Hoofdstuk 1

Hoofdstuk 1

"Belachelijk dat ze die kinderen nog steeds buiten laten spelen, zeker in deze tijden!" zei een oudere vrouw afkeurend, doelend op een groepje kinderen dat zich verdrong voor de etalage van het Zwerkbalparadijs. Rose drong zich langs de vrouw heen en liep gestaag verder. Ze wist niet waar ze heen moest, enkel dat ze moest blijven lopen. Als zijn volgelingen haar te pakken kregen zou ze er geweest zijn. Om nog maar te zwijgen over wat Hij-die-niet-genoemd-mag-worden zelf met haar zou doen.

Ze keek naar de grond en trok haar kap nog iets verder over haar hoofd. Ze was zo druk bezig dat ze niet zag dat er iemand recht op haar af liep, die kennelijk net zo erg met zichzelf bezig was. Met een aardige klap liepen ze tegen elkaar op.

"Sorry," mompelde Rose, zonder op te kijken. Ze wilde doorlopen toen ze ineens een hand op haar schouder voelde. Onwillekeurig ging er een rilling over haar rug heen en met een rug draaide ze zich om. Onder haar mantel greep ze haar toverstok nog wat steviger vast. Ze kende het gezicht van de persoon die voor haar stond niet, maar je kon het nooit zeker weten.

Het was een jongeman van haar leeftijd. Hij had zwart haar en een kromme neus. Zijn donkere ogen versmalden zich toen hij haar zag en hij keek haar schattend aan. Hij had haar schouder losgelaten toen ze zich omdraaide, maar nu greep hij haar pols weer. Rose probeerde zich tevergeefs los te rukken. Waarom merkte niemand dat ze in de problemen zat? Diep in de problemen waarschijnlijk? Nu raakte ze echt in paniek en trok haar toverstok. Ze stak de man zowat een oog uit, maar het kon haar vrij weinig schelen.

"Ik weet dat je me niets doet, Rose," zei de man. Rose vroeg maar niet hoe hij zijn naam kende, dat scheelde haar waarschijnlijk weer heel wat vervelende minuten. Ze hield haar toverstok nog steeds op hem gericht, maar hij keek er enkel minachtend naar. Hij had haar pols nog steeds in een stevige greep.

"Wat moet je?"

"Tutut. Je bent al heel wat minder aardig dan een paar minuten geleden, is het niet?" Het was geen vraag, en dus ging Rose er niet op in. De man praatte rustig verder. "Ik heb opdracht gekregen je op te sporen en mee te nemen, dus dat doe ik dan ook."

Nog voor hij een verdwijnselbeweging kon maken gilde Rose: "Paralitis!" De spreuk raakte de jongeman tussen de ogen en hij viel als een slap hoopje op de grond. Schichtig keek Rose om zich heen en zag dat de winkelende mensen haar nu wél opgemerkt hadden. Er was al aardig wat paniek ontstaan, mensen renden heen en weer en kinderen gilden. Zonder nog verder na te denken verdwijnselde Rose, voordat de mensen van het Ministerie van Toverkunst aanwezig zouden kunnen zijn.

Ze had niet goed kunnen mikken in haar haast, dus het was een verassing toen Rose weer verscheen in een zo te zien verlaten, dichtbegroeid bos. De bomen stonden dicht op elkaar zodat er maar vrij weinig licht tussendoor kwam. Vermoeid en nog nahijgend zakte Rose tegen een dikke eik aan en sloot haar ogen. Ze werd het zat om zo te moeten leven, op de vlucht voor alles en iedereen. En dat allemaal door een loze belofte die haar vader jaren geleden had gemaakt aan zijn meester.

"Je hebt wát gedaan?"

Een woedende vrouwenstem klonk uit de woonkamer van het ouderwetse herenhuis. De vrouw had donker haar, een bleke huid en blauwe ogen, die op dit moment woedend samengeknepen waren. Ze keek in de richting van een gedrongen man die een lange zwarte mantel droeg en zich zo te zien helemaal niet op zijn gemak voelde.

"Schat, je begrijpt het niet, ze krijgt een goed tehuis, zo heeft ze een toekomst!" De man sprak zijn vrouw aan met een zachte en enigszins trillende stem. Hetgeen wat hij zei klonk totaal niet overtuigend, alsof hij er zelf niet eens helemaal achter stond. De vrouw leek zowat te ontploffen van woede toen ze deze woorden hoorde.

"Een goed tehuis? Een goed tehuis? Bij hém? Ik vermoord mijn eigen dochter nog liever dan dat ik haar onderbreng bij de Heer van het Duister!" siste de vrouw. Ze moest zichzelf duidelijk inhouden om haar man de nek niet om te draaien, maar hield zich in om haar dochter, waarvan ze dacht dat ze rustig lag te slapen.

