Hoofdstuk 2
In paniek stormde ik naar mijn boekenkast, in mijn haast smeet ik boeken op de grond, en griste de andere zes boeken van de serie uit de kast. Ik bladerde de boeken één voor één door. Geen letter stond er meer in, alsof het verhaal nooit had bestaan.
Ik ademde in en uit. Ik probeerde rustig te blijven. Ik voelde dat ik zo ging schreeuwen van angst en ongeloof. Dit kon niet waar zijn! Ik zakte langzaam in elkaar naast de boekenkast. Ik trok mijn knieën op, en sloeg mijn armen er omheen. Ik moest nadenken, en rustig blijven. Vooral dat laatste. Gewoon rustig blijven. Ik was misschien nog aan het dromen. Was ik daarnet niet in slaap gevallen?
Nee, dit was het niet. Ik maakte mezelf wat wijs.
Maar… als Voldemort hier was, en Malfidus. Waren er dan nog andere personages hier in deze wereld? Harry, Ron, Hermelien…? Alle studenten van Zweinstein?
Plots schoot er een andere gedachte door mijn hoofd. Wat als ik verplaatst was? Van mijn wereld in die van Harry Potter? Nee, dat kon niet… of toch?
Ik stond recht en liep naar mijn raam. Voorzichtig schoof ik het gordijn een stukje op… en haalde opgelucht adem. Mijn straat! Alles was er nog.
Ik draaide me om en bleef staan. Voetstappen op de trap… Malfidus? Ik dacht er niet langer over na, maar liep naar de kast, pakte de eerste beste kleren die ik kon vinden en propte ze in mijn rugzak, samen met mijn portefeuille. Ik pakte mijn ladekast en schoof hem tegen mijn deur. De zeven boeken van Harry Potter legde ik achteraan in mijn boekenkast, en stapelde de rest van mijn boeken eromheen. Ook al stond er niets meer in, de kaft was er wel nog. Voldemort en Malfidus mochten in geen geval die boeken vinden.
Maar waar was ik eigenlijk mee bezig? Wie zegt dat het echt Voldemort en Malfidus waren? Misschien waren het wel grappenmakers uit de buurt, die mij een bang wilden maken….
Ik stond midden in de kamer, met mijn rugzak op, toen ik de stem hoorde voor mijn deur. Het was een licht gefluister, maar toch verstond ik het. 'Alohomora'
Mijn sleutel draaide met een klik in het slot om. Dus toch…
Ik wachtte niet tot ik zou zien wie van de twee achter mijn deur stond maar stormde op mijn raam af, schoof mijn gordijn zo hard open dat het in twee scheurde, en deed mijn raam open. Ik klom op de vensterbank en keek achterom. Een lange man kwam de kamer binnen. Zijn koele, grijze ogen sperden ietwat open van verbazing toen hij mij daar zag zitten op de vensterbank. Hij had blondwit haar en leek sprekend op de beschrijving in het boek. Wat me het meeste opviel was zijn toverstok, in zijn rechterhand. Geschrokken van het bewijs, dat ik niet droomde en dit alles echt aan het gebeuren was, sprong ik van de vensterbank, en rolde mijn voortuin in. Ik verbeet de pijn in mijn linkerarm toen ik recht krabbelde en liep mijn oprit af. Ik hoorde een boos gesis achter me, en een deur dat openvloog. Ze waren sneller dan ik dacht. Ik holde in paniek verder. Ik was nu aan het einde van mijn straat. Ik had een plan in mijn hoofd. Ik zou naar de speeltuin gaan. Er waren daar goede verstopplekken. Ik zou wachten tot het dag werd en dan… blij zijn dat ik nog leefde. Voldemort was tenslotte een koelbloedige moordenaar. Hij vermoorde dreuzels voor de grap, en ik was een dreuzel.
Plots struikelde ik, schoof over het grint en knalde tegen een paaltje. Ik hoorde voetstappen op me afkomen. Ik kroop op handen en knieën verder, maar mijn energie was op. Ik had al teveel gedaan vandaag.
"Dacht je nu echt dat je De Heer van het Duister kunt ontlopen?" Er klonk een lach door in Malfidus' stem. Hij had er plezier in! Ik probeerde niet te luisteren, en wilde rechtstaan. Plots prikte er iets tussen mijn schouders. Malfidus trok me recht, en hield mijn arm vast. Zijn toverstok drukte tegen mijn rug. "Je hebt gefaald, dreuzel… je laatste uur is geslagen…"
De woorden gonsden in mijn oren. Alles werd wazig. Ik knipperde met mijn ogen en keek hulpeloos rond. Wat gebeurde er met me? Wat…
De woorden echoden in mijn hoofd toen alles om me heen zwart werd.
"Je hebt gefaald … Je laatste uur is geslagen…"
