Hoi :) Veel plezier met lezen en ik hoor graag wat je er van vindt!
Disclaimer: ik bezit geen rechten van Narnia en / of karakters daarvan.
Hoofdstuk 2
Caspian haalde opgelucht adem toen hij eindelijk de raadszaal kon verlaten. Nog nooit had hij zo'n lange vergadering bijgewoond. Ondertussen stond de zon al hoog aan de hemel wat erop wees dat net iets na de middag was. Veel van de vergadering had hij niet begrepen maar de gezichten van de raadsleden spraken boekdelen. Het was allemaal erg onsamenhangend, iets over monsters die Miraz hadden gesteund en zich nu tegen iedereen keerden en plunderend door Narnia liepen. Goed, zo onsamenhangend was het niet maar wat moest hij voorstellen bij monsters? Het enigste wat echt tot hem doorgedrongen was, was dat hij nu constant geschaduwd werd door iemand. Voor zijn eigen veiligheid had Aslan gezegd.
Nou, fijn was dat, alsof hij niet voor zichzelf kon zorgen. Hij moest eerlijk toegeven, hij was wel benieuwd naar de persoon die hem schaduwde.
Waarschijnlijk heb ik al een glimp van hem ontvangen, dacht hij toen hij zich de gestalte in de deuropening herinnerde.
Voordat Caspian het wist bevond hij zich op de binnenplaats van het kasteel. Zijn voeten hadden hem ongemerkt daarheen gedragen. Hij snoof de buitenlucht op en keek om zich heen. Eigenlijk was het wel mooi weer om even een wandeling te gaan maken. Hij begaf zich richting de brug en liep erover heen. Hij keek nog eens argwanend om zich heen, zou hij nu echt overal naar toe gevolgd worden door een schaduw? Hij probeerde een gestalte te ontdekken maar niets wees erop dat hij geschaduwd werd.
Aan het eind van de brug bleef hij staan en vroeg zich af waar hij heen zou gaan. Richting de landerijen? Richting het dorpje? Hij zuchtte, daar was hij al zo vaak geweest. In zijn ooghoeken zag hij het bos waar de kampementen zich bevonden. Misschien als hij daarheen zou gaan zou hij een glimp kunnen opvangen van die monsters waar Aslan het over had en zou hij de ontstelde gezichten van de raadsleden misschien wel kunnen begrijpen. Maar het bos was wel een paar kilometer verderop en hij had geen zin om het te laat te maken, de boekhouding wachtte nog op hem.
Hij besloot om zijn paard Destrier te halen. Hij maakte rechtsomkeert en rende richting de stallen. De bedienden keken hem raar aan toen hij in volle vaart langs hen voorbij rende, maar hij trok er zich niets van aan en de bedienden stelden geen vragen. Hij rende de zadelkamer in en greep het hoofdstel en deed zijn arm onder het zadel. Zich voelend als een bepakte ezel begaf hij zich naar zijn paard. Destrier hinnikte zachtjes toen hij zijn baas zag. Caspian zadelde zijn paard, steeg op en ging in een rustig drafje naar de brug en vanaf daar naar het bos.
Na een half uur stond hij voor het rand van het bos en twijfelde of hij nu te voet verder moest gaan.
Zouden de kampementen zich vlakbij de rand van het bos bevinden of meer naar het eind?
Het einde van het bos leek hem logischer en hij stuurde Destrier de bossen in. Hij moest zijn ogen goed open houden en zijn oren gespitst zodat hij het snel genoeg kon merken als hij in de buurt kwam. Maar voordat Destrier een paar stappen had kunnen doen hoorde Caspian geritsel boven zich. Geschrokken hield hij zijn paard in en keek omhoog. Verbeelde hij zich het nou of zag hij een paar lichtgroene ogen die naar hem staarden? Slecht op zijn gemak spoorde hij Destrier weer aan en ging op weg richting de kampementen van de monsters. Om de zoveel meter kon hij het niet laten om weer omhoog en achter zich te kijken. Hij kon niets ontdekken.
'Geschaduwd worden is niets voor mij,' mompelde hij zachtjes tegen Destrier toen ze een paar kilometer door de bossen hadden gelopen. Het paard snoof luidruchtig en Caspian viel zowat van de schrik van zijn paard af. Hij kon nog net zijn evenwicht bewaren en klopte het paard op zijn hals.
