-1Nieuw stuk! Veel plezier.

Disclaimer: Niet van mij, maar van J.K. Gewoon gelukkig dat ik even mag lenen P

Hoofdstuk 2

Bijna Volle Maan.

"Ha, dat was lekker, Maanling! Waar heb je zo leren koken, man!", roep ik uit, nadat ik nog wat restjes uit het bord lik.

Remus bloost. Hij grinnikt zacht.

"Ik denk dat het... Laat ik het zo zeggen... Dat het een niet voor iedereen weggelegd talent is."

Een beetje kinderachtig, maar wel grappig, steekt hij zijn tong uit naar mij.

"Maar ik weet wel iets dat wél voor iedereen weggelegd is en vooral voor mensen die Sirius heten... De afwas!", zegt hij grijnzend.

Ik blijf met mijn tong aan het bord vast hangen. Met grote ogen staar ik hem geschrokken aan.

"Niejt dej afwasch...", zeg ik, terwijl het mijn tong nog steeds aan het bord hangt. "Tjlouwensss, mijn tjong gangt vasht aajn ditj bold..."

Ik kijk Remus over het bord aan. Hopend dat mijn stuk zou lukken, laat ik het bord vast, dat raar genoeg níét valt. Remus kijkt me bewonderend aan.

"Hoe deed je dat?"

Zijn mond valt open. Ik probeer het bord van mijn tong te trekken

"Ikj shijt vasjt! Hejp!", lispel ik, met het bord nog steeds vast aan mijn tong.

"Ach, daar trap ik niet in, hoor!", zegt Remus en kijkt me onverschillig aan.

"Neej, eht waal!"

Ik kijk hem hopeloos aan. Snapt hij het dan niet? Ik zit vast! Hallo? Remus komt op me afgelopen en neemt het bord vast. In een ruk komt het los.

"Auw...", piep ik pijnlijk.

Remus kijkt me met opgetrokken oog aan. Dan draait hij met zijn ogen. Ik zucht. Ik probeer nog mijn onschuldige oogjes, maar hij heeft zich al omgedraaid.

"Veel plezier!", hoor ik hem nog een beetje plezierig zeggen, voor hij de kamer uitloopt.
Ik zucht opnieuw en begin dan maar de tafel af te ruimen. Als elke gast hier zo wordt behandelt... Niet moeilijk dat hier bijna nooit iemand komt. Ik ben een beetje kwaad.

Rumoerig begin ik dan maar aan de afwas. Terwijl ik zit te mokken over dat ik mijnheer zijn vuile werk moet opknappen, hoor ik een geluidje achter me. Ik draai mijn hoofd.

Niets. Ik haal mijn schouders op en doe verder. Wat later hoor ik opieuw een geluidje. Weer draai ik mijn hoofd en alweer is er niets te zien. Uiteindelijk ben ik bijna klaar met de afwas. Met een zucht ben ik het laatste bord aan het afdrogen. Ik heb het gevoel dat iemand me aan het bekijken is. Ik draai me om en zie niets. Ik trek een gezicht van-slaat-mijn-verbeelding-lekker-weer-op-hol-vandaag en droog het bord verder af. Ik hoor opnieuw dat geluid voor de derde keer vandaag. Nu ben ik het beu en draai me om. Er staat en soort van héél erg lelijk gedrocht voor mijn neus en het roept beangstigend:

"GRAAAAAAAH!"

Ik schrik me bijna dood en gil de hele buurt bij elkaar.

"AAAAAAAAAAAAAAAAH!", gil ik en ren hysterisch de keuken uit.

Gelukkig heb ik dat bord niet meer vast! Ik ren de trap op en buiten adem ga ik de eerste deur binnen die ik tegenkom. Als ik de deur gesloten heb en op slot gedaan, kijk ik in de kamer rond.

"Wauw...", mompel ik.

