Mijn hele lichaam verstijfde, ik wou me omdraaien om hem beter te bekijken, maar mijn spieren hielden me tegen. Ik deed mijn mond open en hoopte dat mijn stem me niet zou verraden. "Ik ben onder de indruk, nog nooit heb ik een zaal als dit mogen aanschouwen." De stem grinnikte en ik was verbaasd door zo'n menselijke reactie. "Ik ben altijd zeer trots geweest op deze prachtige zaal, jammer dat zo weinig mensen hem kunnen aanschouwen."

"Dan ben ik blij om tot die weinig mensen te mogen behoren."

Opnieuw maakte de stem een geluid dat deed denken aan een lach. "Ik mag jou wel, dappere elfen vrouw, vertel mij wat over jezelf. Het is eeuwen geleden sinds ik voor het laatst een elf gesproken heb, de andere elfen waren al dood voor ik aankwam. Een schande, ze behoren tot de meest interessante wezens die rondlopen op Midden-Aarde."

Mijn gedachten schoten razendsnel door mijn hoofd. Dit was niet zomaar een gesprek, hij wou mij bang maken, zijn macht laten doorklinken en tonen wie hier de touwtjes in handen had. Het was een slecht idee om Sauron boos te krijgen, maar ik was niet van plan om zijn spel volledig volgens zijn regels te spelen. "Ik zal je moeten teleurstellen, ik ben maar een halve elf. Half elf, half mens, uniek in mijn soort."

"Interessant… Vertel over jouw unieke soort, elfen vrouw."

"Mijn vader was een man, mijn moeder een elf. Mijn vader stierf op het slagveld, mijn moeder liet haar leven ontglippen in het kraambed, vastbesloten om haar liefde terug te zien. Daarbij liet ze mij achter. Ik ben opgegroeid in Rivendell onder de vleugels van Heer Elrond. Daar zal ik hem eeuwig dankbaar voor zijn."

De stem verplaatste zich nu achter mij, alsof de vorm heen en weer liep. Nog steeds keek ik naar de troon en niet naar de richting van de stem.

"Ah, Heer Elrond, altijd de goedheid zelf. Hij was natuurlijk bezorgd om jou, een arm elfenkind zonder ouders. Zag hij jouw toekomst? Zag hij wat er van jou zou worden en was hij bezorgd? Of was hij niet meer dan een zorgzame vader? Wie zal het zeggen? Tenzij… Jij het antwoord weet. Want vertel mij, wat doet een schone elfenvrouw aangespoeld en alleen op het strand. Welke waanzin dreef jou naar daar? De waarheid? Of niet meer dan een ongeluk? Ik geloof niet in toeval… De wereld is te doordacht en toeval is iets wat uitgevonden is om te verklaren wat mensen niet willen inzien."

Ik was omvergeblazen door zijn scherpheid en kon niet op mijn woorden komen.

"Je tong verloren, kleine elfenvrouw?"

"Maakt het uit waar ik vandaan kom of hoe ik hier geraakt ben? Maakt mijn verleden mijn heden?"

Opnieuw lachte hij zachtjes. "Je standvastigheid is opmerkelijk. Draai je om, scherpe elfenvrouw, draai je om en bekijk het gezicht van de man die door jouw soort verafschuwt wordt."

Traag draaide ik me om en hield mijn ogen op de grond gericht. Maar ik was te nieuwsgierig en hief mijn gezicht op om recht in de ogen van Sauron te kijken. Hij was niets van wat ik me voorgesteld had. Hij had een bijna menselijke gedaante, hij was groter dan mij en zijn huid was verrassend licht. Zijn kleren waren zwart en simpel. Een donkere mantel viel over zijn schouders en zijn haar was pikzwart en viel warrig naar beneden. Hij leek oud en toch jong, alsof leeftijd niet bestaande was op zijn lichaam. Hij was gespierd, maar had iets elegants over hem. Zijn handen leken zacht en aan zijn ene hand ontbrak een vinger. Als ik niet geweten had wie hij was, zou ik hem bijna knap genoemd hebben. Als zijn karakter niet bekend geweest was, zouden velen gevallen zijn voor zo'n schoonheid. Ik probeerde mijn mond niet te laten open vallen en ik kon alleen maar fluisteren. "Ik ben uniek in mijn soort, verlaag mij niet tot uitspraken die ik nooit beweert heb. De elfen zien jouw voor de daden die jij gepleegd hebt en ik kan het hen niet kwalijk nemen. Is het niet de daden die de persoon maken, want het uiterlijk is niet meer dan de lucht die de aarde omhult."

"Je intrigeert me elfen vrouw, maar ik weet nog steeds je naam niet. Vertel mij, hoe mag ik jou aanspreken. Waarschijnlijk vindt jij een naam niet meer dan een naam, toch zou ik het aangenamer vinden als ik je kon aanspreken."

"Mijn naam is Meldainiel, zo ben ik door mijn moeder genoemd en dat is de naam die ik zal dragen tot mijn laatste ademteug in deze wereld."

