Hoofdstuk 2 – Opgejaagd

Half struikelend en half strompelend raasde Barn door het bos. Doordat zijn handen op zijn rug waren gebonden maakte het hem onmogelijk om op volle snelheid te rennen. De scherpe doorns van de struiken lieten rode striemen achter in zijn benen, de brandnetels voelden pijnlijker aan dan ooit. 'Hoe lang houd ik dit nog vol?' Barn fluisterde de woorden tegen de donkere hemel boven hem. 'Als ik kon vliegen, kon ik ontsnappen', maar Barn wist dat dit onmogelijk was. Boven hem was de vrijheid, in het bos de hel. Frustrerend was het dat hij maar één vaardigheid verwijderd was van de vrijheid, kon hij maar vliegen. Hij keek naar de heldere sterrenhemel boven hem en wenste een moment dat hij ook zo'n mooie schitterende bol vuur was. Hij schudde met zijn hoofd om de gedachte weg te duwen. Hij moest gefocust blijven op zijn opdracht. Barn besloot een kort moment te rusten en te controleren of om zijn benen te bekijken. Hij leunde tegen een boom aan om niet om te vallen en boog iets voorover om te kijken wat er nog van zijn benen over was. Voordat hij het besefte viel hij op de grond. Hij kon nauwelijks evenwicht bewaren met zijn gebonden handen en kapotte benen. Schuivend met zijn buik over de grond probeerde hij overeind te komen. Hij kon net een schreeuw onderdrukken toen zijn rechterbeen over een scherpe steen gleed. Barn zijn tranen begonnen te stromen, niet alleen van pijn, maar ook van machteloosheid. Hij wist niet meer hoe hij verder moest. Er was geen hulp in de buurt, als hij al ontkwam zou hij de enorme afstand naar veiligheid niet eens rennen. Kortom er was geen hoop voor hem. Maar hij droeg iets bij zich wat hij moest redden, het moest terug naar de veiligheid. Het moest zo ver mogelijk weg worden gebracht van het kwaad. De gedachte aan de opdracht die hij had gekregen maakte hem sterk en gaf hem de krachten om op te staan. Hij stond nog even op zijn benen te wankelen, maar vervolgens begon hij weer door het bos te rennen, sneller dan tevoren. Hij rende door zijn pijn en vermoeidheid heen, zijn missie was te groot om op te geven door het falen van lichamelijke tekortkomingen. Hij rende uren en uren. Barn dacht aan de afgelopen periode. Hij was nu al meer dan een maand op de vlucht. Het was allemaal begonnen toen de raad besloten had om de molecom van Ceol naar een betere beschermplaats te brengen. Ceol was altijd onvindbaar geweest op de aarde, maar nu de raad besloten had om Ceol meer in het openbaar te laten zien, was de situatie veranderd. Haar molecom kon niet langer tussen de andere liggen. Barn was samen met elf andere belangrijke strijders uitgezocht om de molecom te verplaatsen naar de nieuwe verbergplek. Barn was de uitverkorene bij wie de molecom was ingebracht. Qua grootte was hij te vergelijken met een dobbelsteen. Er was een operatie geweest om de molecom in zijn lichaam te plaatsen en op die manier verborgen te houden voor de vijand. Moedig waren ze na de operatie op weg gegaan, de vijand wist niks van de verplaatsing van de molecom, dus was er weinig kans op gevaar. Helaas was de vijand er toch van op de hoogte gekomen, uiteindelijk was dat ook niet vreemd. De kans was erg groot dat de vijand het te weten zou komen. Hij verbaasde zich nog altijd over het feit dat het geheim van Ceol haar verblijfplaats nog veilig was. De vijand had overal spionnen! De vijand had de twaalf strijders overvallen en gevangen genomen. Blijkbaar had de vijand niet geweten waar de molecom was, dus werden ze gemarteld en gedwongen te vertellen waar het zich bevond. Natuurlijk lieten ze niks los over de molecom. Ze zouden eerder dood gaan dan te vertellen dat de molecom zich in het lichaam van Barn bevond. Op een gegeven moment waren ze weggevoerd naar een verblijfplaats van de vijand en daar opgesloten. Het was de andere elf gelukt om hem het gebouw uit te krijgen en op de vlucht doen slaan. Op die manier was hij hier in het donkere woud terecht gekomen, niet wetend welke richting hij in moest. Hij wilde niet denken aan het lot van zijn metgezellen. Wat zij voor hem hadden gedaan was iets waarvoor hij hen nooit zou kunnen bedanken. Barn stopte zijn gedachten uit angst dat hij erin zou verzwelgen. Hij was een erg emotionele man die al te veel had meegemaakt om zonder depressies door het leven te gaan. Zijn angst voor de toekomst was erger dan de zwartste muziek. Dit soort missies maakten zijn hart kapot en lieten hem een rustige ingenomen man worden. Vroeger was dat anders geweest, maar hij leefde in het nu, het verleden maakte niet meer uit. Barn rende door en mompelde een keer zacht 'bedankt' toen hij het donker langzaam zag overgaan in een schemering. Hij moest nu wel dichterbij zijn eindbestemming komen. Hij zag in de verte de bomenmassa iets dunner worden, misschien was hij eindelijk uit dit troosteloze woud. Hij kon zijn pas iets versnellen doordat de hoeveelheid struiken en takken hem meer ruimte gaven om te rennen. Vlak voordat hij de open plek betrad hield hij zijn pas in. De geur van de dood kwam hem tegemoet. Hij slaakte een angstaanjagende kreet uit toen hij zag wat er zo naar de dood had geroken. Een misselijk gevoel maakte zich meester van hem, dit kon hij niet verdragen. Op de open plek lagen in de vorm van een grote cirkel elf lijken. De elf lijken van zijn metgezellen, degenen die hun leven hadden gegeven voor hem. Met dat hij ze zag liggen wist hij ook dat hij ontdekt was. Alles was voor niks geweest. Hij strompelde naar de cirkel en wenste dat hij daar lag, dat hij zijn leven had kunnen geven voor hen. Zij waren vast sterk genoeg geweest om te ontkomen aan de vijand, zij hadden het wel gered. Het verbaasde hem niet dat de vijand ineens tussen de bomen vandaan kwam. De tranen stroomden over zijn wangen toen hij zichzelf steeds verder ingesloten zag worden. Ze kwamen dichterbij hem, honderden liepen op hem af. Toen er nog twee meter om tussen hem en de vijand inzag stopten ze precies tegelijk met lopen. Perfect op elkaar ingespeeld. Alsof het uit één mond kwam begonnen ze te spreken.

