Hoofdstuk 3

"Dit meisje is een gevaar voor ons! Ze kan zo naar de Orde lopen en alles doorzeggen."

"Ik begrijp het Heer. Wat zal ik doen?" Malfidus klonk angstig en onderdanig.

"Jij gaat niets meer doen! Nog eens het bewijs dat men nooit op anderen moet rekenen." Siste Voldemort woedend.

Ik knipperde met mijn ogen. Waar was ik? Ik lag op de grond, en kon me niet bewegen. Wat ik ook probeerde, het was alsof ik was vastgelijmd aan de vloer. Vanuit mijn ooghoeken zag ik Malfidus, buigend op een knie naast een donkere gedaante op een stoel.

Met een schok kwam alles weer terug. Voldemort, Malfidus, mijn vlucht uit het huis, de boeken helemaal blanco…

"Ja Heer…" mompelde Malfidus.

"Of wacht eens! Je kan wel iets voor me doen! Verdwijnsel met die dreuzel naar Villa Malfidus! Sluit ze op in de kelder, en kom dan terug!"

Ik zag Malfidus rechtstaan en sloot snel mijn ogen. Zou ik vanuit Villa Malfidus kunnen ontsnappen?

Misschien was Draco daar! Hij was toch van mijn leeftijd? Hij was niet slecht, toch niet helemaal volgens het boek.

Iemand pakte mijn hand beet en mompelde een spreuk. Ik voelde dat ik weer kon bewegen. Een harde prik tegen mijn schouder deed mijn ogen opensperren. Malfidus keek me grijnzend aan en trok me recht. Ik keek rond en zag voor het eerst Voldemorts gezicht. Hij had alle eigenschappen die Rowling had beschreven. Bijna geen neus, alleen twee smalle streepjes. Vuurrode ogen, zo smal als een kat. Zijn wangen waren ingevallen. Ik keek vlug weg, bang voor de blik in zijn ogen.

"Je hebt tien minuten…" Zei Voldemort. " Geen seconde langer!"

Malfidus pakte mijn rechterarm beet. Ik wilde me lostrekken, maar hij was te sterk. Alles werd zwart om me heen, ik had het gevoel in een draaikolk te zitten. Mijn oren suisden en toen…

Stilte… Ik liet me hijgend op de grond vallen en hapte naar adem. Een kille vrouwenstem deed me opkijken. "En wat brengt jou hier Lucius?"

Bellatrix Van Detta liep hooghartig de kamer in. Ze zag er verwildert uit, haar kleren hingen als vodden om haar heen, haar zwarte krullen helemaal in de war. Maar toch liep ze als een koningin in dit huis rond. Ik keek haar angstig aan en schoof naar achteren. Ik was banger van Bellatrix dan van Lucius. Ik herinnerde me het van in de boeken, dat Lucius best laf was.

Zonder op antwoord te wachten praatte Bellatrix voort. "Jij hoort bij de Heer van het Duister te zijn. Ben je gevlucht? Ben je weer al eens laf?"

Ik zag Malfidus woedend een stap naar voren zetten. Ik was zo goed als vergeten. Goed zo, laat hen maar wat ruzie maken, ik ben er vandoor. Ik schoof verder en verder van hen weg, richting de grote, eikenhouten deur die leidde naar een ander vertrek.

"Niet zo snel jij!"

Ik vloog in de lucht en knalde met een luide smak tegen de deur aan. Malfidus stond met uitgestoken toverstok voor mij. Of beter gezegd onder mij. Hij liet me in de lucht hangen en keek me smalend aan. "Je hebt echt geen idee met wie je hier te maken hebt, hé, dreuzel!" Hij keek zogenaamd triest naar mij en schudde zijn hoofd. Zonder van mij weg te kijken begon hij te praten. " Maar goed, dit is dus waarom ik hier ben, Bella! Deze dreuzel zat in het huis waar ik en De Heer van het Duister ook zaten, en jammer genoeg is ze niet kunnen ontsnappen."

"Oh, dat is inderdaad heel erg jammer." Zei Bellatrix met een zoetgevooisd, hoog stemmetje. "Voor haar!" Ze legde haar hoofd in haar nek en begon maniakaal te lachen.

Plots vloog de deur aan de andere kant van het vertrek open, en twee gedaantes kwamen binnen. Ik wist al wie het waren voor ik hun goed zag. Draco Malfidus en zijn moeder, Narcissa.

"Wat is al dat kabaal…" Narcissa zag haar man staan en gilde het uit. "Lucius, wat doe jij hier?"

Malfidus liet zijn toverstok zakken en ik viel met een smak op de koude, harde vloer. "Daarom!" antwoordde hij en wees naar mij. "Draco, wil je zo goed zijn onze gaste naar haar suite te begeleiden?"

Draco keek zijn vader boos aan. "Nee, ik wil weten wat er aan de hand is, ik…"

"Doe wat ik je zeg!" Snauwde Malfidus woedend naar zijn zoon. Ik krabbelde achteruit, ik wilde hier weg. Ik was het beu. Ik had de wereld van Harry Potter altijd intrigerend gevonden, maar nu had ik er genoeg van. Ik botste tegen de muur. Draco kwam mokkend op me af sleurde me mee het vertrek uit. Bellatrix keek me minachtend aan en knalde de deur voor mijn neus dicht. Nu ik alleen was met Draco voelde ik me veel sterker. Hij was nog maar een jongen, wat kon hij doen tegen mij? "Laat me los!" zei ik woedend.

"Nee, toch niet…" antwoordde Draco lijzig.

"Ambetant ventje! Wat denk je dat je gaat doen? Je bent laf Draco, net als je vader en moeder! Je…" Hij sloeg me hard in het gezicht. Ik zweeg verbluft. Draco keek me woest aan. "Wat weet jij over mijn leven? Niets! Zwijg, dreuzel!" zei hij minachtend. Hij duwde me de gang door en trappen af.

"Ik weet toevallig heel veel van je leven!" Durfde ik honend te zeggen. "Je zit op zweinstein, in Zwadderich, net als de rest van je dooddoenersfamilie, je hebt twee vrienden, Korzel en Kwast, wel, eigenlijk zijn het meer je persoonlijke slaven dan vrienden maar goed, en je hebt één grote vijand op school…" Ik zag dat Draco me verbijsterd aankeek en hield de stilte nog wat langer aan. … "Harry Potter. En ik ga er alles doen om hem te bereiken. Alles om jullie allemaal tegen de grond te slaan!"

Draco was over zijn verbazing heen en keek me kwaad aan. " Ja, dat zal wel! Ik denk niet dat je de zon ooit nog zal zien opkomen!"

Hij trok een deur open en duwde me naar binnen. "Geniet nog van je laatste uurtjes!"

De deur viel met een zware klap achter me dicht. Ik liet me op de grond vallen. De koude vloer hield me wakker en alert.

Ik moest hier weg zien te raken, dat moest gewoon!