Vallen en Opstaan

Severus Sneep, de befaamde Toverdrankenprofessor van Zweinstein, voelde zich beter dan hij in meer dan twee jaar had gevoeld. Hij nam een slokje van de donkerrode wijn en genoot van de smaak, van het warme gevoel dat in zijn maag ontstond. Hij had al zo lang geen wijn meer durven drinken.

Drie maanden geleden, midden in de nacht, was Perkamentus zijn kamer binnengestapt. Hij informeerde hem kort dat Voldemort nu van zijn verraad wist en dat er geen Dooddoenerverkleedpartijen en ontmoetingen meer plaats zouden vinden, waarna hij zich omdraaide om weer te vertrekken.

Sneep had altijd geweten dat hij niet de enige informatiebron was van Perkamentus, dat de oude tovenaar manieren had om dingen te weten te komen die zijn fantasie te boven gingen. Hij had er nooit eerder naar gevraagd. Maar die nacht, was er een blik in Perkamentus' ogen geweest, een wanhoop en vermoeidheid, die hem ernaar deed vragen.

"Wie heeft me verraden, Albus?"

"Wees blij, Severus", was zijn enige antwoord geweest, "Wees blij dat het eindelijk voorbij is."

Maar het schoolhoofd zelf had niet blij gekeken.

Severus nam een hap van het diner dat de huiselven, uitmuntend als altijd, hadden bereid, en moest een glimlach onderdrukken.

Hij was verloren geweest in het begin. Zonder de enorme last op zijn schouders van het spioneren had hij zich naakt gevoeld, nutteloos. En hij was nu in een nog groter gevaar dan eerst. Iedere volgeling van Voldemort wilde hem dood en ondanks wat Perkamentus leek te denken, de school was niet bepaald een veilige plaats te noemen. Bezoekende ouders, leerlingen die sympathiseerden met Dooddoenersovertuigingen – om iedere hoek konden er vijanden staan. Maar hij was toch door de school gaan lopen, nacht na nacht, alleen met de schaduwen en het gefluister van de portretten. Misschien uit een roekeloze behoefte om zijn leven weer onder controle te krijgen, misschien omdat hij niet echt verder wilde gaan in dit leven.

Maar toen, na weken van rusteloosheid, van ijsberen en vloeken, was hij een ochtend wakker geworden en had hij begrepen wat een dwaas hij was. Hoeveel hij ook de verrader in hun midden verachtte, die waardeloze schoft die hem had aangegeven, hij had – onwillend, weliswaar – Severus een nieuw leven gegeven. Hij was nu vrij. Hij kon doorgaan met het leven dat hij zo lang geleden dwaas had weggegooid door zich bij Voldemort te voegen.

Na jaren van zich in het duister verschuilen, had hij zijn ogen weer geopend, en wat hij had gevonden was een wereld van schoonheid, een wereld die het waard was in te leven. De geneugten die hij zichzelf zo lang ontzegd had waren weer toegankelijk voor hem, vriendschap, comfort, de vreugde van kennis. De rijke wereld van zijn zintuigen, en er van te genieten zonder angst, zonder schuldgevoel, was een openbaring. Deze stoofpot bijvoorbeeld…

Een pijn in zijn zij scheurde hem weg van zijn gedachten. Filius Banning, gezeten aan zijn linkerzijde aan de lange lerarentafel, leunde naar hem toe en fluisterde: "Je gezicht doet dingen die helemaal niet gepast zijn voor onze broedende Toverdrankmeester, Severus."

Hij was weer aan het grijnzen geweest, realiseerde hij zich verlaat. De school was vol roddels dat hun minst geliefde Professor eindelijk doorgedraaid was, grijnzend om niets, terwijl hij gewoon voor een raam stond en voor een keer niet eens probeerde afdelingspunten af te trekken. Maar zij konden niet weten hoe goed het voelde om te baden in de warmte van de zon.

