Na alle voorbereidingen te hebben volbracht en zijn bemanning te hebben gewaarschuwd, besloot Nederland om dadelijk te willen uitvaren. Hij was er bang voor dat hij van mening zou kunnen veranderen, zelfs op het laatste moment. Zijn gedachten vlogen naar zijn onderbroken brief terug: hij was er honderdpercentig zeker over dat Anneke hem zou weggooien zoals zij met alle andere had gedaan toen hij zijn kamer verliet om lucifers of tabak te kopen. Hij vroeg zich opeens af of zijn zustertje de aangevangen brieven regelmatig las voor ze allemaal weg te werpen; het idee deed hem rood worden. In die brieven had hij vaak over de verscheidene ervaringen gezegd die hij en Portugal samen hadden vernomen – de verhandeling in de salon, waar hun handen zich hadden geschampt; de omarming in de tuin, toen Joana slechts een verband om haar borsten had en hij haar bijna had gekust; de uitdaging in de sportzaal, waarna hij de kans had gehad om zijn bedoelingen te uiten – en de makkelijke verdenking dat de Vlaamse op de hoogte kon zijn van alles werkte op zijn zenuwen. Hij bewoog instinctief zijn hand in de lucht om deze stommiteiten kwijt te krijgen, terwijl zijn zeelui de laatste vatten en kisten op het schip laadden.
"We zijn klaar, meester."
"Perfect. Laten we dan vertrekken."
"Naar welke richting, mijn kapitein?"
"Zet de koers naar Indonesië. Zo snel mogelijk."
"Jawel, mijnheer!"
Het zeilschip verwijderde zich langzaam van de oever. Abel stond op de achtersteven, zijn handen in zijn broekzakken, een joint tussen zijn lippen, en bewonderde de haven van Rotterdam. De zeeschuim stiet voorwaarts en achterwaarts tegen de kade, waarlangs de meeuwen heen en weer trippelden om een beetje voedsel te zoeken; de kleinere boten die nog bleven geankerd dansten in de golven, het ritme van het getijde volgend, en leken de vlugge bewegingen van de mannen te willen namaken die evenzo naar rechts of naar links renden met hun warencatalogi, –bestellingen en –verpakkingen. Voor één moment voelde de Nederlander zich net zoals hij zich aanvankelijk had gevoeld, toen hij jonger was, nog een knaap, en de hele wereld op zijn plattegrond stond – een spelletje dat nog te hanteren was. Hij herinnerde zich zijn eerste vertrek, zijn eerste, vreemde avontuur, kort nadat hij zijn onafhankelijkheid van Spanjë had verklaard, toen hij zich een stukje van het nieuwe continent had kunnen gunnen – Nieuw-Nederland. En dat ondanks de klachten van Engeland en Frankrijk, die de noordelijke zone hadden geöccupeerd. De beelden van die episode doken in zijn brein op: ook indertijd was de prachtige haven achter zijn rug gebleven, ook toentertijd had hij zijn eerbiedige luitjes alleen gelaten, ook destijds was zijn enige gezelschap de oceaan geweest. België had nooit gewild om met hem mee te komen. Slechts toen zijn land niet meer te zien was, teeg de asblonde man naar zijn hut: hij was van plan om zijn hele notulen te herlezen over de handels met Indonesië en Malesië. Daar de documentatie extreem gedetailleerd was, zou hij meerdere dagen nodig hebben gehad om alles te kunnen doorlezen, maar dat zou geen probleem zijn geweest – de reis naar Azië duurde normaal verschillende maanden!