"Ah geliefde engel, prachtig denk je niet. Hoewel ik liever Morgenster verkies. Ken je de Morgenster, kleine engel?"

Ik knikte, ik had vele nachten de sterren bestudeert en mijn kennis was uitgebreid op dat vlak. "Ook wel Venus genoemd, de schone godin, beschermster van tuinen en later versmolten met Aphrodite. Godin van de liefde en de schoonheid."

Sauron knikte goedkeurend, hij leek tevreden over mijn kennis. "Doet Morgenster je nog aan iets anders denken, kleine engel?"

Ik fronste en probeerde iets te linken aan Morgenster, maar vond niets anders. Hij leek een binnenpretje te hebben en opnieuw was ik verbaasd door zoiets menselijks.

"Je lijkt altijd zo geschokt als ik lach, kleine engel. Dacht je dat de Duistere Heer geen humor had? Of denk je dat ik alleen moet lachen wanneer ik het bloed van mijn vijanden laat lopen?"

Ik schudde snel mijn hoofd. "Nee, Mijn Heer, ik had niet verwacht dat zoiets jou kan amuseren."

Bij die zin trok er een plotse donkere wolk over zijn gezicht, ik schrok en vroeg me af wat ik verkeerd gezegd had. Hij draaide zich abrupt om en beende van mij weg. Zijn handen trilden en hij leek woedend ook al wist ik niet waarom. "Mijn dienaar zal je terug brengen naar je vertrekken. Ik hoop dat alles naar wens is." Zijn zin leek niet op een vraag, maar eerder op een bevel. Ik mompelde een bevestigend antwoord en wandelde snel terug naar de grote deur. Voor ik naar buiten ging, keek ik nog snel om en zag hoe zijn gezicht in profiel woedend naar de muur staarde. Snel stapte ik de gang in en de dienaar die mij daarnet ook gebracht had, leidde mij terug naar mijn vertrekken. Deze keer kwamen we wel mensen tegen en de blikken die ze mij toe wierpen, deden mij huiveren. Voor het eerst sprak de dienaar van Sauron. "Ze zullen je niets doen, je staat onder de Duistere Heer zijn bescherming, veiliger kan je hier niet zijn." Veiliger kan je hier niet zijn. Het enige wat mij hier in leven houdt is Sauron zijn wil en aangezien ik hem net woedend gemaakt heb, heb ik net met mijn eigen leven gespeeld. Ik herkende mijn vertrekken en trok snel de deur achter mij dicht. Ik zag geen bewakers buiten en ik hoopte dat niemand mijn kamer zomaar kan binnen wandelen. Nu pas besefte ik dat ik stond te trillen op mijn benen, verward ging ik op bed zitten en ik probeerde alles te verwerken wat ik net gehoord had. Vooral de laatste zin die ik gezegd had, bleef in mijn hoofd door ratelen.

"Nee, Mijn Heer, ik had niet verwacht dat zoiets jou kan amuseren."

Was hij woedend geworden om het feit dat ik verbaasd was dat hij humor had, dat leek mij onwaarschijnlijk, want ik had hem al meerdere keren verbaasd met mijn uitspraken. Die hadden hem elke keer weer geamuseerd en hij leek nooit beledigd door mijn woorden. Toch was het deze keer anders en ik begreep niet waarom. Ik hoopte dat hij me nog eens mijn gezelschap zou eisen zodat ik mijn excuses kon aanbieden. Hij mag dan wel de Duistere Heer van Mordor zijn, ik was nog steeds een wel opgevoede elf en als er één iets was dat ik nooit zou verliezen, dan was het wel mijn manieren en moralen. Zonder dat, kan iemand snel vergeten waar zijn plaats is.

Uitgeput door de gebeurtenissen en de angst, viel ik als een blok in slaap op mijn bed. Mijn gewaad had ik nog aan en zelf mijn schoenen had ik niet uitgedaan. Ik was te moe om mij over zoiets zorgen te maken.

