Hoofdstuk 2
Na enkele zoef- en zaf-geluiden die gecombineerd werden met een vaag en snel verdwijnende omgeving, landde mijn voeten rustig in een haard. In de verte hoorde ik het geluid van de straat. En, gek genoeg, ook geluid van vogels. Ik keek onder de haard door. Voor mij zag ik een bos. Uit het niets ontwaarde ik een figuur die mijn kant op liep. De stof die mijn landing teweegbracht verpestte het zicht. Ik stapte uit de haard en klopte mijn stof af. De vrouwelijke stem kwam mij tegemoet.
"Hallo!" sprak ze. "Ik ben Juella. En jij bent..?" Ik knipperde even met mijn ogen door de zon. Diezelfde zon scheen op het bruine, glimmende voorhoofd van Juella. "Cato," zei ik. Ik keek om mij heen. Juella droeg een gele polo met de hoofdletter 'S' er op. "Zit ik goed hier? Spinozus?" vroeg ik. Juella's mondhoeken krulden voorzichtig omhoog. "Nog niet. Volg me maar als je wilt," sprak ze, terwijl ze zich gereed maakte om om te draaien. Een sierlijke handbeweging volgde. "Deze kant op, alsjeblieft." Ik verwisselde de koffer van mijn linker- naar mijn rechterhand en volgde Juella door het gras. Op haar beurt verlangzaamde zij haar pas zodat ze naast mij kwam lopen. "Is dit je eerste keer dat je naar Spinozus komt?" zei ze. "Ja," antwoordde ik. "Cool! Nieuwe mensen zijn altijd leuk," glimlachte Juella. "Ik ben Ouderling. Ik begeleid nieuwkomers en houd toezicht op mijn groepje.." ze pauzeerde even. "De meisjes," zei ze. "Wie anders?" antwoordde ik. "Nou ja, in een ver verleden hebben we ook wel eens gehad dat een jongen de meisjes begeleidde. Dat ging niet zo goed." Ik grinnikte. "Ik begrijp het." Opeens liepen we op een pad met aan weerszijden twee hoge heggen. Midden in het bos. Ik keek onwennig om mij heen. "We zijn er bijna," zei Juella, terwijl er aan het einde van het korte, nauwe paadje een wazige sluier hing.
We liepen er naar toe, maar ik kan verlangzaamde mijn pas. 'Is dit wel goed?' dacht ik. Het leek alsof Juella mijn gedachten kon lezen, want ze draaide zich naar mij om en glimlachte. "Dat hoort zo," zei ze. Ze zette een paar passen en stond toen recht voor de waas, die zich strekte tot het einde van de hoge heg – een meter of vier, misschien vijf. Ze raakte het waas aan en sprak: "Omnia mea mecum porto. All that is mine I carry with me" Het waas loste op in de lucht en een kleine binnenplaats ontvouwde zich voor mij. "Welkom bij het Spinozus," zei ze, terwijl ik haar het hofje in volgde. Even raakte ik op een positieve manier van slag door het gebouw waar het Spinozus in zat – het was een soort kasteeltje, maar dan heel erg mooi. Kleiner dan Beauxbatons, natuurlijk, dat had ik dan ook verwacht. Drie torens strekten zich uit en probeerden de lucht aan te raken – ze leken minstens vijftien meter hoog. Om de torens heen bevonden zich enkele lagere gebouwen. Weer daar om heen maakten grote bomen met hun reusachtige bladerdek schaduwen op het gras. In de verte bespeurde ik een meertje, met een steiger. Ik hoorde eendjes kwaken.
"Bevalt het wat je ziet?" zei Juella. Ze zag mij de omgeving en Spinozus zelf bewonderen. "Ik had het zelf ook de eerste keer, zo'n momentje waarin ik enkel om mij heen keek," zei ze. Haar hand wees naar een grote ingang in het midden van het gebouw. "Dadelijk kun je de omgeving zelf verkennen," vervolgde Juella, glunderend, "Maar eerst introduceer ik je aan het schoolhoofd, mevrouw Badderich." Ik glimlachte haar toe, maar in mijn hoofd ontvouwde zich een wirwar van gedachten. 'Waarom glundert ze? Wat is er zo speciaal mevrouw Badderich?' dacht ik, terwijl Juella mij door de deur leidde. De ontvangsthal was groot, maar heel erg kitscherig. Het bestond uit bakstenen en vloertegeltjes die geglazuurd waren en van kleur veranderden toen we binnenstapten. Ik keek naar de grond. De tegeltjes kleurden donkerbruin, naar de kleur van mijn schoenen. Ik keek op en zag dat Juella al op de trap stond. "Kom op," zei ze. "Badderich verwacht je elk moment." Ik klom de trap op, maar werd na de eerste trede bijna teruggeworpen omdat er aan mijn rechterhand werd getrokken. Ik kon nog net mijn hoofd snel genoeg draaien om te zien dat er een er een bakstenen hand uit de muur kwam die mijn koffer pakte en hem de muur in meenam. "Hee!" schreeuwde ik beduusd. Juella slaakte een glimlach, maar hield daarna meteen haar hand voor haar mond. "Oei. Ja, dat had ik je moeten vertellen: de muur pakt je koffer en levert hem af op je kamer," zei ze schuldbewust. Ik hervatte het oplopen van de trap. "Goed om te weten," zei ik, terughoudend.
