Het is donker en het is koud. Het is goed.

Met trillende hand pak ik mijn veer en zet hem op het perkament. Ik weet niet wat ik doe, ik weet niet wat ik wil. Ik zie mijn hand bewegingen maken, bewegingen die mij vreemd zijn, onnatuurlijk. In mijn kamer in Het Nest is het donker. De ramen zijn verduisterd en de klok heeft daarnet twee uur in de nacht geslagen.

Het is laat, maar ik wil nog niet slapen. Ik moet nog iets afmaken. Op mijn bureau staat links van mij een glas water. Onaangeroerd. Vol en leeg tegelijkertijd. Ik proef het niet, ik zal het niet proeven, ik zal de koelte die door mijn keel glijdt niet opmerken. Ik laat het staan, het heeft geen zin meer. Niets heeft nog zin.
Mijn spieren zijn moe, mijn ogen vallen telkens dicht. Dit lukt me niet, niet nu. Niet later. Het lukt me niet.

Ik kijk naar mijn handen: ze vertonen rimpels. Van ouderdom, van verdriet, van spijt, van pijn. Wie zal het zeggen? Het doet er niet toe. Het zijn rimpels, dat is de kern, dat is het moraal, daar gaat het om! Mijn huid is slap, mijn spieren zijn slap, mijn levenskracht is verdwenen. Mijn levenskracht is weggevlogen met de wind, helaas heeft zij mij niet meegenomen. Mijn magie is verdwenen. Weggevlogen. De magie heeft mij achtergelaten in het donker. Koud.

Mijn hand maakt bewegingen, op en neer, van links naar rechts. Mijn hand maakt schrijfbewegingen. Eindelijk. Na maanden van wachten, maanden van zoeken. Ik schrijf weer, zoals ik vroeger schreef.
Het is vreemd, ik kan niet zien wat ik schrijf. Ik weet dat ik schrijf, wat het precies is, ik kan het niet lezen. Ik wil het niet lezen. Het lukt me niet. De magie heeft mij achtergelaten. Het is koud.

Het lukt me niet. Ik kan dit niet, nog niet. Het lukt me niet, Ik kan dit niet, nog niet. Ik schrijf wel. Mijn oude arm beweegt, mijn pols doet haar werk. Ik schrijf alles op. Ik moest wel, de magie is mij niet vreemd geworden. Mijn hand beweegt weer, zoals vanouds, ze heeft de magie terug gevonden. Donker en koud.

Ik schrijf op hoe ik tot dit punt ben gekomen, hier en nu. De jaren die achter mij liggen, zijn vergeten. Ik zal nu gewoon schrijven, rustig en beheerst. Het water in het glas trilt een beetje. De klok geeft aan dat het bijna half vijf in de ochtend is. Ik zit hier al lang. Niets heb ik gedaan. Zitten. Kijken. Nadenken.
Drie woorden die de lijn van de weg die ik nu afloop aanraken. Niets komt zonder reden tot stand. Niet voor niets heb ik gewacht, tot aan dit moment.

Mijn naam is Ginny Wemel, ik ben nu 45 jaar oud. Dagenlang heb ik hierop gewacht. Ik ben moeder, vriendin, zus, geliefde, tante, nicht, geweest. Ik ben alles geweest.
Nu ben ik schrijfster. Eindelijk. Jaren heb ik moeten wachten. Nu is eindelijk het moment aangebroken. Het is opnieuw van start gegaan. Mijn leven zal herschreven worden.

Mijn naam is Ginny Wemel. Ik ben oud, maar nog niet té oud. Ik schrijf opnieuw en nu zal mijn verhaal volledig zijn. De eerste zin staat op papier. Het is goed. Het is donker en het is koud.