweekt was. Onophoudelijk begon hij te klappertanden. De kou overspoelde hem als een reusachtige golf.

De donkere lucht werd regelmatig opgelicht door een felle bliksem en even daarna klonk dan het oorverdovende geluid. Harry besloot dat hij maar beter snel thuis kon zijn en nam de verbinding tussen de Magnolialaan en de Salviastraat. Het begon steeds harder te regenen en de tijd tussen twee bliksemschichten werd steeds korter. Harry rende het laatste stukje van de Salviastraat en sloeg de Ligusterlaan in.

Hij wist dat er hem eenmaal thuis een fikse uitbrander te wachten stond. Wie het waagde de glimmende vloer van zijn tante te betreden met natte voeten, kreeg prompt een heleboel verwijten naar het hoofd geslingerd en een dweil in zijn handen geduwd.

Hij sprintte de hoek om en zag hoe oom Herman zo snel zijn benen hem konden dragen naar de voordeur liep. Hij was waarschijnlijk juist thuisgekomen van zijn werk en had de auto in de garage gezet. Tante Petunia stond in de deuropening naar Herman te roepen dat hij zich moest haasten. Waarschijnlijk werd ook hij bedreigd door dweil en emmer.

Net toen oom Herman halverwege tussen de garage en de voordeur was, hoorde Harry een geluid dat hij veel erger vreesde dan de donder. Zes onmiskenbare PLOPpen doorbraken het eentonige geraas. Gespannen wachtte hij af wat er zou gebeuren. Een tel later zag hij de zes tovenaars Verschijnselen. Ze droegen allemaal zwarte kappen en lange zwarte gewaden. Het waren zonder twijfel Dooddoeners. Maar wat deden die hier? Perkamentus had toch gezegd dat er spreuken waren die het huis beschermden, zodat Voldemort en zijn volgelingen hem hier niet konden deren? Wat was er gebeurd? Was Voldemort erin geslaagd de spreuken te vernietigen? En waar was de Orde die hem steeds bewaakte?

Harry wilde rennen, maar zijn benen weigerden om te bewegen. De shock had hem helemaal in zijn greep en leek hem te verlammen. Logisch redeneren was onmogelijk en zijn instincten lieten hem voor de eerste maal sinds lang in de steek. Hij kon niets doen, alleen maar kijken hoe tante Petunia iets schreeuwde naar oom Herman, hoe die zich omdraaide en wild begon te roepen. Harry wilde brullen dat zijn oom moest zwijgen, maar hij kon het niet. En toen was het te laat. Er schoot een paarse straal uit de toverstok van de Dooddoener die het dichts bij zijn oom stond.

Harry wilde schreeuwen, maar leek aan de grond te staan genageld. Hij leek niets te kunnen doen, enkel toezien hoe de spreuk razendsnel op zijn oom afkwam. Hij zag hoe diens ogen verstarden en hoe zijn mond openviel.

Vanuit zijn ooghoek zag hij tante Petunia bewegen. Ze zwaaide met haar armen. Voordat de spreuk zijn doel raakte, werd oom Herman al twee meter opzij gesmeten door een onzichtbare kracht.

Harry's benen bewogen nu bijna in een automatisme en hij draaide zich vliegensvlug om, op zoek naar de tovenaar die zijn oom had gered, op zoek naar een spoor van de Orde, maar er was niets. Heel de straat lag er even verlaten bij als een minuut geleden.

De Dooddoeners leken bekomen te zijn van hun verrassing en richtten nu hun toverstokken op Petunia, die verstijfd leek te zijn en alleen maar naar haar handen staarde.


Hopelijk hebben jullie genoten van mijn eerste hoofdstuk. Als dat zo is, maar ook als jullie vinden dat mijn verhaal slecht is, dan hoor ik dat graag. Review AUB