Ik had het koud, een koude had niets te maken had met de temperatuur. Het was een kilte die tot in mijn beenderen doordrong. Mijn broer was dood en het was mijn schuld. Ik had mijn broer vermoord.
Ik hoorde voetstappen, een zucht. "We zochten je," zei Percy en hij kwam naast me zitten. Ik knikte. Hij zag de tranen op mijn wangen glinsteren. "Alles oke?" vroeg hij. Ik schudde mijn hoofd. Ik voelde de plotselinge drang om alles te vertellen. "Mijn broer," stamelde ik, hortend en snikkend, "het is allemaal mijn fout." "Dat betwijfel ik," zei Percy en hij glimlachte. "We werden achtervolgd door een monster," snikte ik, "en hij heeft het monster afgeleid zodat ik veilig zou zijn. Hij is vermoord door het monster. Toen kwam het monster achter mij aan en plotseling verdween het in een lichtflits." Het klonk heel onwaarschijnlijk. "Wat denk je dat er gebeurde?" vroeg hij, "Je weet wel, met die lichtflits en zo." Ik wist het niet. "Ofwel heb ik een of andere vreemde krachten of zo," zei ik. "ofwel zijn de Goden je goedgezind," vervolledigde hij mijn zin.
"Percy! Waarom zei je niet dat je haar gevonden had!" zei Grover toen we de eetzaal binnenliepen. Annabeth keek me aan alsof ze me ging vermoorden, ik snapte echt niet wat ik fout had gedaan. Jongens draaiden zich om als ik voorbij liep. Meneer D. verkondigde dat er een nieuwe was, ik dus. "Ik ben niet verbaasd dat hij jouw naam wel kan onthouden," mompelde Percy. "Je moet bij the tafel van Hermes gaan zitten, net als alle nieuwelingen," zei hij luider. Een jongen met een litteken wenkte me. "Dat is Luke, hij is de leider van Hermes' cabine," verklaarde Percy. Ik liep naar de al overvolle tafel en ze schoven spontaan op om plaats te maken. We moesten eten offeren aan de god die je vader of moeder was, maar aangezien niemand daar iets over wist gooide ik mijn eten in het vuur en mompelde iets onverstaanbaar.
"Nysa!" Ik draaide me om en keek in twee grijze ogen. Annabeth. Waarom? "Kom," zei ze en ze liep naar het bos. Verward volgde ik haar. Toen ze stilstond kon ik me niet meer inhouden. "Wat is je probleem?" barstte ik uit in een lange tirade, "Je kent me niet eens en toch kijk je me altijd moordlustig aan! Ik heb je toch niks misdaan?" "Ik weet wel wat je bent," siste ze woedend. "Wat ik ben? Jij bent een vooroordelend secreet!" riep ik. "Ik ben niet dom, ik weet best dat je een Ondine bent!" zei ze. "Dat zou je anders wel zeggen! Je verzint gewoon scheldwoorden!" antwoordde ik. "Een ondine heeft geen ziel, die krijgen ze door met mensen te trouwen! Dus blijf van hem weg!" ze stapte dreigend op me af, alsof ik bang moest zijn van haar. Ik wist meteen wie 'hij' was. "Ben je soms jaloers dat Percy mij leuker vind?" Riep ik. Ze schreeuwde van woede en liep weg.
Ik lag op mijn rug in een slaapzak die ik van Luke had gekregen en keek naar het plafond. Ik voelde me schuldig over mijn ruzie met Annabeth. Ik had al mijn frustraties en zo op haar losgelaten. Ze had gehad met Percy en was daarna weggelopen. Ik wist niet waarom ik het zo erg vond. Ik vond haar niet eens leuk! Maar zelfs zij verdiende dit niet. Morgen zou ik mijn excuses gaan aanbieden, nam ik mezelf voor. Ik zuchtte en probeerde te gaan slapen.
