Adanji
Hoofdstuk 1
"Hoe lang moet Adanji nog wachten?"
De jonge vrouwelijke Khajiit porde de Imperial steeds opnieuw met haar voorpoot. De grote Imperial lachte en sloeg zacht haar poot weg.
"Tot Ulfgar terug is! En dat weet je goed genoeg!" riep hij al lachend uit.
Hij draaide zich van haar weg en liep naar de voorraad kisten achteraan in de grot. Ze hadden er twee jaar geleden hun intrek genomen. Hun bende bestond uit vijf personen: Adanji de Khajiit, Ulfgar en Raddin, twee Noormannen, Melie de Breton en hun leider Percan, een Imperial. In die twee jaar hadden ze hun smokkelaarkunsten verbeterd en waren ze nu één van de meest gevreesde bendes.
Percan opende een kist en haalde een zakje uit.
"Zie je dit?" vroeg hij terwijl hij het omhoog hield. "Het is bijna op. Je krijgt niets tot dat Ulfgar terug is."
Adanji knikte ontevreden en zwiepte even met haar staart.
"Ulfgar mag zich haasten. Adanji wil suiker, nu," bromde ze.
"Wat hebben jullie toch met suiker!" riep een stem. Adanji draaide zich om naar Melie die op de trappen stond. Glimlachend kwam de Breton naar beneden.
"Echt waar, Adanji. Als ik niet beter wist, zou ik denken dat je verslaafd werd."
Adanji spon.
"Suiker houdt lichaam sterk en fit," antwoordde ze. "Suiker goed voor Adanji."
"Toch krijg je niets," zei Percan en hij stopte het zakje weer in de kist.
"Het is niet simpel deze dagen om aan suiker te komen. Ulfgar zal het moeilijk krijgen," zei hij dan en er verscheen een droevige blik op zijn gezicht.
Adanji legde een poot op zijn schouder.
"Waarom zo droevig, Percan?" vroeg ze en spon zachtjes.
Percan fronste.
"Ik maak me zorgen om Raddin… Hij had al lang terug moeten zijn van Ald'ruhn. Zo'n lange tocht is het ook weer niet."
"Wat ging hij nu weer doen?" vroeg Melie die zich neerzette op een ton en een fles Greef in de hand nam.
"Hij ging naar de Rat. De dievengilde zou een goede deal voor ons hebben."
"Denk je dat er iets mis gegaan is?" vroeg Melie en nu keek ze ook bezorgd. Percan schudde zijn hoofd.
"Ik heb geen idee…" Hij zuchtte en ging naast Melie zitten. Ze stak hem de fles in zijn handen en hij nam een grote slok.
Adanji keek op hen neer.
"Raddin is een sterke man. Hij komt terug…" zei ze zacht, maar er klonk twijfel in haar stem.
Ze werden opgeschrikt door voetstappen in de gang. Het waren haastige en zware voetstappen. Ulfgar verscheen in de holle grotruimte. Hij hijgde nog even na.
In zijn hand droeg hij een zak. Adanji's ogen fonkelden en ze liep naar hem toe.
"Cadeautje voor Adanji?" vroeg ze vrolijk. Toen ze het wilde nemen, trok Ulfgar het weg. Ze keek hem kwaad aan.
Ulfgar negeerde haar en keek Percan ernstig aan.
"Ze hebben de wacht in Maar Gan verdubbeld. Ze zijn vastbesloten om ons te vinden."
Percan stond op.
"Komen ze hierheen?" vroeg hij en hij fronste weer.
Ulfgar knikte.
"Iemand heeft ze over deze grot verteld. Ze komen."
Percan staarde hem even in stilte aan.
"Denk je… Raddin?" vroeg Melie. Ulfgar keek haar woedend aan.
"Nooit! Raddin zou ons nooit verraden! Hij is naar Ald'ruhn!"
Percan legde een troostende hand op zijn schouder.
"Dat weet ik…" Hij draaide zich naar Melie.
"Nee, dat zou Raddin nooit doen. Maar nu moeten we niet op zoek naar de verrader. We moeten maken dat we hier weg komen…" Ulfgar kalmeerde. Ze vertrouwden Percan met hun leven.
"Leeg de kisten en neem zoveel mogelijk mee als je maar kunt. We gaan Raddin achterna. Vanavond vertrekken we, zodra het donker wordt."
Iedereen knikte en ging aan het werk. Percan hield Adanji nog even tegen.
"Neem afscheid van je familie. Het kan wel even duren voor we terug zijn."
Adanji keek hem met een zure blik aan.
"Ik weet het…" zuchtte Percan. "Maar je zou er anders spijt van krijgen."
Adanji knikte zacht en nam de zak met suiker met zich mee op weg naar buiten.
