- Hoofdstuk 2 -
Eerste hulp bij ongelukken
"Lucius?" herhaalde Sneep. De witte oogleden bleven onbewogen. Sneep wierp een laatste tevergeefse blik om de hem omringende puinhopen op zoek naar een toverstaf, en legde daarna met een verbeten zucht zijn wijs- en middelvinger op Malfidus' hals, op zoek naar een hartslag. Dreuzel-truukjes… Hij bracht zijn oor vlak boven Malfidus' mond en neus. Een zachte stroom warme lucht bestreek de rechterkant van Sneeps gezicht, en onder zijn vingers voelde Sneep regelmatig pulseren in Malfidus' nek. Malfidus leefde.
Sneep zocht in zijn mantel en haalde een klein flesje gevuld met een helderrode vloeistof tevoorschijn. Hij ontkurkte het flesje, ondersteunde Malfidus' hoofd en bracht het flesje naar zijn lippen. De vloeistof kleurde het grauwe stof op de lippen rood en liep Maldfidus' mond in. Na enkele ogenblikken schokte Malfidus' lichaam en begon hij te hoesten.
"Drinken," beval Sneep. Het gehoest klonk gesmoord en werd onderbroken door slikken. Sneep nam het lege flesje weg en Malfidus kwam al kuchend overeind, voor zover dat kon. Sneep begon Malfidus' onderlichaam verder uit te graven uit de brokken steen.
"We moeten hier snel weg," zei Sneep, "de boot kan elk moment vertrekken."
"Mijn staf…" zei Malfidus hees, terwijl zijn lange, benige vingers de rotsen om hem heen aftasten.
"De mijne is ook verloren," zei Sneep verbeten, terwijl de pijnlijke blik van houtsplinters en gekleurde fragmenten in zijn handpalm weer voor zijn ogen zweefde. "Ik ben bang dat we veroordeeld zijn tot lichamelijke arbeid." Zwijgend werkten Sneep en Malfidus aan het verwijderen van stenen totdat Malfidus' lichaam bevrijd was. Terwijl Malfidus zijn pijnlijke ledematen in staande positie probeerde te dwingen, oriënteerde Sneep zich in de ruimte en draaide hij resoluut één kant op.
"Daar moet de buitenmuur zijn. Als we daar een weg heen vrij weten te maken halen we het misschien nog." De pijn verbijtend, begon Sneep uit één hoek van de ruimte stukken steen weg te werken. Na enkele minuten verlichtte een oranje gloed Sneeps gekraste hand.
"Licht!" riep hij, en werkte de stenen rond de lichtbron verder weg. Langzaam werd rotsachtige kust zichtbaar, met daarachter wilde golven waarop helder oranjerood van de opgaande zon weerkaatste. Sneep vloekte binnensmonds terwijl hij de laatste paar stenen tussen hem en de buitenwereld wegsmeet; de dekking van de nacht gaf prijs voor alles onthullend daglicht. Na een laatste steen wurmde hij zich het gat uit en rende hij naar de het bovenste punt van de steile rotshelling waar hij zich op bevond, terwijl hij koortsig om zich heen keek op zoek naar de boot. De plek bij de ingang waar ze hem hadden achtergelaten, was leeg. Wacht, daar, op zee… verdomme!
Op honderd meter afstand zag hij de boot varen. Staand op de achterste hoek ontwaarde hij het spitse figuur van Bella. Sneep zwaaide wild met zijn armen op en neer. Bella's bekapte hoofd draaide zijn kant op, bleef enkele seconden onbewogen, en draaide zich toen van hem weg, waarna Bella ging zitten. De boot zette zijn koers voort. De vuile…! Sneep schreeuwde enkele vervloekingen voordat hij weer tot zichzelf kwam. Hij moest snel terug naar de muren; vanaf hier was hij veel te zichtbaar. Hij draaide zich om en zag Malfidus uit het gat tussen de totale chaos van rotsblokken komen. Wat moesten ze in Merlijns naam doen?
Sneep keek om zich heen, en naar beneden, waar zich de steil afdalende rotshelling bevond. Onder aan de helling, een stuk verder naar rechts, ontwaarde Sneep een spleet, groot genoeg voor een man om in te gaan. Een schuilgrot – geen fantastisch plan, maar in ieder geval een plan. Zolang de zon scheen moesten ze zich hoe dan ook onzichtbaar maken. En dan als het nacht werd… zwemmen? Wacht, in de chaos van de stukken steen hadden ook kapotte houten balken gelegen: hout drijft. Sneep rende terug naar de opgeblazen kamer, waar een gebroken ogende Malfidus hem vragend aankeek.
"Je schoonzusje heeft besloten ons achter te laten," sneerde Sneep. "We zullen ons schuil moeten houden tot het nacht is, of in ieder geval tot we een beter idee hebben. Ik haal een houten balk uit de puinhopen, mochten we besluiten vannacht het water te kiezen." Sneep wurmde zich weer de ruimte binnen, trok een stuk balk tussen de stenen vandaan en nam deze met zich mee naar buiten.
"Qua schuilplaats zie ik maar één optie: we zullen de rotswand af moeten dalen. Beneden, haast op zeeniveau, bevindt zich een soort grot, of in ieder geval een spleet waar we ons waarschijnlijk in kunnen verschuilen. Daar," zei Sneep, terwijl hij met de massieve balk onder zijn arm weer richting de rand van de helling liep en naar rechtsonder wees. Malfidus volgde hem, en Sneep zag hem terugdeinzen bij het zien van de steilheid van de helling, maar Malfidus sprak geen woord. Sneep begon de afdaling, van richel naar richel en over verraderlijke losse steentjes, maar uiteindelijke bereikte hij met Maldfidus de opening in de rotswand. De opening bleek groter dan hij van veraf leek, en achter de opening bevond zich een kleine, vochtige grot.