Enkele trappen volgden – ik weet niet hoeveel, misschien wel een stuk of vier – voordat we bij een dichte, donkere eikenhouten deur kwamen. Midden op de deur bevond zich de houtsnede van een mannelijk gezicht. Krullende lokken sierden zijn zijkant. "Waarom ende hoe wilt gij binnentreden?" vroeg de houtsnede met een lage stem. "Ouderling Paalvast met Cato van Puth voor den weledele dame Babberich," zei Juella. De deur klikte en schoof langzaam open. "Treed binnen, dame Van Puth," sprak de lage stem. Ik keek naar Juella. Haar ogen toonde weer haar inmiddels kenmerkende glundering. "Jij moet alleen naar binnen," sprak ze.
Ik keek even naar haar en toen naar het silhouet aan de deur, waar beiden mij vriendelijk aankeken. Ik zette een paar passen naar voren, zodat ik de kamer instapte. De deur sloot onmiddellijk. Ik stond in een grote, ronde kamer met recht voor mij een raam dat haast leek te bewegen. Door mijn gestaar naar het raam merkte ik het bureau vlak voor het raam niet op, en de rug van de stoel evenmin. Totdat de stoel omdraaide. Ik schrok van binnen een beetje. Onder de toverhoed zag ik blonde lokken en een gezicht die allesbehalve leek op een babyface: mevrouw Badderich.
"Hallo," sprak ze langzaam, terwijl ze met haar toverstok in een stapel papieren bladerde. Ze haalde er één dun velletje uit. Streng legde Badderich haar blik op het papier. ".. Cato van Puth," zei ze dit keer, iets helderder. "Ga zitten," vervolgde ze en ze liet in een polszwaai een comfortabele stoel verschijnen. Ik ging settelde mij op de leren stoel. Mijn hand legde ik op de armleuning, mijn vingers tintelend. Ik was zenuwachtig.
"Je hoeft niet zenuwachtig te zijn," vervolgde Badderich. Ze keek mij recht in de ogen aan. "Eh.. wat?" zei ik verlegen. "Ik snap je," sprak Badderich mij toe. Uit haar woorden sprak voor het eerst iets van hartelijkheid. "Voor sommigen is Spinozus een hele stap," vervolgde ze. Ze keek nog eens op het papier dat ze uit de stapel had gehaald. "Beauxbatons, zie ik? Dat is de school waar je op zit?" vroeg Badderich. "Ja, klopt. Ik word zesdejaars," reageerde ik. "Oké, mooi. We hebben er een paar van jouw leeftijd rondlopen. Van Beauxbatons en van andere tovenaarsscholen. Hogwarts, Durmstrang, een paar van privéscholen en zelfs eentje van Ilvermorny," somde ze op. "Ilvermorny?" vroeg ik. "Ja, de Amerikaanse tovenaarsschool. Goed onderwijs, maar ze spreken er enkel geen Nederlands. Hier wel. Ken je al wat spreuken in het Nederlands?" antwoordde Badderich. "Het gebruikelijke," zei ik. "Huishoudenspreuken en zo."
"Ah, thuis geleerd neem ik aan?" reageerde Badderich zakelijk. "Ja, klopt." antwoordde ik. Badderich keek mij met een zachte blik aan. "Ik moet zeggen, er zijn ook niet zoveel spreuken in het Nederlands. Als ze al in Nederland zijn uitgevonden, zijn ze in het Latijn." Badderich glimlachte. "Er zijn wel een aantal die handig zijn om te leren," vervolgde ze. Ze bewoog met haar toverstok. "Vexilum Batavia," sprak ze strak. Een Nederlandse vlag kwam uit het niets in de lucht tevoorschijn.
Ze wendde zich tot mij. "Maargoed, Spinozus is handig en vooral leuk," sprak ze vlotjes. Badderich opende een lade uit haar bureau en toverde met haar toverstok een ander papiertje uit, dit keer wat dikker. "Dit zijn je activitein," zei ze. "Ik wil graag benadrukken dat ze verplicht zijn," ging Badderich verder. "Maar daar om heen kun je op het terrein doen wat je wilt." Ik stond op. Het is afgelopen, nam ik aan. Het was niet dat ik uit de kamer weg wilde, maar het gevoel van 'wat doe ik hier in godsnaam?' speelde nog steeds in mijn buik.
Badderich keek plots op. "Oh!" sprak ze luid. "Je kamer, natuurlijk, dat was ik even vergeten." Ze zwaaide met haar toverstok en liet uit het niet sleutels op het bureau verschijnen. Ze lagen voor mijn neus. Ik pakte ze vast. "Kamer 4-02. Je deelt het met twee andere dames.. volgens mij van je leeftijd.. ja, ik dacht het wel. Succes daar alvast.. ik zie je bij de lunch."
Plotseling hoorde ik de klok tikken. Ik wendde mijn hoofd in de richting van het getik en zag de klok hangen. Half 12, gaf hij aan. "Je kunt gaan, Cato" zei mevrouw Badderich. Ze keek mij hoopvol aan. "Is er iets?" vroeg ze. "Nee hoor, mevrouw, niks," reageerde ik haastig. Op dat moment schoot echter van alles door mij heen. Vooral die ene vraag: 'Wanneer kan ik hier weg?'