Het duurde even voordat het tot hem doordrong, maar Caspian hoorde hier niets. Geen omgevingsgeluiden, vogels of de wind. Het kippenvel stond hoog op zijn armen, er hing hier een raar sfeertje. Caspian steeg af en bond zijn paard aan de dichtstbijzijnde boom. Op zijn hoede sloop hij naar de rand van het pad. In de verte zag hij…
Nee maar. Het kampement van de monsters. Gebukt om niet ontdekt te worden, liep hij voorzichtig richting het kamp.
Ik wil alleen weten hoe ze eruit zien, dan ga ik weer, dacht hij terwijl hij stapje voor stapje dichterbij kwam.
Toen Caspian nog maar een paar meter te gaan had, hoorde hij opeens een zachte plof achter hem. Razendsnel draaide hij zich om, maar het was niet snel genoeg. Een donkere gestalte greep hem vast en sloeg een hand voor zijn mond.
'Op jacht naar monsters, Koning?' fluisterde een zachte stem in zijn oor.
Worstelend probeerde hij los te komen, maar de gestalte had hem stevig vast.
'Laat me los!' probeerde hij te zeggen, maar zijn stem werd gesmoord door de hand.
De gestalte sleurde hem mee, maar Caspian merkte dat het niet richting het kamp was. De waarheid sloeg als een bom in. Dit was niet een monster, maar zijn schaduw. Hij stopte met zich te verzetten en al snel waren ze terug bij zijn paard. De gestalte haalde zijn hand weg en Caspian draaide zich om. Maar achter hem stond niemand. Met stomheid geslagen keek hij om zich heen. Er was niemand, behalve zijn paard, te bekennen. Hoofdschuddend haalde hij een hand door zijn haar.
'Een schaduw hoort alleen maar te schaduwen. Niet in te grijpen,' mompelde hij zachtjes. Hopend dat de schaduw hem wel hoorde ook al zei hij het zachtjes.
'In dit geval vond ik dat ik wel mocht ingrijpen,' antwoordde een stem net zo zachtjes.
Caspian schrok zo erg dat hij een halve meter in de lucht sprong. De stem grinnikte. Het kwam van boven en Caspian zag dat de gestalte zich schuilhield tussen de kale takken van de boom. De gestalte was helemaal in het zwart gekleed en had een kap over zijn hoofd. Alleen zijn lichtgroene ogen waren te zien vanonder de kap.
'Lach me niet uit,' zei Caspian beschaamd.
'Ssst! Wil je door de monsters gepakt worden? Pak je paard en rij terug naar het kasteel, Koning.'
Caspian had verwacht dat de gestalte nu weer op miraculeuze wijze zou verdwijnen, maar de gestalte bleef zitten en volgde al zijn bewegingen met zijn ogen. Ongemakkelijk schuifelde Caspian naar zijn paard toe en maakte hem los. Na nog een nerveuze blik op de gestalte te hebben geworpen, steeg hij op en reed weer terug naar het kasteel.
Toen Caspian eindelijk terug was bij het kasteel, werd hij opgewacht door Aslan op het binnenhof.
Dit kan niet veel goeds betekenen… Caspian steeg snel af en riep om een stalknecht. Niet veel later kwam er een jonge jongen aangerend en Caspian duwde de teugels in zijn hand.
'Wrijf hem droog, voeder en drenk hem. Daarna kan hij terug op stal gezet worden.'
Het jongentje knikte en leidde het paard weg richting de stallen. Toen ze uit het zicht waren verdwenen, draaide Caspian zich om, haalde diep adem en liep zo rustig mogelijk richting Aslan toe. Aslan schudde met zijn gouden manen en keek hem met een diepe frons aan.
'Wat dacht je te bereiken door het kamp te bezoeken?'
'Ik wilde alleen maar weten hoe ze eruit zien. Denkt u niet dat dat belangrijk is voor een koning? Weten wat zijn vijanden zijn? En hoe weet u trouwens dat ik daar was?' antwoordde Caspian.
Nogmaals schudde Aslan met zijn hoofd. 'Als je had willen weten hoe ze eruit zien, waarom ben je dan niet opzoek gegaan naar een boek? En ik weet dat je daar was, omdat je schaduw sneller is dan jou. Ze kwam tien minuten geleden verslag aan mij uitbrengen. We…'
'Wacht… Ze?' onderbrak Caspian hem verbaasd. Hij was er stellig van overtuigd geweest dat het een man was.