Uren later werd ik wakker en besefte dat iemand een deken over mij heen had gelegd. Ik gokte op Vesta en keek rond of ik haar ergens kon zien. Ze was nergens te bespeuren, maar ze had wel een plaat vol eten achter gelaten. Pas dan besefte ik dat ik uitgehongerd was en dat ik sinds de reis niets meer gegeten had. In Mordor was het moeilijk dagen van elkaar te onderscheiden aangezien de zon bijna nooit te zien was, maar ik gokte dat het minstens een dag geleden was sinds ik voor het laatst gegeten had. Als een uitgehongerd dier viel ik aan. Verschillende soorten fruit en groeten lagen op mijn bord en zelfs kazen en vijgen. Ik had geen flauw idee waar dit allemaal vandaan kwam. Natuurlijk moest iedereen hier eten, maar ik gokte eerder op flauwe groenten en rauw vlees doorgespoeld met bitter bier. Het eten was verrassen goed en ik genoot van de sappige vruchten die ik met veel smaak opat. Na mijn eten stond ik op en liep wat door de kamer. Ik zou me hier al snel vervelen als ik hele dagen hier zou zitten zonder enige vorm van afleiding. Ik keek naar de boekenkast en liet mijn vingers over de ruggen van de boeken glijden. Sprookjes, mythes en legendes. De persoon die deze kamer ingericht heeft, was duidelijk fan van oude verhalen. Ik nam een oud boek en sloeg de pagina om. Theogania. Het was een bekend werk en ik had het vele jaren geleden eens gelezen. Het vertelt het ontstaan van de wereld, maar in een andere versie. Eerst was er alleen chaos, een zwarte afgrond met zwarte nevel en wolken. Daaruit ontstond de aarde, de donkere afgrond onder de aarde en de liefde. Ook de aarde maakte nog 3 andere dingen. Bergen, de hemel en de zee. Bij de verbinding van de hemel en de zee ontstonden de allereerste elfen. Uit de bergen ontstonden de dwergen en de reuzen, die vochten vele jaren in oorlog met elkaar. Tot de reuzen zich terug trokken en uit het bloed dat door beide volkeren verspild was, ontstonden de eerste mensen. Uit het vuur van de zon ontstonden de draken en over de wereld verspreiden zich de verschillende volkeren.

Als kind had ik het graag gelezen, de aarde was toen iets groots en niet te vatten iets. Het is verrassend hoe snel dingen kunnen veranderen.

Ik werd opgeschrikt uit mijn gedachten door Vesta die de kamer binnen kwam. "De Duistere Heer verwacht je." Ik zuchtte, zijn woede van de vorige dag was dus al gaan liggen. Deze keer was het Vesta die mij bracht en al snel had ik door dat we een andere kant op gingen dan de weg naar de troonzaal. Ze stopte bij een deur en wees ernaar. Ik knikte en duwde de deur open. Deze kamer was niets speciaals en het enige dat opviel was een grote eiken tafel in het midden die uitgesneden was in de vorm van de kaart van Midden-Aarde. Ik liep er op af en streek met mijn handen over het blad.

"Staat het je aan?"

Hij was hier dus ook. Dit was de tweede keer dat hij het gesprek begon met een vraag of ik iets mooi vond.

"Een fijn staaltje handwerk."

"Een welkomgeschenk van mijn ringdragers. Vele jaren zijn vervlogen sinds ik voor het laatst in Mordor was, het is in betere staat dan ik het achtergelaten had."

Mijn nieuwsgierigheid was geprikkeld en ik kon het niet laten om door te vragen. "Je bent nog maar net in Mordor?"

"Ja mijn kleine elfenvrouw, ik verbleef in Dol Guldor tot mijn krachten sterk genoeg waren om terug te gaan naar de plaats waar ik thuis hoor. Hier, bij mijn snel groeiende strijdkrachten. Maar ik heb je niet laten komen om mijn geschiedenis te vertellen." Hij stapte in het licht van de kaarsen en zijn lichte ogen keken doordringend naar mij. Ze hadden een lichte grauw kleur en pasten bij zijn huid. Hij gebaarde dat ik dichter moest komen naar de andere kant van de tafel. Hij wees naar een grote berg die in een vlak landschap naar boven stak. "Ken je deze berg?" Ik schudde mijn hoofd, ik wist niet veel over de verschillende gebieden van Midden-Aarde. "Hij wordt de Eenzame Berg genoemd, omwille van zijn ligging. Op dit moment leeft er een draak binnen in, de laatste van zijn soort. Hij bewaakt een gigantische schat, maar dat is niet de reden waarom ik in deze berg geïnteresseerd ben. Weet jij waarom, scherpe engel?"

Zijn uitbarsting leek hij vergeten te zijn en ik durfde mijn mond wat meer open te doen. Mijn hoofd schreeuwde nog steeds dat ik voorzichtig moest zijn, maar ik was op de gevaarlijkste plek met de gevaarlijkste heer van Midden-Aarde die oprecht nieuwsgierig leek in mij. Wat kon er verkeerd gaan?

"De ligging, het is een perfecte uitvalbasis vanuit het noorden voor wie het gebied wil controleren."

Hij glimlachte en knikte tevreden. "Zeer juist, hoe zou jij deze berg veroveren, wetend dat er een draak op rust?"

Ik dacht hier even over na. Hoeveel man je ook zou gebruiken, een draak had altijd het voordeel van de twijfel en dankzij de beschutting van de berg zou een belegging onmogelijk zijn. Er is maar 1 manier om dit op te lossen.

"Lok de draak naar buiten, wek zijn interesse op en zorg dat hij de berg onbeschermd achter laat. Met een grote strijdkracht kan je hem neer halen én tegelijk de berg terug veroveren."

Ik wist dat ik krijgsadvies aan het geven was aan de duister heer van Mordor, maar het leek mij onmogelijk dat hij deze strategie ook echt zou gebruiken. Hij zou waarschijnlijk op een beter plan komen dan het mijne.

Wist ik toen maar, wat ik nu weet.