Een fantastische kamer, krijg ik te zien. De muren hangen vol met plaatjes, ze lijken wel foto's, van bossen. Af en toe zie ik een bewegende foto van mezelf en enkele van vier jonge tieners: James, Peter, Remus en ik. En daar... Ik kijk met grote ogen naar de vergrote foto die boven het bureau hangt. En foto van... Remus en ik! Dat is de mooiste foto die ik ooit heb gezien! Ik herinner me nog, alsof het gisteren was, wanneer de foto getrokken was. James had hem getrokken. Peter had Remus en ik aan het lachen gemaakt, door heel dom rond te lopen. Ik herinner me nog dat ik in Remus' oor fluisterde: 'Hij loopt net rond zoals een kip zonder kop!' Remus had gegniffeld en terug gefluisterd: 'Is hij ook!'

Daarna hadden we zo'n lol dat de foto niet meer stuk kon. Op de achtergrond was er een prachtig bos te zien. Het mooiste plekje op aard! De foto was natuurlijk getrokken toen we nog op Zweinstein zaten, hij was getrokken in de herfstvakantie. We waren met zijn allen naar het Grote Meer gewandeld en toen kwam James op het idee om een foto van Remus en mij te nemen. Ik had gezegd dat ik een goed plekje wist. Ik had hun meegesleurd tot we aan dat ene plekje kwamen, waar het Meer bijna het Verboden Bos raakte. Remus had verwondert rond zich gekeken en gefluisterd hoe mooi dit wel niet was. Ook James en Peter waren onder de indruk. Dit moest de slaapkamer zijn van...

Remus! Ik denk terug aan dat moment dat Remus zijn sleutels bekeek. Het woord 'dagboek' komt in me op en galmt door mijn hoofd. Nee! Dat was fout! Ik mag niet in zijn dagboek kijken! En ik heb toch de sleutels niet. Jammer...

Ik wordt uit mijn gedachten gehaald door geklop op de deur.

"W-wie is daar?", vraag ik bang.

"Roodkapje... Remus, sukkel!"

Ik hoor vaag gegrinnik vanachter de deur. Ik loop naar de deur en open hem op een kiertje.

"Boe...", zegt Remus ironisch.
Ik staar naar het masker in zijn hand en sla bijna de deur weer dicht. Remus zet zijn voet ertussen.

"Rustig, het was maar een grapje, hoor!"

Remus legt zijn hand op mijn schouder die zichtbaar is.

"Wist ik veel dat je zo ging reageren, Sier..."

Even kijkt Remus verbaast voor zich uit. Sier... Niet mis. Ik glimlach en hou de deur volledig open. Remus haalt zijn hand van mijn schouder af en loopt de kamer in. Ik blijf staan, zonder verroeren en voel nog steeds Remus' hand op mijn schouder.

"Hé, het lijkt net of je getraumatiseerd bent of zo!", hoor ik Remus ergens vlakbij zeggen.

Dan wordt alles plots zwart voor mijn ogen en voel ik twee sterke armen mij opvangen. Ik wordt op een bed gelegd...

'Remus? Remus, waar ben je? Remus!', roep ik angstig.

Ik ben terecht gekomen in een lange gang. Volledig wit en op het einde zie ik een nog verblindender, witter en mooier licht. Ik kijk om me heen en herken niets.

'Remus! Waar ben je!', roep ik wanhopig.

Mijn woorden echoën door de lange, witte gang. De muren zijn zo kaal. In de gang zijn er wel ontelbaar veel deuren. Ik zet voorzichtig een stap voorruit. Ik ga bij een deur staan en probeer de deurknop. Open. Langzaam open ik de deur. Ik kom in een gezellige kamer terecht. Er staat een lange slanke vrouw bij het raam.
'Hallo, Sirius. Ik wachtte achter je. Fijn dat je hebt besloten te komen.', zegt ze met een zwoele stem.
Ik kijk verward naar de vrouw, die zich nu omdraait. Ze heeft een vriendelijke glimlach op haar gezicht.

'Ik zal het kort houden. Ik ben Ellie en ik begleid je door deze, laat ik het zo noemen, 'droom'. Je hebt waarschijnlijk de verschillende deuren gezien in de gang. Ik kan je niet zeggen wat er achter ze zit. Sommige deuren bevatten de toekomst, weliswaar een toekomst die verandert kan worden. Andere bevatten dan weer een deur naar het verleden. En weer andere naar het heden. Alleen jij zal dat te weten komen door er binnen te gaan... Zullen we gaan? Oh, nog één iets voor we gaan! Ga nóóít de bezigheden gaan verstoren! Dan kan er iets héél ergs gebeuren!'