Severus liet de glimlach nog een moment doorgaan en knikte naar Banning, voordat hij terugkeerde naar de chagrijnige blik van de alom gevreesde Toverdrankmeester. Hij kon geen misstap maken tegenover de lerlingen – een menselijke Severus Sneep zou ze waarschijnlijk een doodsschok opleveren.

Terwijl hij verder ging met zijn stoofpot, liet hij zijn ogen ronddwalen. Avondeten in de Grote Zaal was net zo luidruchtig als de andere maaltijden, met leerlingen die schreeuwden, lachten, praatten zo hard als ze konden en soms zelfs van tafel naar tafel renden.

Alleen de zevendejaars leken wat ingetogener. Nog bijna negen maanden tot hun examens en nu al maakten ze elkaar gek. Niet dat dat erg moeilijk voor hen was, Severus had tieners toch altijd al op de grens van krankzinnigheid beschouwd. Maar het zou lastig worden hen de rest van het jaar aan het werk te houden als ze nu al instortten.

Zijn ogen rustten op de tafel van Griffoendor, waar de twee verloren overblijfselen van het gouden trio zachtjes praatten, de lege plaats tussen hen in de afwezigheid verradend van het enige brein dat ze leken te bezitten. Juffrouw Griffel miste weer eens een maaltijd, waarschijnlijk in de bibliotheek, gebogen over een opdracht of zelf-toegewezen project. Hij had haar daar gisteren gezien, ijverig een veels te groot boek verslindend. De donkere wallen onder haar ogen en de verkrampte lijn van haar schouders hadden haar vermoeidheid verraden.

Voor één moment, had Severus de onmogelijke neiging naast haar te gaan zitten en haar te vertellen niet zo hard te werken, in plaats daarvan van haar leven te genieten, maar hij verbande die gedachte snel naar zijn achterhoofd. Dat had haar waarschijnlijk laten flauwvallen.

Maar het meisje was zelf ook veranderd. Haar werk was net zo vlekkeloos als altijd, sinds het begin van het nieuwe jaar, maar haar opstellen hadden iets van hun… epische kwaliteit verloren. En haar deelname in de klas was gereduceerd tot slechts één of twee goedgeformuleerde opmerkingen per les. Misschien had de kleine betweter eindelijk uitgevonden waar het leven werkelijk om ging.

Hij meesmuilde. De modelleerlinge die eindelijk veranderde in een menselijk wezen – het gaf hem genoeg stof om Minerva de volgende eeuw in te plagen.

Hij draaide zich naar links, waar Remus Lupos een belachelijke hoeveelheid voedsel op zijn lepel schoof. Na het Ministerie's fiasco, dat nu officieus de "Omber iditotie" werd genoemd, waren Droebel en zijn volgelingen volledig gestopt zich te bemoeien met de school. Ook de ouders hadden zich eindelijk gerealiseerd dat, wat er ook aan de hand was, Perkamentus het het beste kon afhandelen. Met Lucius en veel van de andere Dooddoenerouders op de vlucht, was er niemand geweest om te protesteren tegen Lupos' wederkeer als leraar Verweer Tegen de Zwarte Kunsten. De enthousiaste reacties van de leerlingen hadden de beslissing van het Schoolhoofd bevestigd.

"Klaar voor een volgende test?"

Lupos knikte, maar ging nog een moment door met kauwen.

"Laat me eerst deze uitstekende stoofpot opeten, Severus. Om de Imperiusvloek te weerstaan, moet ik een volle maag hebben."

Ze waren begonnen te experimenteren om een betere manier te vinden de Imperiusvloek te weerstaan, de vervloekte versterkend met behulp van een aantal toverdranken die Severus de laatste maanden aan het ontwikkelen was. Om eindelijk in staat te zijn terug te keren naar zijn wetenschappelijk werk, zich weer te bedelven onder experimenten en onderzoeken, was nog een pluspunt van zijn nieuwe situatie. Hij knikte en reikte, na een moment van twijfel, naar Lupos en klopte hem op de rug.

