Hoofdstuk 1

Marcel zei inwendig een paar woorden die hem beslist een draai om zijn oren hadden opgeleverd als zijn grootmoeder ze had gehoord. Hoe was hij in Merlijns naam in deze situatie beland? Als een dier in het nauw gedreven, op de vlucht voor een groep zesdejaars meisjes die blijkbaar vonden dat 'De Slangenslachter' een makkelijkere prooi was dan 'De Jongen Die Opnieuw Bleef Leven'. Waarschijnlijk omdat Harry constant afgeschermd werd door Ron en Hermelien.

Hij moest tegenwoordig zo vaak een omweg nemen naar zijn lessen of de toren van Griffoendor dat Simon en Daan hem regelmatig plaagden dat hij afgevallen was.

Hij fronste toen hij dacht aan de belachelijke bijnaam die Simon hem gegeven had. Onder elkaar in de slaapzaal was dat nog wel grappig geweest, maar sinds Belinda die naam had opgevangen uit Rons mond, werd hij door half Zweinstein zo genoemd. Een geluk dat Rita Pulpers enkel op de biografie die ze over Harry schreef, gefocust was. Hij snoof minachtend.

Onverwachts schoot er iets kleins tussen zijn benen door dat zigzaggend in een nis verdween. Het werd gevolgd door een flits van stofkleurig haar.

Er klonk een wanhopig gepiep toen de magere kat met zijn voorpoot iets vanachter een harnas probeerde te vissen.

'Mevrouw Norks! Maak dat je wegkomt!'

Maar de kat sloeg geen acht op Marcel en zwiepte opgewonden met haar staart heen en weer tegen het harnas. Met een paar stappen stond Marcel voor de nis en joeg de verontwaardigde kat weg. Nijdig blazend bleef ze een paar meter verderop zitten. Marcel knielde en hield behoedzaam zijn hand voor de opening. Met een zachte geruststellende stem probeerde hij tevergeefs het diertje te lokken.

Een blik over zijn schouder leerde hem dat Mevrouw Norks niet van plan was de jacht op te geven. Met haar uitpuilende, koplampachtige ogen keek ze hem nijdig aan. Hij greep zijn toverstok uit zijn broekzak en riep op goed geluk: 'Accio muis!'

Te laat bedacht hij dat het geen bijster slimme zet was. Met ingehouden adem wachtte hij een muizeninvasie af, maar tot zijn opluchting kwam alleen het diertje achter het harnas naar hem toe vliegen. Mevrouw Norks hield het kasteel blijkbaar goed muisvrij. Zijn toverstok kletterde op de vloer toen hij de muis voorzichtig met beide handen opving. Behoedzaam hield hij het vast toen het beestje opgewonden probeerde weg te komen.

'Ach kleintje, rustig maar,' suste hij. Zachtjes wilde hij over het ruggetje aaien toen zijn oog op zijn bebloede wijsvinger viel. 'Hé, had ze je toch te pakken?'

Marcel draaide zich om en siste 'kst' naar de kat die eindelijk de aftocht blies, voor hij zijn aandacht weer richtte op de muis in het holletje van zijn hand.

'Wat moet ik nu met jou? Ik geloof niet dat het nodig is om je naar madam Plijster of Hagrid te brengen. Ik heb vorig jaar genoeg helende spreuken geleerd.'

Hij raapte zijn toverstok op en legde daarna zijn vrije hand beschermend over de andere zodat alleen het snuitje met de trillende snorharen zichtbaar was.

'Ik zal je maar meenemen naar de toren,' besloot hij. Tot zijn verbazing reageerde de muis met opgewonden gepiep op zijn woorden. Hij kon nog net voorkomen dat het diertje van tussen zijn vingers ontsnapte.


De leerlingenkamer was helemaal verlaten. Marcel realiseerde zich dat iedereen waarschijnlijk al voor het avondeten naar de Grote Zaal was. Snel liep hij de trap op naar de slaapzaal waar hij de muis voorzichtig op zijn bed zette. Onrustig begon het diertje rond te lopen, maar de afstand tot de grond was blijkbaar te groot want het liep over de rand van het bed heen en weer zonder een poging te doen eraf te springen.

