Hoofdstuk 1
Suddenly I know I'm not sleeping
Hello, I'm still here
All that's left of yesterday
(Evanescence – Hello)
De zacht wuivende gordijnen van de boog intrigeren me. Het lijkt wel alsof er een zacht windje doorheen blaast, of alsof er net iemand door is gelopen.
Dan pas hoor ik het. De stemmen. Zachte, fluisterende stemmen. Ze roepen me, spreken mijn naam op een dwingende toon uit. 'Kom,' zeggen ze, 'kom naar ons.'
Gehoorzaam zet ik een paar passen vooruit, naar de boog. Als ze willen dat ik kom, dan waarom niet? Als ik ze daarmee plezier kan doen.
Het gefluister wordt steeds luider en meer opgewonden naarmate ik de boog nader. De stemmen vervormen, worden gesis, gegrom. Ik word bang. Ik wil me omdraaien, wegrennen. Mijn benen luisteren echter niet meer naar me. Willoos, als een pop, moet ik toezien hoe de boog met elke stap steeds groter voor me opdoemt, als de poorten van Hel. Er is niets dat ik kan doen.
Dan gebeurt het. Vlak voor me, op een paar luttele centimeters van me vandaan, tolt er iemand langs me heen. Ja, tolt. Ik kan het niet anders beschrijven. Hij vliegt in hoge snelheid door de lucht, met slingerende armen en benen, draaiend rond zijn as, zijn haren wapperend achter hem aan. Sirius. Hij gaat recht op de boog af.
In een reflex steek ik mijn hand uit, met de bedoeling hem tegen te houden. Maar het is te laat. Mijn hand grijpt in een handvol lucht, waar zich zonet nog de haren van Sirius bevonden.
Nu pas lukt het me om stil te staan. Het lijkt wel alsof de stemmen mij zijn vergeten en al hun aandacht op Sirius vestigen, die nu in volle vaart op de boog afvliegt. Hij is er nog maar een paar meter van verwijderd. Ik wil schreeuwen, hem waarschuwen voor het gevaar, gelijk wat doen om hem af te remmen, maar alweer ben ik de controle over mijn lichaam kwijt). Alweer kan ik niets anders doen dan toekijken.
Sirius blijft vliegen. Nog een meter, nog een halve meter, nog een paar centimeter,… Hij kan elk moment de gordijnen raken. Ik weet dat er iets vreselijk zal gebeuren als hij dat doet.
Vlak voor de boog mindert Sirius echter abrupt snelheid. Zwevend blijft hij stil in de lucht hangen. Langzaam draait zijn lichaam, tot hij uiteindelijk met zijn gezicht in mijn richting gekeerd staat, zijn ogen borend in de mijne. Ik schrik van zijn gezichtsuitdrukking. Hij kijkt woedend.
"Wel?!" roept hij me toe, "Moet je me niet komen redden? Of laat je me gewoon vallen? Laat je me sterven, zonder ook maar iets te doen?"
Heel mijn hart schreeuwt om actie, om naar hem toe te rennen, hem tegen te houden, hem hier te houden. Ik doe echter niets. Ik kijk slechts in Sirius donkere ogen, die branden van woede.
Als Sirius weer spreekt, krijg ik kippenvel over mijn hele lichaam. Uit elk woord, elke lettergreep, straalt pure minachting.
"Wel wel wel, kijk eens aan," zegt hij, "Dat had ik niet van je verwacht, Remus. Ik dacht dat jij niet zo'n laf, zwak persoon was. Een persoon die zijn eigen vrienden laat vallen als een baksteen, die niets doet als ze in nood zijn. Nee, dat had ik niet verwacht. Vaarwel, Remus."
Sirius buigt zich naar achter, zodat zijn achterhoofd het gordijn raakt. Net op dat moment werkt mijn lichaam weer. Zonder te aarzelen zet ik het op een lopen naar de boog, naar Sirius. Ik ren zo snel ik kan. Ik ren mijn ziel uit mijn lijf. Mijn hart klopt zo hard dat het lijkt alsof het uit mijn lichaam zal barsten, de steken in mijn zij zijn zo heftig dat het voelt alsof iemand me met een mes zal steekt. Toch stop ik niet. Ik blijf rennen.