Het enorme eilandenrijk verscheen in de nacht. Nooit in zijn hele existentie had hij zo'n grote eilandengroep ontmoeten als Indonesië. Toen Holland dit gebied voor de eerste keer had gezien, had hij onmiddelijk de behoefte gevoeld om ieder eilandje te bezichtigen, en tot zijn grootste verbazing ontdekte hij dat zelfs op het kleinste hoekje personen woonden. Op het moment waarop de jonge aan land was gegaan hadden de inwoners hem omringd – maar met geen boze intenties: zowel de vrouwen als de mannen waren er verbaasd over om zo'n gespierde buitenlander te zien die geen gele huid en geen amandelvormige ogen had, en wilden hem beter beschouwen! De kinderen, integendeel, werden door zijn aspect gevreesd en beschermden zich achter de jurken van hun moeders. In die occasie had Abel gemerkt dat hun kleding fijn genaaid was, en met geestdriftige kleuren, dus, zoals gewoonlijk bij hem en zijn handelshersenen, had hij zich fantastische winsten voorgesteld als hij die confectie aan de andere Europeze landen had verkocht; niettemin, voordat hij met zijn gemene verhandelingen kon beginnen, was een jonge vrouw onverwacht geärriveerd die zich tussen de nieuwaangekomene en haar volk had gesteld.
"Belanda?"
Zijn verkeerd uitgesproken naam trok hem van zijn herinneringen uit: die stem kende hij al lang, precies gezegd sinds zijn eerste Indonesische rondgang. Voor zijn ogen, in de donkerheid, met haar voeten in het koele water, stond de eigenares van die archipel. Een fakkel in haar linke hand houdend, knipte zij haar bruine ogen uit om het vreemde figuur te kunnen herkennen. Ja, dacht Nederland, dat was de meid met die hij sommige jaren geleden kennis had gemaakt, die ene die hem in haar huis had uitgenodigd om te weten wie hij was en wat hij zocht. Allebei hadden samen gedineerd met een schaal rijst met kokosmelk. De buitengewone smaak van dat gerecht en het intense parfum van wierook stimuleerden de conversatie tussen het meisje en de Hollander.
"Hallo, Indonesië. Hoe maak je het?"
De Indonesische trok haar rok een beetje hoger zodat zij nu haar knieën toonde, en glimlachte schalks. Ze was hun eerste ontmoeting niet vergeten. Na zich te hebben verzadigd hadden de twee op kussens gezeten en met elkaar gepraat. Hij zag er werkelijk aantrekkelijk uit voor haar, zo veel dat ze ongecontrolleerd had aangevangen om naast hem te dansen, een oude traditie van haar natie. Ja, zij had voor hem gedanst, om haar mooiheid te wijzen, om de essentie van haar bevolking en haar ik te representeren, om hem tevreden te stellen. Aan zo'n schone man had zij graag haar maagdelijkheid geschenkt.
"Heel goed, Abel." antwoorde zij, haar zwarte pony achteruit met een haarspeld opstekend. "Wat een eer om u weer te zien. Uw laatste bezoek was—"
"Ja, ja, ik weet het." onderbrak haar de Europeaan. "Ik ben in de laatste tijd niet bijzonder aanwezig geweest. Hoe loopt het productieniveau? Naaien jouw vrouwen de batik- en ikatstoffen door voor mijn vertegenwoordigers?"
"Tuurlijk, wat voor een vraag is dat!" brulde de Aziatische uit. De pluraliteit van haar eilanden had haar karakter gemodelleerd zodat haar humeur bruusk wisselvallig was, bijna schizofreen. "Denkt u misschien dat ik mijn taken niet ernstig neem?"
"Durf het toch niet mij aan te spreken met zo'n toon, kleintje!"
De zwarthaarige boog bibberend haar hoofd voor hem. "Vergeeft u me, Nederland, vergeeft u me! Ik was onbeschaamd! Ik meende alleen dat ik de condities van onze afspraak blijf respecteren!" Zij vouwde de handen voor haar borst. "Het is een groote eer voor mij om uw colonie te zijn..." fluisterde ze, de gedachtenissen van hun hete nacht in haar geest draaikolkend.
"Één van zijn colonies jij wil zeggen."
Een derde stem echode in de streek, een andere stem die voor de vierentwintigjarige niet onbekend was – Indonesiës jongere zuster, Malesië, kwam de beiden tegemoet. Haar linke oog door de pony verborgen, de rest van haar zwarte haar op beide schouders, stelde zich bij de andere vrouw. Deze nieuwverschenene leek hartstikke op de oudere zus, het enige verschil was dat haar ogen niet bruin maar grijs waren en dat zij een moedervlek op de neus had. Met haar jonge leeftijd was ze een echte feestvierdster en warhoofd, die zo dikwijls mogelijk grootschalig fêteerde en gedurende haar festivals adoreerde om gedichten en zangen voor te lezen.
