Hoofdstuk 2 – Heden

De sleutel in het slot, morrelen, misschien moest ik het toch maar eens laten vervangen. Eindelijk open, we strompelden naar binnen.
'sorry voor de troep.' Mompelde hij. Ik keek omlaag, de grond was vochtig. Een mengsel van bloed en regenwater.
'maakt niet uit.' Antwoordde ik. 'het is maar zeil, makkelijk schoon te maken.'
Voor het eerst was ik het verband in de EHBO doos echt dankbaar. Altijd lag het maar in de weg, overwoog ik het weg te gooien, bewaarde het toch.
'dit gaat prikken.' Mompelde ik, terwijl ik vrij ongemakkelijk zijn wonden depte met ontsmettingsmiddel. Hij gaf geen kik.
Zwijgend verbond ik zijn armen, benen, borstkas, hoofd… welk lichaamsdeel was niet beschadigd? Eerlijk gezegd verbaasde ik me erover dat hij nog leefde. Een normaal mens zou aan de hoeveelheid bloed die hij had verloren allang gestorven zijn, maar… hij was geen mens. Toch vroeg ik het.
'lichamelijke verwondingen doen er niet toe.' Mompelde hij. 'zolang we nog genoeg spirit force over hebben, overleven we wel.' Dat was dat.
'wil je me vertellen waarom…'
'hmm…'
Ik zweeg.
'wil je wat eten?' We waren weer schoon, gewassen en verbonden.
'is goed.' Mompelde hij. Ik knikte en zocht wat eetbaars.
'Toushiro-kun was het toch?' hij aarzelde, knikte toen. 'wat…?' Dramde ik teveel door? Ik was echt te nieuwsgierig.
'ik moest het beschermen…' Antwoordde hij. Ik keek verbaasd, waarom plots…!
'het?' Vroeg ik voorzichtig
'de parel.'
'ow… en…'
'ik verloor hem.'
'je verloor hem?.
Hij knikte.
'in een gevecht.'
'verloor je dan en pakten…'
Hij schudde zijn hoofd, ik zweeg.
'ze trokken zich plots terug, verdwenen. Ik ontdekte dat ik hem kwijt was, ik was bestolen.'
'auw…'
'zolang ik hem niet heb kan ik niet terug keren, het kan niet!'
'hoe bedoel je?'
'ik ben hem kwijtgeraakt, dus ik moet hem terughalen. Ik kan niet terugkeren met lege handen.'
Het ging om de eer, niet om de mogelijkheid.
'kunnen de anderen je dan niet helpen?'
'ik ben hem kwijtgeraakt, dus ik moet hem terughalen!' Ik schrok, zijn ogen straalden een intense woede uit. Het was niet tegen mij gericht, hij was kwaad op zichzelf.
'weten ze dat je hem kwijt bent?'
'nee'
'ow…waarom heb je het niet verteld?' Zijn blik zei genoeg, ik zweeg.
'ik ben verdwenen om te zoeken. Ik heb geen contact meer met ze en Soul Society kennende, ben ik ondertussen als een verrader bestempeld.'
'Soul Society?'
'mijn wereld, de wereld van de shinigami.'
'shinigami?'
'we sturen de zielen naar het hiernamaals, naar Soul Society.'
'en dat monster?'
'monster? ...je bedoelt de hollow?'
'ik denk het…'
'die ook.'
'maar…'
Ik zweeg.
'jouw ouders zijn vermoord door een hollow?'
'ja.'
'vreselijk.'
'toen ik zes was, voor mijn ogen…'
We zwegen allebei
'Je kunt beter rusten.' Mompelde ik en kwam overeind. 'ik ben in m'n kamer als…' hij knikte.
Ik plofte op bed, sloot mijn ogen. Hoorde hem hetzelfde doen.
Het regende nog steeds.