Ellie kijkt me waarschuwend aan. Ik slik en dan knik ik. Ze houdt de deur voor me open en ik stap terug de hal in. Ik kijk naar de eerstvolgende deur en kijk dan vragend naar Ellie.

'De keuze ligt in jou handen, Sirius.', zegt ze en er fonkelde aangename pretlichtjes in haar ogen.

Ik knik. Aan haar ben ik ook niet veel... Dan beslis ik om de kans toch te wagen. Ik duw de klink omlaag en ga binnen. Plots sta ik in de Griffoendortoren. Het haardvuur wakkert en enkel James en Remus zijn in de kamer. En het gaat er niet goed aan toe. James beukt met zijn vuist in Remus' maag.

'Jij! Jij... Eikel!', zegt James terwijl hij nog eens toeslaat.

Wat ik zie, is verschrikkelijk. Hoe kan James! Hoe durft hij! Ik wil helpen, maar dan komen de woorden van Ellie weer boven. Ik slik en neem een stap achteruit. Met tranen in mijn ogen zie ik hoe James Remus verrot slaat. James geeft Remus nog een laatste harde kniestoot. Remus valt op de grond en blijft zo goed als dood liggen. James kijkt verachtelijk naar Remus en spuwt dan op hem. Dan loopt hij trots weg. De tranen rollen over mijn gezicht. Ik slik nog eens en kan het dan niet langer meer aanzien. Ik ren de kamer uit. Ik ren tegen Ellie aan.

'Rustig, Sirius. Ik weet wat er gebeurt is...Rustig.', zegt Ellie troostend.

Ik omhels haar en huil.

'Het was zó erg, Ellie! James s-sloeg R-Remus verrot!', snik ik.

Als ik uiteindelijk uitgehuild heb, ga ik opnieuw recht staan en kijk met rode ogen van het huilen naar de volgende deur.

'Je hoeft niet meer verder als je niet meer wilt, Sirius', zegt Ellie en ze legt een hand op mijn schouder.

'Nee, ik wil verdergaan.', zeg ik koppig en schud mijn hoofd.

Terwijl ik de volgende kamer inloop, voel ik Ellie's hand van mijn schouder afglijden. Ik ben nu in een hal. Een hal van Zweinstein. Ik zie iets bewegen. Plots zie ik... Mezelf tevoorschijn komen vanachter een hoek. Ik ben niet alleen. Remus is bij me.

'Ik vindt het nog steeds geen goed idee, Sirius.', hoor ik Remus tegen de tweede ik zeggen.

'Jij vindt niets een goed idee, Remus! Kom op, ik mag toch ook wel wat lol maken, zeker! Het enige wat ik ga doen is Secreetje een beetje plagen.', zegt de tweede ik op een onschuldige toon.

Dit is het verleden. Ik heb die grap al zoveel keer bij mezelf herhaald. Ik ga terug de deur door naar de gang.

'Weet je zeker dat je niet blijft kijken?', zegt Ellie verbaast.

Ik schudt met mijn hoofd. Ik stap een eindje door de gang. Dan stop ik plots. En ik ga de deur door waar ik gestopt ben. Ik ben beland in het heden. Weer zie ik een tweede mij. Ik lig op Remus' bed en Remus loopt heen en weer.

'Sier... Wat is er in godsnaam aan de hand? Wat moet ik doen? Wat moet ik doen?', mompelt Remus angstig.

'Hij ademt niet meer... Oh, waarom hem, God? Waarom degene waarvan ik zoveel hou? Waarom?', zegt Remus en hij valt op zijn knieën op de grond en begint prompt te huilen.

Ik bekijk het tafereel. Ik zie mezelf liggen, dood. Ik schrik. Wat is er gebeurt? Ik begin achteruit te wandelen en bots tegen de deur aan. Snel open ik die en ga naar Ellie.