"Malaysia! Wat doe je hier?" verweet haar de bruinogige.
"Is dat misschien verbiedt, zuster?" antwoorde de andere in haar rammelende Nederlands.
"Zoals ik kan horen, heb je nog niet geleerd hoe man correct Nederlands spreekt..." commenteerde Abel, bitter. Hij had meermaals geprobeerd om haar de Nederlandse grammatica en taal te verklaren, maar ze had er geen interesse in getoond – hij wist niet of ze gewoon veel te lui was, maar op geen manier was hij in staat geweest om in haar gebied scholen op te bouwen. Voor haar was waarschijnlijk het studeren niet zo belangrijk.
"Oh, maar Belanda... jij heb geleerd betekendere zaken aan mij..." glimlachte zij.
Na Indonesië door zijn liefdevolle attenties te hebben overtuigd om haar uitstekende stoffen naar Europa te mogen brengen, was Abel naar buiten gegaan, halfnaakt, om met een joint uit te rusten. Dat had hij altijd gedaan, met al zijn bedpartners. En precies daar, voor de deur van Indonesiës huis, was hem de jongere meid tegengekomen. Ze hield een kistje fruiten in haar handen en zodra haar ogen de vreemde man hadden gekenmerkt, had ze alles laten vallen. De Hollander, die al een weinig stoned was, had gespotlacht en haar een handje geholpen met het ophalen; toen het meisje zich had gebogen om haar eten in het kistje te herleggen, had hij maar haar pony van haar linke oog verplaatst en haar een kus op de lippen gegeven. Binnenkort hadden zich beiden in het foreest bevonden en onder de grote bladeren van een palm sex gehad.
"Je hebt mijn vraag niet beantwoord. Wat doe je hier?" herhaalde de oudere.
"Ik heb gezien bekende schepen aan de kust, met zijn vlag." vermeldde Malesië. "En dan ik heb gehoord dat jij spreekte Nederlands. En jij spreek Nederlands alleen als hij is hier."
Ja, anders dan in Nieuw-Nederland en Nieuw-Holland, waar de gecoloniseerden geen grote problemen stelden om Nederlands te spreken, wilden de volkeren in Azië hun moedertalen niet vergeten. Iedereen leerde vlijtig – of tenminste met goede wil – de taal van de nieuwe bezitter, nochtans gebruikte men ze slechts op markten, in de administratie of in de wetenschap, niet op straat of thuis.
"Wilde je met mij praten, Mal?" vroeg de asblondman benieuwd.
"Jawel, Holland. Ik heb iets te aanbieden waarin je kan zijn geïnteresseerd, misschien." stelde de grijsogige voor, een zakje uit haar handtas halend. Een groen poedertje lag erin, dat Abel nooit had gezien.
"Wat zou dat moeten zijn?"
"Teh. Iets te drinken. Wij drinken dat elke dag. Het is goed!", legde ze uit, het zakje in Nederlands hand neerzettend. "Ook de geur is goed. Probeer eens!"
"Thee...?" mompelde hij, het groene ding beschouwend. Hij liet sommige kruimeltjes op zijn hand glijden. Met een preciezere observatie merkte hij op dat ze niets meer dan gehakte bladeren waren; maar de geur van die plant had hij nooit geroken. "Zoiets hebben we in Europa niet."
"Inderdaad."
Nederland kruiste de armen voor zijn borst en keek meditatief naar de bodem. Zou dat een goede business hebben kunnen zijn? Zouden de Europeanen zo'n drankje hebben willen kopen? En trouwens, hoe bereidde men dat toe? Waarschijnlijk zoals de koffie, dacht hij, met wat warm water. Hij herinnerde zich de woorden van zijn zustertje wat het koffiegebrek in Nederland aanging: dit 'thee', zoals zijn colonie het had genoemd, zou de oplossing hebben kunnen zijn.
"Zeg, wat wil je in ruil voor dit mengsel?"