Met één oog op de muis opende Marcel zijn hutkoffer. Hij rommelde er even in tot hij er een metalen kistje uithaalde. Een oude handdoek werd getransfigureerd tot een laagje zacht en versgeurend hooi, een andere nam hij mee naar de badkamer waar hij snel een punt nat maakte. Toen hij terugkwam zat de muis midden op het bed en liet zich na een paar pogingen vangen.

'Rustig maar,' suste hij, 'ik wil enkel even kijken waar je gewond bent.' Met de natte stof veegde hij voorzichtig het bloed van de vacht.

Het diertje trilde in zijn hand, maar scheen tenslotte in de gaten te hebben dat Marcel geen slechte bedoelingen had. Toen hij de wondjes had schoongemaakt en genezen, bleef hij met zijn vinger het ruggetje strelen in een langzaam hypnotiserend ritme. Hij keek peinzend.

'Je ziet er niet uit als een wilde muis,' zei hij. 'Ik vraag me af of je van één van de leerlingen bent. Misschien is er nu wel ergens een eerstejaars Ravenklauw of Huffelpuf in tranen.'

De muis tilde opeens zijn kopje op alsof het reageerde op Marcels woorden. Hij glimlachte.

'Ik kan me niet herinneren dat er iemand in Griffoendor is met een muis en een Zwadderaar is ook onwaarschijnlijk. Je zou eerder als maaltijd beschouwd worden voor één van de slangen die daar ongetwijfeld als huisdier gehouden worden.'

De muis piepte en Marcel zei geruststellend: 'Wees maar niet bang, ik zal zo snel mogelijk uitzoeken waar je vandaan komt. Tot die tijd kun je maar het beste hier bij mij blijven. Als je door die tochtige gangen gaat zwerven, kom je nooit veilig terug. Mevrouw Norks is niet de enige kat in het kasteel. Je zou waarschijnlijk niet eens voorbij de leerlingenkamer komen voordat Knikkebeen je in de gaten zou hebben.'

Hij fronste toen hij zich herinnerde hoe Rons rat in hun derde jaar steeds door de roodharige Kwistel van Hermelien belaagd werd.

'Ik hoop niet dat je probeert te ontsnappen,' zei hij bezorgd, 'anders kan ik je beter zolang in een kooitje doen.'

Hij trok het kistje naar zich toe met de bedoeling het diertje in het hooi te zetten, maar bedacht zich.

'Hoe moet ik je noemen?' vroeg hij. 'Ik wil je niet de hele tijd 'Muis' noemen, maar je hebt misschien al een naam. Het zou al schelen als ik wist of je een mannetje of een vrouwtje was.'

Zonder omhaal keerde hij de muis om in zijn andere hand en staarde tussen de achterpootjes. De muis piepte fel en het klonk merkwaardig verontwaardigd. Marcel grinnikte verontschuldigend.

'Sorry,' zei hij, 'ik had wel even toestemming kunnen vragen, hé?'

Hij streek voorzichtig over de zachte vacht en het diertje rilde.

'Nou, volgens mij ben je een vrouwtje al weet ik niet genoeg van knaagdieren om voor honderd procent zeker te zijn.'

Marcels maag rommelde, maar hij besloot om nog even te wachten met eten. Misschien kon hij straks wat in de keuken gaan halen als de anderen terug waren.

'Ik ga me even opfrissen,' zei hij en zette het diertje weer op zijn bed. 'Niet weglopen hoor!' Hij pakte zijn toiletspullen en handdoek en verdween na een laatste blik over zijn schouder in de badkamer.


Met een onwerkelijk gevoel staarde Patty Park de Griffoendor na. Hoewel ze wanhopig graag wilde geloven dat ze droomde – elke nachtmerrie was te verkiezen boven gevangen zijn in de toren van Griffoendor in haar opinie – vreesde ze dat ze klaarwakker was. Het afgelopen half uur was echter een aaneenschakeling geweest van schokkende gebeurtenissen. Te beginnen bij die onverwachte aanval, de ervaring van de gedaanteverwisseling – zou het zo voelen als je een Faunaat werd, vroeg ze zich af – en voordat ze daar van bekomen was, werd ze opnieuw aangevallen. Dit keer door die luizenbaal van Vilder, die ze normaal gesproken al weerzinwekkend vond – de kat dus, hoewel Vilder ook zeer afstotelijk was – maar in haar huidige vorm ook nog enorm angstaanjagend.

