H.2
Het was hartstikke druk op de Wegisweg. Iedereen kwam met zijn hele familie om dit nog even te kopen, en die had nog een boek nodig. Ze moest heel goed opletten waar Chassidy heen rende en naar binnen liep. Stel je voor dat ze haar kwijt was! Natuurlijk moest Chassidy op dat moment weer net een ondoordringbare menigte binnendringen. Met een tinnen ketel en de weegschalen die ze eerder al had gekocht op haar rug ging dat haar toch wat minder goed af. Misschien was het slimmer geweest als ze die aan het eind had gekocht.
Aan alle kanten duwden en sjorden er mensen. Chassidy was ze al kwijt. Ze kon nu maar beter zorgen dat ze uit deze menigte kwam.
De ene menigte uit, de andere weer in. Voor ze het wist stond ze tussen rekken snoep en wat nog al niet meer. Toeters, toverstokken, krijsende krijsers (dat stond tenminste op het kaartje) en ukkepukken. Wat was dit nou weer voor winkel?!
"Ah, Mirthe, daar ben je. Dit is George, een broertje van mijn opa Bill." Chassidy had haar arm vastgepakt en sleepte haar mee naar een oudere man die een oor miste.
"Hallo daar! 1 van mijn achternichtjes zie ik, maar welke ook al weer?!" Zei de oude man plagend. "Oom George, wanneer léér je het nou eens? Ik ben Chassidy, dochter van Ciceron die op zijn beurt zoon was van Bill." Antwoordde Chassidy zogenaamd vermoeid. Ze speelde het spelletje gewoon mee. De man begon te lachen, en tikte ondertussen een jongen op zijn vingers omdat die hoopte iets te kunnen pikken. "Wie heb je nu weer meegenomen? Een meisje dit keer zie ik." Dit keer keek hij haar aan. "Mirthe Aylenn, meneer." Antwoordde ze verlegen. "Meneer, meneer! Zeg maar gewoon oom George hoor! Dat doet iedereen hier." Ze knikte wat beduusd, verbaasd door de manier waarop ze hem ineens mocht noemen, alsof ze deel was van de familie.
"Dit is de fopshop van de familie. George en zijn tweelingbroer Fred zijn ermee begonnen. Nu heeft zijn zoon Fred het overgenomen, maar oom George is hier niet weg te slaan." Legde Chassidy uit. "Maar goed, ik moest hier even mijn neus laten zien, dus we kunnen nu weer verder hoor."
Gelukkig was het de rest van de middag minder druk, en konden we de spullen makkelijker kopen. Op Zweinstein zouden ze met Veer en Inkt gaan schrijven. Eigenlijk had ze dat nog nooit gedaan, bij haar thuis gebruikten ze altijd pen of potlood. Nou ja, zo moeilijk kon het toch niet zijn?
De dag vloog voorbij. Chassidy had veel meer gekocht dan wat ze nodig had voor school, maar dat kon ze wel een keer gebruiken was Chassidy's antwoord toen ze er een opmerking over maakte.
"Helaas zie ik je morgen niet meer." Zei Chassidy voor haar hotelkamerdeur. "Alleen 's ochtends vroeg moet ik nog in de keuken werken, en daarna moet ik de laatste nachtjes nog even thuis slapen van mijn ouders. Dus dan zie ik je op Zweinstein, of misschien in de trein nog wel." Ze knikte. Dat was wel jammer, want het was erg gezellig geweest. "Is goed, dan zie ik je dan wel." Antwoordde ze. Chassidy gaf haar een knuffel, en liep weg.
Toen ze de kamer binnen liep lag er tot haar verbazing een papiertje onder de deur doorgeschoven. Nieuwsgierig pakte ze het op en begon te lezen. Het was geschreven in een priegelig handschrift.
Juffrouw Aylenn,,
We hebben een bericht ontvangen waarin staat dat Uw verblijf hier zal worden ingekort. U zult morgenochtend worden opgehaald wegens veranderde omstandigheden.
Het hotel
Morgen al weg? Maar waarheen dan? Zweinstein was toch nog niet open? De gedachten kolkten door haar hoofd. Op de een of andere manier kreeg ze ze niet onder controle. Totdat Zaphira in haar armen sprong. Zo erg was het toch niet? Ze zou alleen eerder worden opgehaald…
Ze sliep slecht die nacht, en was om 6 uur al bepakt en bezakt. Misschien zou ze Chassidy nog even kunnen zien.
"Nee dat hoeft helemaal niet! Alles was al geregeld, je hoefde alleen maar te zorgen dat…!" De man die aan het schreeuwen was stopte onmiddellijk toen hij haar zag. Hij keek haar verwijtend aan, en wende zich weer tot de vrouw waar hij tegen had geschreeuw. Ze liep maar snel weer verder. Wat een enge man!
Een onbekende lekkere geur kwam uit de keuken. Daar zou Chassidy moeten zijn als ze er nog was. Maar ze durfde niet naar binnen te lopen. Zoals altijd als ze zenuwachtig was had ze Zaphira in haar armen. Dit keer vond de Kwistel het hoogst ongepast, en wilde zich loswurmen. Mirthe keek haar echter smekend aan en Zaphira schikte zich maar in haar lot.