'Ik wil hier weg! Nu! Ik lig daar zo goed als dood, Remus zit te huilen... Ik wil hier weg!', gil ik tegen haar.

Ellie knikt enkel rustig en knipt met haar vingers. Dan wordt het weer zwart voor mijn ogen...

Ik open mijn ogen en knipper tegen het kamerlicht. Ik haal diep adem en ga rechtzitten, met mijn handen in mijn haar. Ik zie Remus op de grond liggen, slapend. Ik glimlach. Ik bekijk zijn gezicht en zie dat zijn ogen rood en gezwollen zijn van het huilen. Zachtjes strijk ik het lichtbruine haar dat in zijn gezicht hangt weg.

Voor het eerst zie ik dat hij een staartje heeft. Ik vindt het schattig en het staat hem. Ik ga naast hem op de grond liggen en kijk naar hem. Ik haal mijn hand omhoog en voel zachtjes met mijn vingers aan zijn lippen. Daarna breng ik mijn hoofd dichterbij en zoen hem zachtjes op de mond. Heel even maar. Maar ik weet nu al dat die kus me jaren zal bijblijven.

Ik zucht en sta recht. Ik kan hem niet de hele nacht op de grond laten slapen, dus hef ik hem van de grond. Ik leg hem in zijn bed. Ik kijk nog een laatste keer en verdwijn stilletjes uit de kamer. Ik loop nog een trap op en ga in mij kamer binnen. Ik kleedt me uit en doe enkel mijn pyjamabroek aan. Ik laat de gordijnen open, zodat ik naar de nacht kan kijken. Zachtjes tikt de regen tegen het raam. Ik leg me aan de kant waar het raam zit in het twee-personenbed. Langzaam val ik in een diepe slaap...

"Sirius. Sirius. Sier!", klinkt het in mijn linkeroor.

"Mmm...Mmm... Wa-h-aat?", mompel ik slaperig.

Dan schrik ik recht door een enorm hard geluid.

"Gelukkig, je leeft nog!"

Twee armen omhelzen me. Een flits scheurt de luch open en ik vang een glimp op van Remus, die mij nog steeds omhelst.

"Ja, ik leef nog, ik leef nog...", sus ik hem, terwijl ik hem voel snikken op mijn schouder.

Er gaat een rilling over mijn lichaam. Ik heb het koud. Niet moeilijk, want ik heb enkel mijn pyjamabroek en een boxershort aan. Remus voelde blijkbaar mijn rilling en kijkt met met vragende ogen aan.

"Heb je koud?"

Hij bekijkt me. Even zie ik hem slikken, of dat denk ik toch. Opnieuw een harde donderslag. Remus kijkt bang naar buiten.

"Waarom kwam je naar me toe?", vraag ik.

Ik ben behoorlijk nieuwsgierig naar zijn antwoord.

"Om... Omdat ik plots in mijn bed lag en jij was weg... Ik wist niet waar je was en begon ongerust te worden... Maar...-"

Hij breekt zijn zin af, als er een bliksemschicht door de lucht klieft. Ik kijk in zijn ogen en zie dat dat niet de volledige reden was. Ik zie ook angst voor iets.

"Dat was niet alles, geloof ik... Juist?", zeg ik.

Ik weet dat ik een beetje aandring, maar dat moet je altijd doen als je wil dat Remus wat tegen je zegt.

"Ik... Ehm. Dat was ook een reden... Maar... Om volledig eerlijk tegen je te zijn... I-ik ben

bang van onweer...", zegt Remus en kijkt beschaamd naar zijn handen.

"Ah. Kom maar lekker hier slapen, ruimte genoeg! Maak me maar wakker als er iets is, oké?", zeg ik.

Ik kijk verward voor me uit. Zei ik dat echt?

"Dankjewel!", mompelt Remus en kruipt onder de dekens.

En ook ik kruip terug onder de dekens. Ik voel Remus even woelen. Uiteindelijk valt hij in slaap met zijn rug naar me toe. Ik kijk nog een hele tijd naar hoe Remus slaapt, tot mijn ogen moe worden en langzaam dichtvallen. Boven me schijnt een bijna volle maan...