'We zullen hem met genoegen uit je snijden'. Barn werd gek van angst toen ze hem aankeken.

'Je zult niks kunnen bereiken, hij is beschermd', Stamelde Barn. De vijand begon te lachen, een angstaanjagende lach die nog enger klonk door de unisono klank van het. Zo snel als de lach begonnen was, hield het ook weer op. Ze keken hem aan met een gemene blik in hun ogen.

'Wij zullen de codes breken, jullie laatste hoop zal vervliegen.' Barn slikte. 'Maar eerst iets anders'. Één van de velen in de cirkel om hem heen pakte iets uit een klein zakje. Hij verstopte het in zijn hand en vormde een vuist van zijn hand. Hij stak zijn vuist ondersteboven naar voren en opende zijn vingers. Midden in zijn handpalm lag een molecom. Een steek in zijn hart maakte aan Barn duidelijk dat het zijn molecom was. 'Hoe kwamen ze daaraan'? Barn zijn adem stokte in zijn keel.

'Blijkbaar vond één van de twaalf het belangrijk om over jou aardse leven te heersen'. Barn wilde zich omdraaiden om weg te rennen, maar besefte zich dat dit onmogelijk was aangezien hij ingesloten was.

'Ik ben niet bang om mijn leven te verliezen, ook mijn aardse leven niet'. Met alle zelfverzekerdheid die hij nog in zich had hief hij zijn hoofd op en keek degene aan die zijn molecom in handen had. Hoe vastberaden hij overkwam wist hij niet, maar het maakte ook niet uit. Hij zou niks tegen ze kunnen beginnen, dat hij zijn leven zou verliezen was meer dan duidelijk. Hij kreeg een sluwe grijns als antwoord.