"Ik begin dan vast met de voorbereidingen. Kom over een half uur."

Met een groetende knik naar de rest van de staf, verliet hij de tafel en de Grote Zaal, zijn zwarte kleren achter hem opbollend al een groot, donker dier.

--

"Ze doet het weer! Ik haat het als ze dit doet!"

Ron was weer begonnen met ijsberen. Harry zou in de verleiding zijn geweest het tapijt van de leerlingenkamer op tekenen van extreem gebruik te onderzoeken, ware het niet dat hij net zo boos was als Ron. Boos en bezorgd.

'Ik snap het niet!", herhaalde Ron zich weer, "Ik bedoel, ze is niet in de bibliotheek. Ze is niet in haar kamer. We hebben zo ongeveer honderd keer geklopt, en ze zou moeten antwoorden. We zouden een leerling in nood kunnen zijn, voor zover zij weet!"

Hermelien was, tot niemands verrassing, Hoofdmonitor geworden dit jaar, en behalve de privileges van het gebruik van de verboden sectie van de bibliotheek en het bewandelen van de gangen wanneer ze maar wilde, had ze ook een eigen kamer gekregen, die zowel opende naar de leerlingenkamer van Griffoendor als de gang ernaast.

"Je gedraagde je niet bepaald als een leerling in nood, Ron", merkte Harry droog op, "Op haar deur bonzen en roepen 'Doe deze verdomde deur open, Hermelien Griffel, of ik vermoord je kat' kwalificeert zich in ieder geval niet echt als een roep om hulp."

Ron stopte vlak voor Harry en staarde zijn vriend boos aan.

"Ben jij dan helemaal niet bezorgd?"

"Jawel. Natuurlijk ben ik dat ook", zuchtte Harry. "Maar we kunnen haar niet dwingen het ons te vertellen. Blijkbaar wil ze alleen zijn, en er is niets wat we daaraan kunnen doen."

"We zijn haar vrienden. Ze zou ons alles moeten vertellen. Wij vertellen haar alles, in godsnaam!", klaagde Ron.

"Als we nou de Sluipwegwijzer nog maar hadden." Harry staarde boos naar de haard, alsof hij dacht aan de beste manier om deze te beheksen.

De Sluipwegwijzer, onschatbare metgezel voor zo veel jaren van onrust stoken en 's nachts buiten zijn, was verloren gegaan aan het vuur eind vorig jaar. Het had op een tafel bij de haard gelegen toen Hermelien erlangs was gelopen, het per ongeluk in de vlammen vegend met de rand van haar mantel. Harry en Ron hadden het eerst verdacht gevonden – Hermelien had altijd al iets tegen de kaart gehad – maar ze had zo oprecht spijt gehad dat ze haar uiteindelijk geloofden en haar excuses aanvaardden.

Haar acteertalent was tenslotte niet zo goed, toch?

Harry zuchtte weer. De kaart had hen Hermelien's verblijfplaats onmiddellijk onthuld, maar nu hadden ze geen andere mogelijkheid dan te wachten en haar te ondervragen wanneer ze terugkeerde.

"Staat Marcel nog steeds op wacht voor de andere ingang?", vroeg hij Ron.

"Ik ga wel kijken."

Een paar minuten later klom Ron terug in de leerlingenkamer en knikte tevreden. "Ze kan op geen enkele manier om hem heen", rapporteerde hij. "Marcel is net zo vastberaden als wij."

"Dan is er niets wat we kunnen doen. Zin in een potje schaak?", vroeg Harry en hij werd beloond met de eerste echte glimlach van de avond.

Vijf uur later, wanneer ze Hermelien bijna hadden opgegeven, en ze zo moe waren dat hun ogen geopend houden een te grote moeite leek, opende het portretgat zich eindelijk.