"Ze zeggen dat elfen intelligente wezens zijn, ik zou dat niet beweren, maar jij doet me twijfelen. Ik had niets anders verwacht van jou, Meldainiel."

Het was de eerste keer dat hij mijn naam uitsprak en het deed een rilling over mijn rug lopen. Het was geen onaangenaam gevoel, eerder onverwachts. Ik was zijn uitbarsting van gisteren al vergeten en waagde me verder dan de onzichtbare lijn.

"En hoe mag ik jou dan noemen, mijn heer?"

Opnieuw flitst woede over zijn gezicht. Zijn stem klonk opeens dreigend en beangstigend en het werd plots ijskoud in de kamer. "Weet je waarom je mij woede laat voelen, elfenvrouw?"

Ik schudde snel mijn hoofd en kromp lichtjes in elkaar.

"Dit is de tweede keer dat je mij jouw heer noemt. Ben ik jouw heer, Meldainiel? Ben ik jouw heerser? Als ik je vraag om te knielen voor mij, volg je dan mijn bevel op?"

Mijn naam klonk veel duisterder in zijn honende stem.

"Kniel."

Ik verstijfde nu helemaal van angst en mijn gedachten schoten alle kanten op. Ik had twee opties en alle twee jaagden ze me de stuipen op het lijf.

"Ik vraag het niet nog eens, KNIEL."

Ik had niets liever gedaan dan knielen, maar mijn benen weigerden te bewegen, net als mijn hoofd. Ik zou nooit knielen voor iemand waar ik niet achter sta, al kostte het mijn leven.

"Nee."

"Nee?"

"Ik kniel niet voor iemand die zich alleen als leider kan tonen door zijn onderdanen te laten buigen. Jij bent ouder en wijzer dan mij, maar dat maakt mij niet ondergeschikt aan jou. Een ware leider vraagt zijn volk om naast hem te staan, niet onder hem. Het volk vraagt om samen te leiden, niet om geleid te worden. Voor zo'n mensen zal ik nooit buigen, al breek je mijn beide knieën."

Een zware stilte viel tussen Sauron en mij. Ik slikte luid en voelde mijn handen beven, maar ik hield mijn ogen op hem gericht. Ik zag hoe zijn ogen op zoek waren naar angst in mijn houding, maar hij zou er geen vinden. Na een paar lange en beladen minuten doorbrak hij de stilte.

"Je blijft me verrassen, kleine engel, dit is voorlopig het enige wat jou in leven houdt. Maar maak je geen zorgen, ik ben nog lang niet uitgespeeld met jou. Mijn kleine vogel zal blijven vrij vliegen in haar gouden kooi. Kom." Hij gebaarde mij hem te volgen en met lamme benen volgde ik hem. Ik had moeite met slikken en ik probeerde rustig te ademen. Ik volgde hem door een aantal deuren en een lange trappenhal naar beneden. De temperatuur steeg en ik had een duister vermoeden waar we naartoe gingen. We waren binnen getreden in de diepe kerkers van Mount Doom. Ik zag verschillende deuren naast elkaar en mijn vermoeden werd werkelijkheid, hier houdt Sauron zijn gevangenen, onder het helse vuur van een vulkaan. Hij ging me voor en stopte bij de laatste deur. Daar aangekomen hield hij de deur voor me open en volgde mij naar binnen. Ik hapte naar adem bij het beeld dat ik voor me zag. Een man zat bebloed en blauw op een stoel vastgebonden. Hij leek amper te ademen en voor een seconde dacht ik dat hij dood was. 2 Orcs stonden rond hem en beiden hadden een wapen in hun handen. De man werd duidelijk gemarteld. Zijn beide ogen waren opgezwollen en zijn handen waren bloederig vastgebonden. Over zijn hele lichaam waren wonden te zien. In de hoek van de kamer stond een kille aanwezigheid die ik herkende van bij mijn aankomst in Mordor. Een Nazgul. Saurons stem klonk emotieloos naast mij. "Dit gebeurt met mannen die niet knielen voor mij. Hij had het oppergezag over een bataljon Orcs. Slimme man, misschien iets te slim. Hij dacht beter te zijn en besloot om tegen mijn orders gebieden aan te vallen. Ik verloor veel manschappen en vele gebieden zijn nu gewaarschuwd door zijn ondoordachte praktijken. Ik liet hem voor mijn troon slepen en vroeg hem slechts 1 ding. Ik vroeg hem om te knielen voor mij. Zijn loyaliteit bewijzen. Dat deed hij, zonder twijfel. Een man die mijn orders negeerde en toch knielde voor mij, zo'n mannen kan ik niet vertrouwen. Mijn macht steunt op de waarheid, anders zakt alles als een kaartenhuisje in elkaar. Zoals je ziet, boet deze man voor zijn daden.

Ik kon niet kijken en hield mijn ogen strak op de grond gericht. Een traan rolde over mijn wang en de druppel zout viel op de grond die besmeurd was met bloed. Dit was een man in dienst van het kwaad, maar hij bleef nog altijd een man. Iemand die pijn en leed kan voelen en niemand verdient zoiets. Welke daden hij ook gedaan had. Ik sprak geen woord en ik hoorde hoe de Nazgul een snelle woordwisseling met Sauron had.