De mannen begaven zich naar binnen en zakten neer op de klamme stenen vloer. Voor het eerst liet Malfidus zich een zachte kreun ontsnappen. Hoewel Malfidus er altijd al bleek uitzag, leek zijn huid nu op een of andere manier ontdaan van alle kleur, op de dieprode stroompjes bloed die uit zijn verwondingen kwamen na. De maanden Azkaban hadden hem ook geen goed gedaan; uitstekende botten tekenden zich af onder de vale gevangeniskleding en scherpe jukbeenderen leken Malfidus' gezichtshuid haast door te prikken. Pijnlijke groeven tekenden zich af op Malfidus' gezicht toen hij zijn lichaam in een positie bracht waarmee hij zijn rechte rug kon steunen tegen de rostwand. Voorzichtig bracht hij zijn hoofd naar achter, zodat deze rustte tegen het koele steen van de muur. Hij sloot zijn ogen.
"Mijn hoofd…" sprak hij, zwakjes.
"Daarvoor heb ik niets bij me, ben ik bang," zei Sneep. "Misschien kan ik de wond…" begon hij terwijl hij naar een klont half gestold bloed in Malfidus' haar keek, maar hij slikte de rest van de zin in. De gedachte van de wond op Malfidus' hoofd inspecteren maakte hem plotseling ongemakkelijk, en bovendien was het wel erg des Dreuzels om zonder toverstok of -drank aan de slag te gaan. Hij schraapte zijn keel en richtte zijn blik omlaag.
Malfidus opende zijn ogen, rechtte zijn hoofd en keek naar Sneep. "Het bloedt nog," zei hij, terwijl hij bloed langs de vingertoppen die in zijn nek voelden voelde lopen. "Heb je niet iets tegen het bloeden, iets om de wond te dicht-"
"Ik zei toch dat ik niets had," onderbrak Sneep hem. Het kwam onverwacht fel over zijn lippen. "Sorry," zei hij, "ik… ik zal even kijken." Hij knielde naast Malfidus en bracht voorzichtig Malfidus' haar opzij. Het was moeilijk om iets te zien: dikke korsten bloed hadden zich tussen de lange haren rondom de wond gevormd. Tussen de korsten door sijpelden stroompjes bloed Malfidus' nek in. Als dit zo doorging, zou wachten op de nacht misschien wel te lang duren voor Malfidus. Sneep haalde het mesje dat hij altijd bij zich droeg voor het vergaren en bewerken van toverdrankingrediënten tevoorschijn en sneed een stuk van de katoenen stof van zijn ondergewaad. Met de stof depte hij het bloed in Malfidus' hals en daarna vouwde hij de stof op zodat hij meerdere lagen dik was, en bracht dit naar Malfidus' wond en oefende lichte druk uit.
"Ik druk de wond dicht," lichtte hij toe, "dan stopt het bloeden sneller." Malfidus zweeg. Een ongemakkelijke stilte vulde de grot. Sneep zat doodstil met zijn hand op Malfidus' hoofd, en kreeg langzaam een lamme arm. Malfidus' warme adem streek met regelmatige tussenpozen langs de zijkant van zijn gezicht. Na enige tijd wilde Sneep voorzichtig kijken of het bloeden al gestopt was. Hij verzitte en draaide zijn hoofd naar de wond. Zijn neus streek langs Malfidus' wang, en Sneep schoot achteruit alsof hij zich gebrand had. Malfidus' en Sneeps ogen vonden elkaar in een verschrikte blik. Snel sloeg Sneep zijn ogen neer, waarna hij zich richtte op de wond. Voorzichtig tilde hij een hoek van de doek op – wat voelde zijn hand instabiel – en inspecteerde hij de wond. Het bloeden was een stuk minder geworden: het bloed druppelde nu meer dan dat het sijpelde.
"Het bloeden," zei Sneep schor – hij schraapte zijn keel – "het bloeden is al een stuk minder. Je kunt nu zelf de stof vastdrukken."
Malfidus' bracht zijn hand naar de wond, en nam de stof van Sneep over. Langzaam trok Sneep zijn hand terug.
"Wacht," zei hij, "het zit niet helemaal recht." Sneep verplaatste Malfidus' vingers zo de stof de hele wond goed bedekte. Terwijl zijn vingers nog op die van Malfidus' rustten, voelde hij Malfidus' blik. Langzaam verplaatste Sneeps blik zich naar beneden, tot hij kruiste met die van Malfidus. De grijze ogen keken niet weg, knipperden niet, maar fixeerden zich op die van Sneep. Sneeps ademhaling en ogen kwamen tot stilstand. Er leek niets anders meer te zijn dan grijs, totdat plotseling witte oogleden het grijs afdekten, dichterbij kwamen en Sneep Malfidus' ruwe lippen op de zijne voelde. Sneeps ademhaling haalde de verloren tijd met haast in, en Sneep wreef zijn lippen over die van Malfidus. Hij opende zijn mond en proefde de roestige smaak van opgedroogd bloed. Toen zijn tong Malfidus' lippen raakte schrok hij plotseling achteruit.
Even buiten de grot klonken vallende stenen, en voetstappen.