Niets was minder waar. Het meisje was wakker geworden van de thuiskomt van haar vader, die ze al dagen niet had gezien. Haar vader bleef wel vaker lang weg, maar nooit zo lang als deze keer. Ze was van plan geweest om de woonkamer binnen te stormen om hem te omhelzen, maar had toen woedende stemmen gehoord. Nu stond ze op de onderste trede van de trap en luisterde met ingehouden adem naar de ruzie tussen haar ouders.

"Je eigen dochter vermoorden? Kom nou, Estelle. Je weet dat de Heer van het Duister het beste opheeft met onze kleine meid. En hij hoeft haar pas te hebben als ze afgestudeerd is, eerder niet. Ze kan tegen die tijd best op zichzelf passen, lieverd," zei de man. Hij klonk al wat zelfverzekerder en was er zichtbaar zeker van dat zijn vrouw wel zou bijtrekken.

"Ik wil niet dat mijn dochter óók een dooddoener word. Ik hoop dat je dat begrijpt. Ik zal met haar vluchten als het nodig is, maar haar uitleveren aan hém is wel het laatste wat ik zou overwegen," zei de vrouw op een toon alsof de zaak nu gesloten was. "Als je het niet erg vind, ga ik nu slapen."

De vrouw liep naar de deur die van woonkamer scheidde van de hal, en het meisje wat op de onderste traptrede had staan luisteren vluchtte naar boven, voordat haar moeder haar kon betrappen.

Enkele dagen na dit gesprek was Rose's moeder dood aangetroffen in haar studeerkamer. Verraden door haar eigen man. Rose was naar Zweinstein gegaan, met de gedachte dat ze zich aan zou moeten sluiten bij de Heer van het Duister zodra ze was afgestudeerd. Eerst had ze gehoopt dat haar vader wel zou bijtrekken, dat hij zou zeggen dat het niet meer hoefde, dat ze een baan bij het Ministerie kon nemen en dat hij een huis voor haar zou kopen. Maar deze uitspraken bleven uit en Rose had een besluit genomen. Ze was gevlucht zodra de Zweinsteinexpress was aangekomen bij perron 9 ¾. Nu was ze al twee jaar constant op de vlucht. Ze was al in verschillende landen geweest, had zelfs overwogen om naar Amerika te emigreren, maar wilde haar thuisland niet achterlaten. Ze was gehecht aan Engeland, aan het weer, de mensen en de natuur.

Rose opende haar ogen toen ze een geluid hoorde, niet ver van haar vandaan. Het was het geluid van hoeven, van een hert of misschien een paard. Rose keek zoekend om zich heen, of ze misschien ergens een teken van lezen zag. Een tijd lang zag ze niets, tot ze iets wits in het oog kreeg, iets wits wat steeds groter werd. Het dier kwam naar haar toe galopperen, met opgeheven hoofd en de oren in de nek. Rose trok haar toverstok en sprong op, klaar om in de aanval over te gaan.

Het dier kwam nog steeds met grote galopsprongen dichterbij en Rose zag dat het een paard was. Een schitterend sneeuwwitte hengst die zo te zien zwaar nijdig was. De aanblik van Rose's toverstok leek het dier niets te doen. Het kwam een paar meter voor Rose slippend tot stilstand en gooide zijn voorbenen in de lucht. Toen bleef hij staan, zwaar adem halend. Het paard hield zijn hoofd schuin en keek Rose met één donker oog aan.

Het leek een eeuwigheid te duren, maar toen liet het dier zijn hoofd zakkend en snuffelde aan het gras voor zijn voeten. Zijn oren gingen naar voren en hij begon rustig te grazen. Verbaasd liet Rose haar toverstok zakken en keek het paard schattend aan. Er was niets bijzonders aan het paard, het was geen eenhoorn, voor zover Rose kon zien. Het scheen een ontsnapt paard te zijn, want hij zag er perfect verzorgd uit. Niets wees erop dat het hier al maanden of misschien zelfs wel jaren rondzwierf. Toen ze zichzelf ervan verzekerd had dat er niets gevaarlijks aan het paard was, stopte Rose haar toverstok in haar zak en deed ze een stap naar het paard toe, die nog steeds rustig graasde en af en toe ontspannen met zijn staart zwiepte. Alleen zijn oren wezen erop dat het paard Rose nog niet was vergeten. Hij draaide er onrustig mee, alsof hij alle geluiden uit de omgeving in zich op wilde nemen.

