Abby zat, zoals gewoonlijk, naast me in de klas. Ze was mijn beste vriendin en ik kon echt alles aan haar vertellen. Vandaag zaten we ons weer te vervelen onder Nederlands. Er zaten een heleboel kinderen in de klas die slecht waren in werkwoordspelling, maar wij waren poppetjes aan het tekenen in mijn schrift. Abby kon echt super mooi tekenen. Ze wilde graag tekenares worden, maar dan moest ze eerst school, en dus ook zulke saaie Nederlands lessen, zien te overleven. Ik vraag me af of ze dat ook echt bereikt heeft.
De bel ging. Het was zo'n saaie ding-ding-ding-ding bel maar ik was altijd blij als ik hem hoorde. Hij betekende dat er eindelijk weer een les voorbij was. Ik liep door de gangen naar mijn kluisje, verwisselde mijn boeken en liep naar de aula. Daar keek ik waar Abby was en ik ging naast haar zitten, precies als elke pauze. Abby keek me aan. "Hoe gaat het met je?" Ik keek haar aan. "Tja, redelijk, denk ik. Als je bedenkt dat mijn moeder nu precies negen jaar geleden verdween." Snel deed ik alsof ik iemand zocht aan de andere kant van de aula. Ik wilde niet dat Abby zag dat ik de tranen in mijn ogen had staan, zoals altijd als ik weer aan mijn moeder dacht. Ik wist niet veel van haar. Ze las me vroeger graag voor en kocht me vaak nieuwe kleren en dat soort dingen. Ik had haar roodbruine haar geërfd. En ik had altijd haar verlovingsring om. Die had ze vervangen door de trouwring, die ze om had toen ze verdween. Ik voelde dat Abby een arm om me heen sloeg. Ze wist niet wat ze moest zeggen. Ze zou graag willen zeggen dat er niets aan de hand was. Maar na negen jaar was mam nog niet terug gekomen. We woonden nog in hetzelfde huis, dus dat had ze wel gevonden. En ze wist waar ik bang voor was. Dat iemand haar had meegenomen. En haar pijn had gedaan, haar nu nog steeds pijn deed. Dat was wel het meest voor de hand liggende. Dat iemand haar had meegenomen dan. Mam vond het leuk thuis. Ze had een leuke baan, een man die van haar hield en mij. We hadden geen geld problemen of dat soort dingen. Dus daar kon ze ook niet om zijn weggelopen.
Zwijgend aten Abby en ik ons eten op. Beide nadenkend over mijn moeder. Ik kende Abby toen ik vijf was nog niet, dus zij kende mijn moeder niet. Maar ik had genoeg over haar verteld. Zo leek het soms dat Ab mijn moeder nog gekend had.
De bel ging weer en we stonden op om naar de volgende les te gaan. Natuurkunde. Een redelijk leuk vak, dat dankzij mijn klasgenoten, die dus duidelijk meer van de alphavakken hielden (vakken als Nederlands, Frans, Duits, economie etc. Bètavakken zijn exacte vakken als wiskunde en natuurkunde etc.), weer saai werd. We hadden een practicum over licht. Meestal zijn die practica heel saai, maar die van vandaag was leuk; de les was heel snel om.
De lessen die volgden ook, maar dat kwam meer doordat Abby en ik de hele tijd verder zaten te tekenen in mijn Nederlandsschrift, dat ik had meegenomen. Toen de laatste bel ging, sprongen we met z'n twee op en renden bijna naar de kluisjes. Het was vrijdag en dus weekend. Ik pakte de boeken waar ik huiswerk van had gekregen in mijn tas en liep met de veel te zware tas naar mijn fiets. Ab kwam al aangereden. Nadat ik de tas op mijn fiets had gezet stapte ik op mijn fiets en reed, samen met Abby, naar huis. Halverwege moest Abby altijd linksaf bij een kruising. Ik moest rechts. We gaven elkaar een knuffel, terwijl we nog op de fiets zaten (ja, dat kan!) en toen sprong het stoplicht voor links op groen. Ik zwaaide Ab uit. Na een minuut of zeven sprong mijn stoplicht ook op groen. Ik stapte op en fietste verder naar huis.