Het mag niet baten. Sirius wacht niet op mij. Het gordijn wacht niet op mij. Langzaam, vlak voor mijn machteloze ogen, wordt hij opgeslokt door het gulzige gordijn, onder begeleiding van de triomfantelijk roepende stemmen. Als ik op de plek aankom, verdwijnen zijn voeten net en wordt het gordijn weer glad, onbeweeglijk. De stemmen vervagen, worden stiller, tot ze helemaal verdwijnen. Niets wijst er nog op dat hier zojuist iemand het leven heeft gelaten.
Als verlamd staar ik naar de plek waar Sirius is verdwenen. Zomaar. Plots. Zonder enig nut of reden. Verdwenen uit mijn leven. Gedaan. Niets meer.
"Je kunt niets meer doen, Harry,"
"Pak hem, red hem, hij is nog maar net gevallen!"
"Het is te laat, Harry,"
"We kunnen hem nog redden-"
"Je kunt niets meer doen, Harry, niets… Hij is weg."
"Hij is niet weg! Sirius! SIRIUS!"
"Hij komt niet meer, Harry. Hij komt niet meer, want hij is d-"
"HIJ-IS-NIET-DOOD! SIRIUS!"
De klank van Harry's machteloze uitroep weergalmde nog na in mijn oren, in heel mijn hoofd, toen ik met een schok wakker werd.
Sirius…
Mijn lakens waren helemaal rond mijn lichaam gedraaid, wat voor een verstikkend gevoel zorgde.Ik probeerde me er uit te bevrijden door heen en weer te woelen, maar het werkte niet. Ze gingen alleen nog maar strakker zitten.
Ik staakte de strijd. Ik ging plat op mijn rug liggen en staarde naar het plafond. Nu pas merkte hoe bezweet ik was, hoe erg ik trilde. Ik hijgde ook. Ik hijgde zo hard dat het leek alsof ik juist kilometers ver had gelopen. Alsof mijn droom echt was geweest.
Hij was ook echt.
Verwoed schudde ik mijn hoofd, trachtend deze gedachte uit mijn hoofd te bannen. Nee, hij was niet echt. Hij was niet –
Plots drong de waarheid echter weer met een schok tot me door. Alles kwam in één keer terug. Sirius die aan het vechten was met Bellatrix, Sirius' honende lach, slechts een fractie van een seconde later een verlamde, vallende Sirius…
Ik moest iets doen. Ik kon hier niet blijven liggen, mezelf martelen met de steeds opnieuw voorbijglijdende beelden voor mijn ogen, alsof het een film was die op herhaling was gezet.
Voorzichtig wikkelde ik me los uit mijn laken – hé, nu lukte het wel – en sloeg mijn benen over de rand van het bed.
De vloer was koud. Heel koud. Zo koud dat het zich meteen via mijn voeten over mijn hele lichaam verspreidde. Ik probeerde dit echter te negeren en stond recht.
En viel meteen weer neer. Mijn benen trilden zo hard dat ze mijn gewicht niet konden dragen, met als gevolg dat ik naar voor viel en hard op mijn knieën terechtkwam. Dat deed pijn.
Lichtjes kreunend rolde ik op mijn zij en vervolgens op mijn rug. Ik was weer terug bij af. Ik lag weer op mijn rug naar het plafond te kijken. Dat vervloekte plafond. Het leek wel alsof mijn gedachten automatisch naar de vreselijke gebeurtenissen afdwaalden als ik er naar keek.
Sirius… Je bent weg. Voorgoed.
Het besef van dit feit drong tot in het diepste van elke vezel in mijn lichaam tot me door. Sirius was dood. Weg. Mijn beste vriend, met wie ik zoveel doorstaan had, was er niet meer.
Een traan maakte zich los uit de hoek van mijn oog en baande zich de kortste weg via de zijkant van mijn gezicht naar de grond. Een tweede volgde. En een derde.
Er volgden er die nacht nog veel meer. Voor het eerst sinds Sirius achter dat gordijn was verdwenen, weende ik. Ik weende, ik huilde, ik vloekte, ik schreeuwde. Tegen beter weten in, want ik wist dat dat hem niet zou terugbrengen. Niets zou hem terugbrengen. Ik was hem kwijt. En het was mijn eigen schuld.