Rose deed nog een stap naar het paard toe, en toen nog een en nog een. Ze bleef rustig naar het paard toe lopen tot ze hem bijna aan kon raken. Ze bleef twijfelend staan. Het paard had niet gereageerd op haar bewegingen, maar Rose was bang dat hij er vandoor zou gaan als ze hem aanraakte. Op een of andere manier wilde ze dat het dier bij haar bleef.

Zo bleef ze een tijdje staan, met haar hand in de lucht, klaar om het paard aan te raken. Rose schrok verschrikkelijk toen het paard ophield met grazen en haar aankeek. Ze zag geen angst in de ogen, het was bijna alsof het paard haar gerust wilde stellen, aan wilde moedigen. Zonder verdere twijfel raakte Rose het paard aan.

Hij was verassend warm en zijn huid voelde aan als babyhaartjes. Rose aaide het paard over zijn rug, over zijn nek en krabbelde hem uiteindelijk achter zijn oren. Het paard hinnikte zachtjes en duwde met zijn zachte neus tegen haar's schouders. Rose zocht op de rug van het paard naar iets van een brandmerk, maar kon niets vinden. Wel vond ze net achter zijn rechteroor een tatoeage, of iets wat erop leek. Er stond in sierlijke en piepkleine letters 'Jake' gegraveerd.

"Rare naam voor een paard," mompelde Rose. "Wat zo heet je toch hè. Je heet toch Jake?" Het paard hinnikte schel en stampte met zijn voorbenen op de grond, wat Rose als een 'ja' beschouwde. Ze aaide Jake even afwezig over zijn neus en nam toen een besluit. Het paard zag er verzorgd uit, dus hij moest hier ergens dichtbij op stal staan. Ze had dringend iets te eten nodig, en het paard had straks waarschijnlijk ook wel trek in zijn avondeten.

"Breng me naar je huis," mompelde Rose tegen het paard. Op een of andere manier twijfelde ze er niet aan of het paard kon haar begrijpen. Ze leek nu echter teleurgesteld te worden. Het paard bewoog zich niet, maar bleef haar aankijken met zijn donkere ogen.

Rose zuchtte diep. Hoe had ze ook zo dom kunnen zijn om te denken dat een paard haar wel naar zijn thuis kon brengen? Ze begon van het paard weg te lopen, en het paard verbaasde haar voor de zoveelste keer door haar op de voet te volgen.

"Weet je niet meer waar je woont?" vroeg Rose geïrriteerd. Ze begreep niet waarom ze met het paard praatte. En waarom volgde hij haar? De hengst vond kennelijk dat er geen reden was om chagrijnig te zijn en gaf haar een duwtje in haar rug, zodat Rose gedwongen was verder te lopen. Het paard stapte naast haar mee, galoppeerde af en toe een eindje vooruit en gaf dan een speelse bok alsof hij wilde zeggen: 'Schiet een beetje op, ik wil naar huis!'

Na wat uren leek werd het bos iets lichter. De bomen stonden minder dicht op elkaar en Rose hoorde vogels kwetteren. Kennelijk was ze ergens op het platteland beland, want nergens was het geluid van auto's of mensen te horen. De hengst liep nog steeds naast haar, met zijn hoofd dicht bij de grond. Het was bijna alsof hij sloop en Rose kon zich niet herinneren dat ze ooit een paard had gezien wat zo lichtvoetig kon lopen. Alles aan het paard was vreemd, van zijn naam tot de manier waarop het dier liep. Rose had weinig verstand van paarden, maar kon wel zien dat deze hengst niet was zoals de paarden die je bij boerderijen zag.

Ze kwamen aan bij een breed pad. Er waren verschillende bandensporen te zien en dat gaf Rose weer een beetje hoop. Ze liep het pad op en volgde het. Uiteindelijk kwam ze bij het einde van het bos en zag ze alleen nog maar weilanden. Ergens in de verte was een klein dorpje te zien.

"Nou Jake, het is je gelukt. We zijn weer terug in de bewoonde wereld," zei Rose en ze draaide zich om, in de veronderstelling dat het paard nog steeds achter haar aan sjokte. Maar ze werd teleurgesteld. De sneeuwwitte hengst was nergens meer te vinden, hoe ze hem ook zocht en roep. Rose voelde zich een beetje triest toen ze het pad verder volgde naar het dorpje. Kennelijk wilde het paard zijn veilige plekje in het bos niet opgeven en was hij hem daarom gesmeerd. Het was echter wel raar dat Rose geen hoefgeklepper had gehoord, want hoewel het paard erg zacht kon lopen, was het zeker niet geluidloos.