Ik wou vertrekken en lopen, maar ik wist niet waar mijn voeten mij heen zouden brengen. Met een handgebaar duwde Sauron mij de gang op en we liepen weg van de gruwel ik net aanschouwd had.

"Je bent geschokt." Hij stelde het niet als een vraag.

"Verbaasd dat je?" Mijn bitterheid droop van mijn woorden af.

"Nee."

"Ik hoef je niet te vertellen wat ik hierover vindt, want dat weet je al. Je hebt me hierheen gebracht met het idee al in je hoofd wat ik ervan zou vinden. Misschien zie ik je nu pas als de man die je echt bent."

We zwegen beiden, ik wou dat ik wist wat er in zijn hoofd omging, maar ik wist het van mezelf al niet. We bleven staan aan deur die naar mijn vertrek leidde.

"Ik wou dat ik kon zeggen dat het me speet, maar dat het spijt me niet. Vergeet nooit, maar dan ook nooit wie ik ben, kleine engel. Zie me niet als iemand die ik niet kan zijn. Noem me bij geen naam die ik niet kan zijn."

Ik stond met mijn gezicht naar de deur gedraaid en weigerde hem aan te kijken. "En wat over de namen die je ooit was, het verleden is een schaduw, alleen zichtbaar door het licht."

"Hoe zou je mij dan noemen, kleine engel?"

"Ik noem je Mairon, zoals je vroeger genoemd werd door de Valar, Mairon de bewonderswaardige. Op deze levende aarde noem alleen ik je nog zo. Laat het een herinnering zijn aan de dingen die jij ooit gecreëerd hebt en de handen die meer kunnen dan alleen verwoesten. Ik hoop dat je nooit vergeet wie je eerst was."

"Mairon is al lang dood."

"Dat maakt zijn herinnering er niet minder levend op."

Een rustige stilte viel over hen beiden.

"Goede nacht Meldainiel, mogen je dromen beter zijn dan je realiteit

En met die woorden liet hij mij achter aan de deur.

Ik lag in bed met mijn ogen wijd open. Hij had gevraagd om hem niet anders te zien dan de persoon die hij echt is. Ik zag hem niet anders, niet minder dan het monster dat binnen in hem school. Maar ik zag ook zijn menselijkheid, ik zag hoe hij herinnerd werd aan zijn vroegere leven door mijn gezelschap. Ik had hem getoond hoe het was om meer te zijn dan een duistere heer met een leger aan hersenloze slaven. Hij moet beseft hebben dat mijn invloed groot was op hem, hij werd bang van de goedheid van mijn hart en hij besloot die goedheid te raken. Het tafereel dat voor mijn ogen geduwd werd, was een waarschuwing. Kijk en vergeet niet wie ik werkelijk ben. Zie mij als de vernietiger van Midden-Aarde en de meester van de ene ring. De oorsprong van al het kwaad op deze wereld. En ik wou dat ik hem alleen zo kon zien, maar dat kon ik niet meer. Hij leek op iemand die nog te redden viel. Iemand die diep vanbinnen nog een kloppend hart had. Als ik dat hart terug vond en van zijn eigen duisternis bevrijde, wie weet wat er dan met Sauron zou gebeuren. Elrond zei dat ik nog een rol had in de opkomende oorlog. Wat als dit mijn rol was, wat als ik de heerser van al het kwaad kon verslaan door simpel weg hem te herinneren aan de persoon die hij ooit was. Het leek een onmogelijke taak, maar ik was al verder geraakt dan wie dan ook. Misschien was ik niet zomaar in Mordor terecht gekomen. Ik had geen flauw idee hoe ik dit moest aanpakken, maar ik was bereid ervoor te vechten. Ik was bereid te vechten voor de ziel van Sauron.