Een zeer vermoeide en knorrig uitziende Hermelien klom erdoor.

"Hermelien!"

Ron's enthousiaste uitroep deed haar schrikken. Haar hand dwaalde af naar haar zak voordat ze zich realiseerde wie haar verrast had, maar toen ze Ron en Harry zag, nam ze genoegen met een zwakke boze blik.

"Zouden jullie twee niet in bed moeten liggen?", vroeg ze en zette koers naar een stoel. Voordat ze die bereikt had, echter, wankelde ze en moest steun zoeken bij een muur.

"Alles goed, Hermelien?"

"Ja Harry, dank je, ik be alleen een beetje moe."

"Waarom ben je dan zo lang weggeweest? En waarheen?", eiste Ron boos. "We hebben je uren geprobeerd te vinden."

"Dus jullie waren het die Marcel voor mijn deur hebben gezet? Trouwens, hij is in slaap gevallen. Een van jullie moet hem maar gaan halen."

Ze bereikte eindelijk de bank en liet zichzelf vorozichtig zakken. Ze beweegt zich als een oude vrouw, realiseerde Harry zich plotseling, zijn bezorgdheid voor Hermelien een nieuw niveau bereikend. Ze was altijd zo energiek geweest, maar nu leek ze afgepeigerd, op een vreemde manier versleten.

"Weet je zeker dat alles goed met je is?"

Hij ging naast haar zitten en pakte haar hand. "We zijn alleen bezorgd, Hermelien. Je spendeert steeds minder en minder tijd met ons, de helft van de tijd kunnen we je niet vinden, en je ziet er niet erg goed uit. Denk je niet dat je het een beetje overdrijft met je schoolwerk?"

Ze zuchtte, maar kon een glimlach net onderdrukken toen Ron aan haar andere kant ging zitten en haar een van die puppy-blikken gaf die alle meisjes in de Griffoendortoren scheen te doen smelten.

"Ik ben echt oké, jongens", stelde ze hen gerust. "Maar er is een speciaal project waar ik mee bezig ben – kreun niet zo! – en Professor Anderling wilde niet dat ik het aan iemand vertelde. Ze heeft me aangenomen als assistente, en omdat ze dat niet officieel mag doen tot we afstuderen, mag niemand het nog weten."

"Hermelien, dat is geweldig!"

"Gefeliciteerd!"

"Bedankt, maar houd het geheim, alsjeblieft?"

Plotseling bevonden beide jongens zich in een stevige omhelzing. Voor een moment klemde Hermelien zich vast aan hen, hen zo dicht tegen zich aandrukken als ze kon, voordat ze losliet en opstond.

"Het spijt me heel erg dat we zo weinig tijd samen hebben, maar je begrijpt toch wel dat dit belangrijk voor me is? Ik moet dit doen, en als ik soms een beetje moe lijk, is dat een prijs die ik graag wil betalen. Trouwens, Professor Anderling zou me toch niet iets laten doen wat slecht voor me is?"

Ze knikten, en na wat geklets over school en Simon's nieuwe vriendinnetje, gingen Harry en Ron naar hun slaapzaal. Ron leek tevreden met haar uitleg, maar Harry voelde dat er iets niet helemaal klopte. Ze scheen wanhopig om hen haar verhaal te laten geloven, te wanhopig om het helemaal geloofwaardig te maken.

Maar hij kende Hermelien goed genoeg om te weten dat ze alleen extra muren om zich op zou trekken als hij haar te scherp ondervroeg. Voordat ze verdwenen, draaide Harry zich om en zag Hermelien naar hen kijken, een vreemde blik op haar gezicht. Pijn, liefde en iets anders, samengesmolten in een blik die zijn hart pijn deed. Hij zou vannacht niet goed slapen.


Het volgende hoofdstuk bevat een ontmoeting tussen Severus en Hermelien, wat drama, een furieuze Toverdrankmeester en wat doet Draco hier tussenin?

Review!