'Ja. Ze. We hebben geluk dat ze jou schaduwde. Wat hadden we moeten doen als je door de monsters gepakt was? Dan hadden we ons gelijk kunnen overgeven. Je hebt geen vrouw, geen erfgenamen. Dat zou een verloren zaak zijn geweest,' knorde Aslan boos.
Caspian durfde hem niet recht aan te kijken. Hij voelde zich altijd net een klein kind in de buurt van Aslan. Caspian mompelde iets van een verontschuldiging waar Aslan genoegen mee bleek te nemen. De majestueuze leeuw liep weg en ging heen daar waar hij altijd naartoe ging, al wist niemand precies waar "daar" is.
Caspian keek de leeuw na en stond nog na te denken over hun gesprek, toen hij iets naast zich hoorde. Verwachtend dat de persoon naast hem zijn professor zou zijn, die hem op zijn kop kwam geven omdat de boekhouding nog steeds onaangeroerd op zijn bureau lag, keek hij opzij en zag tot zijn schrik twee lichtgroene ogen die hem aankeken. Geschrokken sprong hij opzij en bekeek zijn schaduw. Het was inderdaad een zij, maar weer niet zoals hij verwacht had. Ze was ongeveer net zo oud als hij en had haar zwarte pak geruild voor een harnas. Het harnas bestond uit allemaal verschillende platen ter grote van een hand. De meeste platen waren bruin, maar hier en daar zat er een rode tussen. Om haar nek hing een blauw amulet dat zachtjes pulserde op het ritme van een kloppend hart. Op haar linkerheup hing een langzwaard en een dolk op de andere heup. Haar haar was zo zwart als de nacht en was opgestoken in een hoge staart. Ze was erg indrukwekkend, maar haar ogen vielen het meest op. Deze waren lichtgroen en deden Caspian het meest aan de ogen van een kat denken. En aan haar slanke en sierlijke gestalte te zien bewoog ze waarschijnlijk ook als een kat.
Het meisje schraapte haar keel en Caspian besefte opeens dat hij haar aanstaarde met open mond. Hij klapte zijn mond dicht en probeerde iets te bedenken wat hij kon zeggen. Maar ze bleef hem maar afleiden, ze was erg knap. Ze had een hartvorming gezicht met wat sproeten. Ze had mooie lange wimpers en volle lippen. Toegegeven, het was een alledaags gezicht, maar haar ogen zorgden net voor dat beetje excentriciteit.
'Hoor je mij niet te schaduwen?' kon hij uiteindelijk uitbrengen.
Het meisje lachte haar witte tanden bloot. 'Aslan is vergeten te melden dat hij mij tot je persoonlijke lijfwacht heeft benoemd,' antwoordde ze met een fluwelen stem.
Caspian kon zichzelf wel voor zijn hoofd slaan dat hij dacht dat de schaduw een man was.
'Dit betekent,' vervolgde ze, 'dat je alles met mij overlegd wat je gaat doen. En natuurlijk beslis ik of dat een goed idee is of niet.'
Caspian keek haar ongelovig aan, het meisje leek er wel lol in te hebben.
'Ik ben koning. Ik hoef niets met jou te overleggen als ik dat niet wil. Wat is je naam eigenlijk? Ik ken je geeneens!'
Het meisje lachte weer en maakte een diepe buiging die ietwat spottend overkwam. 'Serenity is mijn naam, Koning.'
Caspian krabde op zijn hoofd. 'Ik heb liever niet dat je me Koning noemt. Uit jouw mond komt het neerbuigend over.'
'Wat u wilt, Hoogheid.' En weer maakte ze een spottende buiging.
Caspian begon zich steeds meer te ergeren, maar amuseerde zich tegelijkertijd ook. Dit was een heel apart meisje.
'Hoogheid komt ook neerbuigend over.'
Serenity zette haar rechterhand in haar zij en liet haar linkerhand rustten op haar langzwaard.
'Maar hoe wilt u dan dat ik u noem?' vroeg ze lachend en onbewust lachte Caspian terug.
'Gewoon Caspian.'