Ik was al gewassen en aangekleed toen Vesta binnenkwam. Ze liep half gebukt en ik zag dat ze verschillende gewaden voorzichtig naar binnen droeg. Ik trok een wenkbrauw op en keek haar vragend aan. Ze glimlachte en gebaarde naar buiten. "De rest staat daar, je bent duidelijk in goede aarde gevallen bij mijn meester." Ik keek de hoek om en zag nog een paar kisten staan. Ze waren loodzwaar en het duurde even voor we ze allemaal naar binnen hadden gebracht. Nieuwsgierig deed ik de deksels open en ontdekte verschillende kleine schatten. De ene kist bevatte verschillende boeken, de andere nog een paar gewaden met bijpassende juwelen en nog een andere bevatte schoenen. Ik was altijd een sober iemand geweest, ik haatte gewaden die opvielen en ik weigerde altijd de mooiste jurken. Maar dit waren prachtige en vooral subtiel gewaden. Het soort kleren die je pas goed zag als je er even naar keek. Ook de bijpassende juwelen waren onopvallend, maar ook schitterend. Ik trok mijn oud gewaad uit dat ondertussen al een laagje vuil gekregen had en verwisselde het met een licht crèmekleurige jurk. Het liet mijn schouders bloot en viel met iets wijdere mouwen over mijn armen. Het sloot aaneen aan mijn taille en viel naar beneden tot aan mijn enkels in een lichte boog. De ketting die erbij paste was een gouden smalle draad met daaraan een teken in de vorm van een zandloper. Ik liet het rusten tussen mijn beide sleutelbenen en glimlachte naar mezelf in de spiegel. Ik wist diep vanbinnen dat dit vergiftigde geschenken waren, maar op dat moment vergat ik alles. Voor het eerst in mijn elfenleven voelde ik me mooi en ik zag mezelf eindelijk als de schoonheid die ik was. Mijn bruine ogen schitterden en mijn lichte haar gloeide op door het kleur van mijn jurk. Ook Vesta keek lachend en goedkeurend toe. De hele dag lang ging ik door mijn nieuwe spullen en wachtte geduldig tot ik weer ontboden zou worden. Dat gebeurde niet, de avond viel en daarop volgde de nacht. Ik ging slapen met een vreemd gevoel in mijn buik. Ook de tweede dag kwam er niemand, ik kreeg mijn eten op tijd, maar niemand kwam mij halen. De derde dag liep ik ijsberend door mijn kamer, hij kon me niet vergeten zijn. Was hij woedend of was hij mij simpelweg beu? Dat idee deed me meer pijn dan het zou moeten. Zou ik uiteindelijk eindigen in een kerker? Vergeten door allen, alleen wegrottend? Pas op het einde van de derde dag kwam iemand mij eindelijk halen. Ik ging hem voor en liep sneller dan normaal. Mijn geduld was op en ik haatte het om te wachten. Dit opgesloten zijn was niets voor mij, het maakte me onrustig.

Het was de troonzaal waar ik de eerste keer was, waar ik ontboden werd. Ik duwde de zware deuren op en liep zelfzeker naar voren. Ik stopte abrupt toen ik zag dat ik niet alleen was. Op zijn troon zat Sauron, maar hij leek dreigender en donkerder dan ik hem ooit gezien had. Minder menselijk vooral. Voor hem stonden 3 Nazgul ruiters, een paar orcs en ik herkende de groep van Orion die mij naar Mordor gebracht had.

Een man in het midden die op een boodschapper leek was aan het woord. "Ze zijn al aangekomen in Meerstad, Mijn Heer, ze zijn ontsnapt uit de elfen kerkers en wij konden hen niet vermoorden, de elfen waren met te veel. 1 van hen is wel verwond, hij zal het niet lang uithouden."

Saurons stem bulderde door de zaal. "50 orcs tegen een paar elfen en toch lukt het jullie niet om een handvol dwergen weg te werken."

Een orc kwam nu naar voren. "We hebben nog genoeg kansen, ze zullen die berg nooit levend bereiken."

Sauron maande hem tot stilte en leunde achterover op zijn troon. "Nee, verandering van plan. Laat die dwergen, met een beetje geluk lukt het hen om die berg te bereiken en de draak te verslaan. Hoe ze dat doen, het kan mij niet schelen. Maar zodra de eenzame berg vrij is, kunnen wij toeslaan. Waarom manschappen verspillen als we iemand anders het werk kunnen laten doen. Zorg dat alles gereed is, maar val niet aan tot mijn bevel gegeven is. Begrepen?" Iedereen knikte en de orcs bogen diep voor hun meester. Ik kon het duistere gevoel niet van mij afschudden. Dit plan leek verdacht veel op de raad die ik een paar dagen geleden gegeven had voor dezelfde Eenzame Berg. Het leek een simpel plan, maar het leek alsof Sauron er zelf nog niet was opgekomen. Het idee dat ik verantwoordelijk was voor een naderende oorlog deed mij huiveren. Ondertussen ging de vergadering verder. Sauron richtte zich eerst tot de Nazgul. "Hou de elfen in de gaten, patrouilleer op de wegen naar Rivendell. Dit is niet jullie gevecht, ik heb jullie nodig voor mijn volgende zet."

Daarna sprak hij zijn huurmoordenaars aan. "Orion, je weet jouw taak. Verpest het niet, jouw hoofd is de prijs die je zal moeten betalen. Ik vertrouw jullie, verspil dit vertrouwen niet." De mannen bogen hun hoofd en verlieten de zaal, Orion zag mij staan en stapte behoedzaam op mij af. Zachtjes sprak hij mij aan. "Meldainiel, de tijd maakt rare kronkels, vele dagen zijn verdwenen sinds ons afscheid. Als er iets is dat ik voor jou kan betekenen…"

Ik wou antwoorden, maar Sauron was mij voor. "Bedankt voor je bezorgdheid, Orion. Ik denk niet dat dit nodig zal zijn." Zijn ijzige stem verbaasde me, hij leek gericht op Orion en niet op mij. Alsof er een donkere sfeer tussen de beide mannen ging. Hij knikte mij gedag en verdween dan langs de deur waar ik binnen gekomen was. Ik was nu alleen met Sauron. Ik hoopte dat ik het snel gewend zou zijn om hem met Mairon aan te spreken.