De huiself keek haar onderzoekend aan toen ze om 7 uur bij de receptie aan kwam zetten. Ze had besloten te vragen waarom ze zou worden opgehaald, maar wilde er niet voor 7 uur heengaan, stel je voor dat er nog niemand was! Net toen ze het wilde vragen kwam er een oudere jongen binnenrennen. Hij had donkerbruin haar dat door de war zat, maar geen net out-of-bed look. Zijn ogen hadden ongeveer dezelfde kleur als zijn haar. Hij was knap, maar ook best wel lang.
"Ik ben hier om Mirthe Aylenn op te halen. Ik had gisteren een bericht laten sturen. Ik kon alleen zo vroeg komen. Zou U iemand kunnen sturen om te vragen of ze zich zo snel mogelijk klaar kan maken? Zeg ook maar meteen dat het me spijt dat ik zo vroeg moet komen, maar het kan niet anders." De jongen keek de huiself smekend aan. Die naar haar keek. Ze voelde dat ze rood werd. "Ehm, ik ben Mirthe." Zei ze stamelend.
De jongen keek verbaasd opzij, alsof hij haar nog helemaal niet had gezien. "Echt? Mooi! Ik ben trouwens Alecto Tades." Zei de jongen opgelucht. "Had je toevallig ook je spullen al gepakt?" Vroeg hij aarzelend. Ze knikte. Dat had ze toevallig wel. Zit er toch nog een voordeel aan vroeg wakker worden!
Ze rende naar boven, en pakte haar tas. Hij was nog zwaarder geworden door alle schoolspullen die erbij in zaten. Eenmaal beneden vroeg ze nieuwsgierig aan Alecto: "Hoe gaan we? En waar gaan we heen?"
"We gaan met de Hippogriefen, en naar mijn huis." Luidde het antwoord. Mirthe knikte alleen maar, en liep de deur uit. Waar ze recht in een paar grote groene ogen keek. De ogen van een Hippogrief. Met daaronder een scherp uitziende snavel. Ze durfde zich niet te bewegen. Knipperde niet met haar ogen. Hield zelfs haar adem in.
De ogen voor zich bestudeerden haar nieuwsgierig. De snavel klikte een keer. Er lagen geen emoties in de ogen die zo diep leken als de diepste zee. Niet of het een vriendelijk of chagrijnig dier was. Er kwam pas beroering in toen Zaphira op haar schouder sprong. Het leek alsof er een flits van erkenning door de ogen van het dier schoot. En de Hippogrief maakte een buiging. Een buiging! Natuurlijk, dat was het, daar had ze wel eens van gehoord. Ook zij maakte een buiging. Zaphira spinde genoegend op haar schouder.
Pas toen had ze door dat er meerdere mensen omheen stonden, met hun toverstok klaar om te handelen indien mogelijk.
"Dit is echt het meest wonderbaarlijkste dat ik ooit heb gezien." Zei Alecto. "Ik had nooit verwacht dat een Hippogrief, en dan Sarabi al helemaal, als eerste zou buigen voor een tovenaar of heks, en dan wachtend op antwoord. Zeer ongewoon." "Sarabi?" Herhaalde ze, "Heet ze Sarabi? Dat is een mooie naam…" Ze had haar hand al uitgestoken, en aaide over het hoofd van de Hippogrief. De veren waren zo zacht als ze nog nooit gevoeld had. De ogen van de Hippogrief, Sarabi, stonden dit keer vriendelijk. Ze zou wel vrienden worden met Sarabi. Als ze er de tijd tenminste voor kreeg.
De reis naar Alecto's huis, eigenlijk die van zijn ouders, was geweldig. Net als het uitzicht. Zweinstein was echt heel groot, net als haar ouders haar al hadden verteld. Alleen over het stenen huis aan het meer, dat een verlenging van het kasteel leek te zijn, hadden haar ouders niets over verteld.
Het was gezellig druk in Alecto's huis. Ze hadden trouwens een enorme deur, wat Mirthe wel snapte toen ze zijn moeder zag, die was 2 meter lang, volgens haar schatting.
"Hallo meisje! Wat gezellig om jou er bij te hebben! Ik ben Harmonia. De moeder van Alecto. Dit is Kiros." De vrouw wees naar de jongen naast haar. Of was het al een man? "Sirius, Tamara, komen jullie even beneden? Onze gast is er!" Riep Harmonia. Ik hoorde wat gestommel van boven, en toen op de trap. Een meisje met golvend kastanjebruin haar kwam de trap afrennen.
"Hoi, ik ben Tamara." Zei het meisje toen ze voor haar stond. "Ik ben Mirthe." Antwoordde ze. "Jij gaat dit jaar toch ook voor het eerst naar Zweinstein? Ik ook. Nou ja, voor zover je er voor het eerst naartoe kunt gaan als je ernaast woont, maar je snapt wel wat ik bedoel." Ze knikte, waarop haar blik werd getrokken naar een jongen die achter Tamara de trap af kwam lopen. Zijn zilveren ogen keken haar doordringend aan, maar hij zei niets. "Oh, dat is mijn broer Sirius. De sorteerhoed riep bij hem geen afdeling, dus James heeft hem zolang bij Huffelpuf ingedeeld. Ik weet niet waar hij op wacht, want ons is gezegd dat het alleen maar tijdelijk is." Verklaarde Tamara. "Kom je mee naar mijn kamer? Daar slaap je deze drie nachten nog, voordat we naar Zweinstein gaan." Ze liet zich maar meeslepen, op de één of andere manier kreeg ze de ogen van Sirius niet uit haar hoofd. Hoe oud zou hij eigenlijk zijn?