"Niets extraordinair, meester. Een opslag. En iets meer kaas."
"Meer kaas?" Nederland fronste de wenkbrouwen. "Waartoe?"
"Wel..." zei het meisje zenuwachtig, "...mijn vriend is er dol op."
"Nog weer met die Tim-Tim, hè?" klaagde Indonesië. "Ik snap gewoon niet hoe jullie samen kunnen zijn, hij spreekt niet eens je taal, of Nederlands!"
"Liefde gaat boven zulke kleinheiden!"
"Tim-Tim? Ken ik eens die jongen?" interesseerde zich Abel ervoor.
"Het is een lang geschiedenis..." antwoorde Malesië, met haar vingers spelend.
"Laten we er maar naar luisteren." stelde de westerling vast; maar voordat hij de mogelijkheid aan de meid gaf om haar verhaal te vertellen, ging hij kort naar zijn bemanning terug – hij gelastte dat de helft van zijn zeemannen dadelijk naar Rotterdam terugvoer met de theekassen die al lang door het Aziatische land waren voorbereid.
"Ik heb gemaakt kennis met hem ongeveer een week geleden..." ving ze eindelijk aan. "In die nacht ik kon niet slapen en zo ik besluitte om een eindje te lopen met de hoop dat ik ben dan moe genoeg..." Ze draaide zich deels om; ze wilde sich verbergen, daar ze geen moed genoeg had om het geheel zonder de minste schaamte te zeggen. "Ik dacht niet dat ik was zo ver gegaan... ik was ten slotte in een terrein dat ik kende niet. Hij— hij zat op het strand met een andere vrouw. Een vrouw met lang, donkerbruin haar."
"Een andere Aziatische, neem ik aan."
"Nee, meester. Dankzij het maanlicht ik zag haar gezicht, en ook al ze had een lang litteken—"
Toen Abel díe woorden hoorde, sprong hij met wijdgeöpende ogen op: hij kende alleen één persoon die geen Aziaat was, die een litteken aan het gezicht had en naar het gele continent zou varen... Portugal! Hij greep Malesië aan beide armen met zijn hele kracht.
"Waar, waar is die plaats? Breng me ernaartoe, thans!"
"Maar, meester, mijn verhaal is nog niet af en—"
"Wat zou me schelen? Doe wat ik zeg!" Hij schoof haar vooruit.
De zwarthaarige kruiste haar blik met het ene van haar zuster. Zij moest gehoorzamen, hij was te flink en hij zou beide landen probleemloos hebben kunnen vernietigen als ze zijn opdrachten hadden genegeerd. Zij zuchtte, maar nam ten einde de beslissing om hem naar het punt te leiden. Alhoewel de sterren in die nacht niet duidelijk te zien waren vanwege de talrijke wolken aan de hemel, kon de Hollander een houten bord merken waarop te lezen stond: "Timor Este – Propriedade de Portugal". Bovendien kon hij een glimp van de haven opvangen, waar er verschillende schuiten met het Portugeze schild waren. Zijn ogen vingen aan om te stralen: Portugal was daar!
"Als je zoek haar, ze is er niet meer..."
Holland schudde het hoofd: "Wat?"
"Timor zegde mij dat ze wilde nog verder gaan, dat zij had enkele verhandelingen te regelen met Japan..."
"Japan...?" herhaalde Nederland afgestompt. "Ik ken dit land niet. Waar ligt dit ergens?"
"Nog oostelijker dan hier. Tegenover China."
"Ik moet haar bereiken." sprak Abel voor zichzelf. "Zo'n kans kan ik niet missen."
"B-Belanda?"
Hij wierp haar een superioriteitsblik. "Mijn mannen gaan jouw kaas binnen drie maanden lieveren. Ik zal je laten weten of ik meerdere theebladeren nodig heb, of niet."
Holland stak een joint in zijn mond en stapte naar zijn bivak terug, zonder de goedenacht aan zijn beide colonies te wensen. Het was nu onmogelijk om meteen uit te varen, dus bewoog hij naar bed; maar hij beloofde zich dat hij volgende ochtend op zoek naar Portugal zou gaan.