'Wees niet ongerust, je zult voordat je een klaagzang kunt aanheffen al verdwenen naar een andere wereld zijn'. Hij bracht de molecom naar zijn mond en blies er zachtjes over. Barn hield zijn adem in, hoe zou zijn tweede lichaam zich nu voelen in de andere wereld? Zijn lot was onlosmakelijk verbonden met zijn tweede persoon die op de aarde leefde. Hij was één van de Mirloka, degenen die de uitverkoren waren om in beide werelden te leven. Bij hem was het op zijn twintigste al gebeurd, nu ruim tien jaar geleden. Het gaf aanzien in deze wereld en bovendien gaf het je extra vaardigheden. Vaardigheden die je op de aarde leerde kon je ook in deze wereld toepassen en omgedraaid. Maar het betekende ook dat hij dubbel het risico had om dood te gaan, hetgeen wat de reden was dat de Mirloka zoveel aanzien hadden. Het monster voor hem, dat was best een goede verwoording voor het figuur dat zijn leven nu in hadden had was één van de Jamak. Ze waren samen één maar toch ook individuele wezens. Ze hadden verschillende verschijningsvormen, waarvan die nu voor hem stonden het bekendst waren. Momenteel leken ze op woeste mensen met een grijze huidskleur. Een grote mond waarin veel grote tanden zaten en de rode ogen die uitpuilden maakte het gezicht woest en lelijk. Hun haren waren lang, zwart en vol met klitten. Hun lichamen waren groot en redelijk gespierd. Op plekken waar mensen vet hadden zaten bij deze wezens spieren. Ze waren smerig en schaars gekleed. Zo droegen enkel een tuniek tot op hun knieën met daaronder sandalen. Hun armen waren bloot, op de grote strakke gouden armbanden om de polsen. Ze zagen er allemaal precies hetzelfde uit, geen verschil was op te merken in hun lichamen. Als ze in groepen verschenen deden ze vaak precies dezelfde bewegingen, in omgang met elkaar verschilde dit nog wel eens. Ze waren een individu maar toch ook samen. Precies begreep Barn het niet, maar dat was niet het belangrijkst. Het belangrijkste was dat ze in staat waren om twee werelden te vernietigen. Hij was één van de velen die dat wilden voorkomen. Helaas was zijn missie mislukt, de belangrijkste nog wel. Hij keek naar de Jamak die zijn molecom speels in zijn handen hield. Hij draaide er rondjes mee tussen zijn vingers. Barn verstijfde toen hij twee van de Jamak op zich af zag komen. Ze pakten hem bij zijn armen beet en rukten het touw los. De Jamak die de molecom in zijn handen had stapte zonder zijn blik van Barn af te wenden op hem af.

'Ik wil dat jij je molecom breekt'.

'Nooit'. Barn keek de Jamak voor hem aan. één van de Jamak die zijn armen beet hadden draaide deze op zijn rug. Barn gilde van pijn toen hij zijn botten voelde breken.

'Je hebt zelf de keuze, of wij martelen je dood, of je breekt zelf de molecom door midden'. De Jamak stak zijn hand met de molecom erin uit naar Barn. Barns pakte met zijn goede hand de molecom tussen zijn vingers en keek naar de Jamak aan.

'Jullie zullen nooit heersen, je plan om de werelden te vernietigen zal mislukken'. Hij had misschien de tijd van zijn leven nog willen rekken, maar het had geen zin meer. Hij kon niet meer, hij wilde niet meer. Hij zou toch doodgaan. Hij sloot zijn ogen en klemde de molecom tussen twee vingers. Het verbaasde hem dat de weinige kracht die hij nog in zijn vingers had hem toch molecom kon laten breken. Hij voelde de gebroken molecom tussen zijn vingers door op de grond vallen. De Jamak lieten zijn armen los. Zijn blik werd wazig en hij voelde weinige kracht die hij nog in zijn kapot gereten benen had wegsijpelen. Hij hief zijn blik op naar de sterrenhemel boven hem, hij glimlachte bij het zien van de schitterende sterren. Het laatste wat hij dacht was dat alle hoop verloren was. Binnenkort zouden alle sterren verscholen zijn achter een donker gordijn van angst, pijn en verdriet. Barn viel met een zachte bons op de grond.

'Laten we de molecom uit hem snijden'. De Jamak die zijn armen hadden vastgehouden haalden een mes tevoorschijn en ontbloten Barn zijn borst. De messen sneden zijn lichaam open en lieten al snel de zilveren molecom zichtbaar worden. De Jamak rukte de molecom die nog onder het bloed zat uit zijn lichaam en stak hem in de lucht.

'Aanschouw, de laatste hoop van de Myrsta'! De Jamak lieten een luid gebrul horen en dansten als bezetenen in het rond.

'Spoedig zullen wij heer en meester zijn van alles wat leeft'. De Jamak zetten een duister lied in. Alles wat de klanken van het lied kon horen stierf door de kracht die het lied uitdroeg. Terwijl het lied gezongen werd snelden de Jamak het donkere woud weer in. Een spoor van dode dieren achter zich latend door de klanken van het lied.