"Je ziet eruit als een prachtige engel in deze gewaden."

Ik bloosde en wist niet direct wat te zeggen. "Engelen zijn nog nooit gezien in deze wereld."

"Wel als ik jou aanschouw."

In mijn hoofd dreunde ik aan één stuk door dezelfde boodschap. Vergeet niet wie hij is, vergeet niet wie hij is.

"Oorlog is dus op komst."

Hij leek verrast door het onderwerp. "Oorlog is een onvermijdelijk iets, het is de enige manier om vrede te verkrijgen."

"Vrede of heerschappij?" Ik beet op mijn tong, mijn woorden vielen als een waterval naar beneden en ik kon ze niet tegen houden.

"Er kan alleen vrede komen door mijn heerschappij. Vertel me, dappere engel, waarom denk jij dat ik zo graag heerschappij wil over Midden-Aarde?"

Ik was verstomd door de vraag en hij ging verder. "Het is interessant dat mensen altijd snel weten of iets goed of slecht is, maar de motieven worden altijd vergeten. Zijn het de motieven of de daden die iemand goed of slecht maken? Soms heb je slechte daden nodig om je goede motieven te verantwoorden en uit te voeren. Ik wil de heerschappij over Midden-Aarde en dat kan ik alleen verkrijgen door oorlog, tenzij iedereen zijn land zomaar opgeeft. Zodra ik alle landen in bezit heb, maak ik vrede over deze landen. Zodat Midden-Aarde nooit nog verscheurd wordt door verschillende motieven. Ik zal niet ontkennen dat ik macht wil en dat ik bereid ben heel ver te gaan voor die macht. Maar als ik vrede en rust breng, heb ik het recht om er iets voor terug te vragen."

"Door je honger naar macht breng je een duisternis over deze landen die nooit zal kunnen hersteld worden met vrede. Orcs zullen gebieden plunderen, mannen zullen sterven in de verdediging van hun land en vrouwen en kinderen zullen afgeslacht worden als beesten. Hoe kan je zoiets vrede en rust noemen."

Hij begon geïrriteerd te raken. "Dat zijn oorlogsdaden, ik wil niet dat mijn volk zo behandelt wordt."

Ik lachte honend. "Kijk om je heen. Kijk naar Mordor, dit land is verwoest door duisternis en de vuilheid van de schepsels die dit land bewonen. Net zoals geen enkele boom hier overleeft zal ook geen enkele elf of mens hier lang leven. We zijn gedoemd te sterven onder de duisternis die jij met je meebrengt."

Hij stond nu recht uit zijn troon en zijn handen trilden. Ik staarde hem strak en zonder angst aan. Ik had geen spijt van mijn woorden. Een veelzeggende stilte ging tussen ons in.

"Kom." Hij draaide zich om en verdween door een deur aan de zijkant van de zaal. Terughoudend volgde ik hem. Ik was niet helemaal op mijn gemak. Hij leidde mij door een aantal gangen en stopte bij een deur.

"Dit is een schatkamer van mij. Wees voorzichtig, dit bevat meer dan alleen goud." Hij duwde de deuren op en ik werd verblind door het licht. Honderden gouden voorwerpen blinkten op in een fel licht waarvan ik de oorsprong niet zag. Maar zoals Mairon gezegd had, was er meer dan alleen goud. Zilveren kisten, speciale voorwerpen, boeken, drankjes, het leek alsof alle magie van Midden-Aarde hier opgesloten zat. Hij leidde mij door een gangpad en stopte op een bepaalde plaats. Daar nam hij een klein onopvallend houten kistje. Het was lelijk in vergelijking met de rest, maar het intrigeerde me.

"Open het." Zijn stem was niet meer dan een fluistering. Ik nam het doosje van hem over en voelde de koelheid van zijn vingers. Het was de eerste keer dat ik hem aanraakte en het leek een ongelofelijk simpel gebaar. Toch ging er een schok door mijn lichaam. Voorzichtig opende ik het deksel en binnenin op de bodem lag een groen zaadje niet groter dan een boon. Ik keek Mairon vragend aan.

"Een cadeau lang geleden gekregen van de volkeren uit het zuiden. Een hongersnood bedreigde de landen. In ruil voor hulp gaven ze mij dit. Een zaadje van een levensboom. Een boom die overal kan leven. Hij heeft geen voedsel, water of zonlicht nodig. Alleen de liefde waarmee hij geplant is. Je hebt gelijk als je zegt dat geen boom hier kan overleven. Dit is de uitzondering."