Toen werd ze gered en van alle personen in het hele verdraaide kasteel, moest ze gered worden door niet alleen een Griffoendor, maar door Marcel Lubbermans nota bene!

Als er iemand ongeschikt was voor de rol van 'ridder op het witte paard' was het Lubbermans wel. Dan had het nog beter Potter kunnen zijn, de ultieme Griffoendor.

Schoorvoetend moest ze echter toegeven dat Potter waarschijnlijk meer kwaad dan goed had gedaan als hij een poging had gedaan om haar wonden te genezen.

Nu zat ze dus hier in de toren van Griffoendor, in de jongensslaapzaal. Op het bed van Lubbermans! O ja en niet te vergeten; ze was een MUIS in Zalazars naam!

Ze probeerde een plan te bedenken om een uitweg te zoeken voor Lubbermans terugkeerde, maar haar emoties tuimelden door elkaar. Het gevoel om zo snel mogelijk uit deze misselijkmakende zee van rood en goud te ontsnappen was zeer groot, maar boven alles overheerste het gevoel voor overleven waar elke Zwadderaar mee geboren werd. Met de ontmoeting met mevrouw Norks nog vers in haar geheugen stond ze niet te popelen op een herhaling met dat monster van Griffel.

Maar belangrijker nog dan de kwestie van hoe te overleven in het grote kasteel voor ze de weg terugvond naar Zwadderich, was de vraag wat ze moest doen als dat haar überhaupt lukte. Hoewel er lang niet zoveel slangen waren als die sukkel scheen te denken, was het niet echt veilig voor een muis om door de kerkers te zwerven. Voor ze iemand duidelijk had kunnen maken wie ze was, zou ze in een of ander experiment worden gebruikt of ging Kwast per ongeluk op haar staan.

Wat dat betreft was het hier veiliger. Maar geen haar op haar gewoonlijk duur gestileerde haren die er aan dacht om als Patty Park ontmaskerd te worden tussen de Griffoendors. Ze zou de vernedering nooit te boven komen. Er speelde niet alleen het gevaar voor haar zelfrespect – dat boven alles uitsteeg –; als ze hier ontdekt werd, zou ze vast door de Schouwers worden ingerekend voor ze puurbloed kon zeggen.

Een Zwadderaar tussen de Griffoendors. Incognito! Op de slaapzaal van meneer De Uitverkorene zelf. Als dat niet verdacht leek. Zeker nu haar woorden tijdens het eindgevecht nog door de Grote Zaal echoden.

Hoe ze een oplossing voor haar dilemma moest vinden, wist ze nog niet – misschien veranderde ze na vierentwintig uur vanzelf terug, dacht ze half optimistisch, half ontzet – maar op dit moment was die zachtaardige sukkel haar beste kans om te overleven.

Ze trippelde naar het hoofdkussen en ging uitgeput liggen. In geen geval ging ze op een hoop stro liggen! Lubbermans maakte maar plaats voor haar. Als die klungel echter nog één keer tussen haar achterpoten zat dan beet ze hem, was haar laatste gedachte voor ze in slaap viel.


Ze werd wakker met het gevoel dat er iets niet klopte. Ze lag op haar buik op een heel zacht matras dat duidelijk niet van haar was en haar rug voelde ijskoud. Ze rilde en registreerde dat ze zonder dekens geslapen had. Waar was ze in Zalazars naam? Haar brein weigerde mee te werken, maar het herinnerde zich nog verdraaid goed dat ze niet de gewoonte had in vreemde bedden wakker te worden, wat de roddeltantes van Zweinstein ook mochten zeggen! Heel voorzichtig probeerde ze tussen haar oogleden te gluren, maar dat gaf geen aanwijzing over haar locatie. Enkel dat het halfschemerig was. En dat ze op bordeauxrode lakens lag. Bordeaux? Haar ogen vlogen wagenwijd open en toen ze het enorme gezicht van Marcel Lubbermans zag, begon ze spontaan te gillen.