De volgende morgen werd ik vroeg wakker. Ik liep met de tas vol toiletspullen die Luke me had gegeven,naar de wasplaats. Die was leeg, zoals ik gehoopt had. Ik keek in de spiegel. Een meisje met lang, krullend bruin haar; een wipneus; turkooizen ogen en smal gezicht keek terug. Ik nam de borstel uit de toilettas en begon mijn onmogelijke haar te kammen, het was zo dik dat het 5 minuten duurde om een kwart van mijn haar te kammen. Toen ik na 20 mintuten eindelijk klaar was met mijn haar te kammen, poetste ik mijn tanden. Opeens herinnerde ik me dat mijn rugzak nog in het Grote Huis lag. Mijn rugzak. Shit.
Ik rende naar het grote huis, in die wapenuitrusting. Ik klopte op de deur en realiseerde me dan dat niemand wakker ging zijn. Ik leunde tegen de deur en viel bijna achterover toen die een paar centimeter verschoof. Nieuwsgierig opende ik de deur en keek rond. Niemand. Ik stapte zo stil mogelijk verder, zwierf door de kamer, op zoek naar mijn rugzak. Eindelijk zag ik hem. Ik hing hem rond mijn schouder en stilletjes terug naar de deur. Ik schoof de deur voorzichtig dicht en draaide me keek. Er stond een centaur voor me.

"Chiron," zei ik opgelucht. Dan pas realiseerde ik me dat ik niet opgelucht moest zijn. "Ben je in het huis geweest?" vroeg hij. "Ja, maar enkel voor mijn rugzak," stamelde ik bij het zien van zijn strenge gezicht. "Je hebt niets anders aangeraakt?" "Nee," zei ik. "Kom," zei hij en hij galoppeerde weg. Ik volgde hem, wat moeilijk was, want centaurs kunnen heel snel lopen. "Wat zit er in je rugzak dat zoveel waard is?" vroeg hij. Alsof ik hem dat ging vertellen. "Gewoon, mijn spullen, ik denk dat er kleren inzitten en zo," antwoordde ik terwijl ik mijn gezicht zo onschuldig mogelijk probeerde te houden. Hij wist waarschijnlijk dat ik loog, maar ging er niet verder op.

Toen ik terug in Hermes cabine kwam, met verse kleren aan -er zaten blijkbaar wel kleren in mijn rugzak- , lag er iets op mijn slaapzak. Verschillende mensen waren al wakker en babbelden met hun buren. Ik liep naar mijn slaapzak, dropte mijn rugzak en nam de envelop. Er zat een brief in, duh. Ik herkende het handschrift niet. Het was een groot, krullerig handschrift. Het papier was dik, met bloemen en tekeningen versierd en zwaar geparfumeerd. Het stonk. Ik liep naar buiten en wapperde er mee om de stank eruit te krijgen. Toen ik niet meer kokhalsde door het parfum, probeerde ik de brief te lezen, ik had namelijk dyslexie.
Maar toen liep Annabeth voorbij en ik stopte de brief in mijn achterzak om mijn excuses te gaan aanbieden.

"Annabeth!" riep ik en ik haalde haar in. "Sorry voor, je weet wel. Voor wat ik gezegd heb. Ik meende het niet. Ik heb me zo ongeveer op je afgereageerd. Sorry, echt, ik meen het." Zei ik. Ze keek me even onderzoekend aan. Blijkbaar zag ze dat ik het meende, want ze stopte. "Vrienden?" vroeg ik en ik stak mijn hand uit. "Vrienden," antwoordde ze en ze schudde mijn hand. "Je bent hopelijk toch niet meer overtuigd dat ik een ondinges ben?" vroeg ik. "Nee," lachte ze, "ik moet nu gaan boogschieten, jij ook?" "Ik heb nog geen schema of zo gekregen," zei ik. Ze glimlachte en liep weg. Blijkbaar waren we nu vriendjes. Nu even een rustig plekje zoeken om mijn brief te lezen.