Hoofdstuk 1 Boterbier en een krant
Met een zucht gooide Phoebe de krant op de tafel en pijnigde haar hersens. Er moest toch een oplossing zijn!
Elke dag spitte ze de kranten van voor naar achter door, maar er was geen enkele baan te vinden. En dat was ze nu onderhand spuugzat! Zo nu en dan kon ze wel ergens een klusje voor geld doen, maar dat was niet hetzelfde als een vaste baan.
Ze zuchtte nogmaals en besloot maar naar Remus te gaan. Hij zat in hetzelfde schuitje, en met hem kon ze er tenminste over praten.
Hij kon geen baan krijgen omdat hij een weerwolf was, Phoebe echter, had niet eens doorgestudeerd. Na Zweinstein was ze gaan werken, achteraf gezien een hele onverstandige keuze. Maar toen, leek dat haar het beste. Geld verdienen, geld verdienen om een eigen bestaan op de bouwen. Om weg te gaan bij haar ouders, dat als eerste.
Maar nu was het zo moeilijk om zonder diploma een baan te krijgen.
Nogmaals zuchtte ze en stond op om een jas aan te gaan trekken. Nadat ze dat gedaan had liep ze naar de haard en pakte wat brandstof.
'Naar Remus Lupos,' sprak ze duidelijk.
Onmiddellijk vormden zich koude vlammen om haar heen, die haar mee leken te nemen met de opstijgende lucht.
Binnen enkele minuten kwam ze bij de goede haard aan en klopte zich de roet van de kleren. Remus zat in de woonkamer en keek op van zijn krant toen ze doorliep. Haar jas legde ze op de rug van een stoel.
'N Goedemiddag Remus,' zei ze terwijl ze op de versleten bank plofte.
'Phoebe, wat brengt jou hier?' zei hij glimlachend terwijl hij de krant op tafel mikte.
'Wil je wat te drinken, trouwens?'
'Boterbier, als je dat hebt.'
Remus knikte en liep naar de keuken, waar hij met allerlei potjes en glaasjes begon te rammelen.
Even later kwam hij terug met twee glazen boterbier en zette dat voor haar op tafel. Ze knikte dankbaar en zuchtte maar weer.
'Zeg maar gewoon wat je dwarszit, want je komt echt niet zomaar hierheen,' zei Remus ineens.
Phoebe scheurde los van haar gedachtes en keek verrast op.
'Hoe bedoel je?'
'Kom, ik ken je wel al langer dan vandaag! Je zit ergens mee.'
'Ach, het is gewoon zo stom! Ik zoek al zo lang naar een baan, en het lijkt wel of ze de banen voor me weghouden of zo!' mopperde ze geïrriteerd.
'Er komt vast binnenkort een baan vrij, geloof me maar,' probeerde Remus.
'Je weet net zo goed als ik dat dat niet waar is,' gromde ze.
Blijkbaar wist Remus hier niets op terug te zeggen want de stilte wederkeerde. Ze staarde gedachteloos naar de tafel waar haar oog op de voorpagina van de krant viel.
Een foto van een gevangene uit Azkaban. Vreemd, had ze daar niet al eerder over gelezen?
Snel pakte ze de krant en bekeek het artikel aandachtig waarna haar adem stokte. De man op de foto, was Sirius Zwarts!
'Remus, weet je wat dit betekent?' vroeg ze geschrokken.
'Phoebe maak je er nu niet zo dr-'
'Niet druk om maken?' gilde ze hysterisch. 'Ik zit in zijn huis! Dadelijk gaat hij me vermoorden of zo!'
'Natuurlijk niet! Hij heeft een bloedhekel aan dat huis, waarom zou hij in Merlijn's naam terug willen?'
Ja, waarom zou hij eigenlijk terug willen?
Phoebe zuchtte en probeerde er niet aan te denken wat er zou gebeuren als hij wél ineens in haar huis stond.
Ze dronk het laatste restje boterbier op en besloot maar naar huis te gaan.
'Nou, ik ga maar eens,' zei ze terwijl ze opstond om haar jas te pakken.
'Oké maar, hij pakte even haar schouders vast en keek haar recht aan, niet te druk maken!'
Ze glimlachte kort. 'Oké dan.'
Tevreden met haar antwoordt stak hij zijn handen in zijn zakken.
Phoebe deed haar jas weer aan en liep naar de haard waar ze wat brandstof pakte.
'Grimbaudplein 12!' riep ze duidelijk.
Remus stak nog snel zijn hand op, maar ze was al opgeslokt door de zee van vlammen. Wat is ze toch een lieve vrouw.