Mijn adem stokte in mijn keel, dat verklaarde waarom hij nog niet geplant was. De liefde in Mairon zijn hart was niet sterk genoeg om de levensboom te doen groeien. Ik keek hem aan en wist dat de pijn in mijn ogen te zien was. Ik voelde alleen maar medelijden. Hij trok zijn mondhoeken triest naar boven en nam voorzichtig mijn hand vast. Ik schrok van zo'n menselijk gebaar en zachtjes leidde hij me terug naar buiten. Hij bleef mijn hand vast houden terwijl we de vele trappen naar beneden volgden. We gingen door een grote poort naar buiten en het was de eerste keer dat ik zag waar ik was van buitenaf. Mount Doom rees links van ons op en de zwarte poort van Mordor rechts. Er stonden geen bewakers voor de deur. Dat leek me ook niet nodig voor de zwarte heer van Mordor. De grond was zoals overal in dit land bedekt met as en een gewone boom zou hier nooit kunnen groeien. Mairon keek mij vragend aan en ik knikte, we zouden hem hier planten. Een boom recht voor de deur van de grootste vijand die Midden-Aarde ooit gekend heeft. Een teken naar de wereld, dat elk monster een ziel heeft. Hoe moeilijk het ook te vinden is.

"Jij moet het doen Meldainiel, de boom kan alleen groeien als het gevoed wordt met pure liefde."

Een idee kreeg vorm in mijn hoofd. Ik nam zijn hand en trok hem naast mij. Hij leek verrast door de spontane aanraking. "We doen het samen, het is tenslotte jouw boom."

"Ik betwijfel het, als ik deze boom zal zien, zal ik alleen maar jou zien, mijn kleine engel."

Ik begroef het zaadje met as en legde voorzichtig Mairons hand op de grond waaronder het verborgen lag. Ik legde mijn hand boven op de zijne. "Je moet een gevoel van liefde herinneren, anders werkt het niet."

Ik knikte, dat kon ik. Ik riep het beeld van mijn ouders op, mijn ingebeelde ouders, maar de liefde die ik voor hen voelde maakt dat er niet minder op. Een warm gevoel werd opgewekt in mijn borst en ik glimlachte.

Hij sloot zijn ogen, er was maar 1 gevoel van pure liefde dat hij bezat en het was hier aanwezig. Haar kleine en breekbare hand die rustig op zijn koude hand lag. Ze was niet bang van hem en deinsde niet terug bij zijn aanraking. Ondanks wat de meesten dachten, had hij vele gevoelens. Hij kon warmte en koude voelen, de wind en zijn eigen woede. Soms ook teleurstelling en verdriet. Gevoelens waren niet onbekend voor hem en toch werd hij verrast bij dit gevoel. Het was een tinteling die zich over zijn hele lichaam verspreidde. Hij werd warmer, maar het was een aangename warmte. Een warmte dat hij nog nooit gevoeld had. Het maakte iets wakker in hem. Een leeuw die lange tijd geslapen had. Hij wist dat de elfen vrouw een vreemd effect op hem had. Iets dat niet te verklaren viel en hij was altijd al nieuwsgierig geweest naar de invloed die zij op hem had. Maar dit was anders, dit was genegenheid voor de engel die haar hand op de zijne had gelegd. De grond begon te trillen en uit het donkere as schoot een stengel de lucht in. In een paar seconden verrees een boom uit de grauwe grond. Hij leek licht te geven op deze donkere plaats. Zijn groene bladeren schitterden en Sauron vond hem zelf mooier dan de witte boom van Gondor die hij lang geleden aanschouwd had. Hij wou omkijken naar Meldainiel, maar zij stond enkele meters van hem met een geschokte blik in haar ogen. Zijn lichaam spande zich op en zocht naar het gevaar. Het duurde even voor hij besefte dat ze geschokt was door hem. "Meldainiel…?"

"Mairon, je hand… De pure liefde."

Ik fronste en begreep niet wat ze bedoelde.

"Mijn hand lag niet meer op jouw hand." Haar hele lichaam trilde

Hij verstijfde. Het moment dat de boom tot leven kwam, lag haar hand al niet meer op de zijne. De boom was ontstaan uit zijn eigen vorm van pure liefde. Hij was verward en zijn lichaam leek niet meer verbonden met zijn hoofd. Hij overbrugde de afstand die zich tussen hen bevond en met zijn koele hand raakte hij haar wang aan. Ze was zo breekbaar, zo zacht. Hij wou dat hij haar eeuwig kon vasthouden en beschermen tegen de wereld. Zachtjes leunde hij naar voor en zijn lippen raakten de hare. Ze leek verrast, maar al snel liet ze hem toe. Een vuur dat hij nog nooit gevoel had, raasde door zijn aderen. Hij kon niet meer denken, niet meer bewegen. Zijn kleine engel was het enige van houvast dat hij had. In shock trok hij zich terug en hij keek angstig naar haar reactie. De magie was verbroken en in haar ogen klonk het besef door van wat er gebeurt was. Zonder na denken liep zijn kleine engel te terug naar binnen en Sauron keek hoe ze de trap op verdween. Hij ging haar niet achterna. Hij had geen woorden om haar te troosten. Hij had zelf geen woorden om zichzelf te troosten. Hij liet haar gaan.