De man kwam naar ons toe en pakte Richard in een soort houdgreep. Die liet mij los en probeerde los te komen van de armen van de man. Die liet niet los maar brak de jongen doormidden. Ik wist niet wat ik zag. Richard bewoog niet meer en de man liep naar me toe. Ik keek hem bang aan. "Alstublieft, doe me niets!" Mijn stem klonk erg hoog van angst. En toen voelde ik het gif. Het brandde mijn hele arm weg, zo leek het wel. Maar ik was te bang voor de man om er iets van te laten merken. "Ik doe je niets. Ik wil je alleen helpen. Hij," hij wees naar de stukken van Richard, "wilde niet veranderen. Hij was alleen maar aan het moorden en als ik veel te laat was geweest had hij jou ook vermoord. Gelukkig was ik niet zo veel te laat. Sorry daarvoor, trouwens. Ik was even afgeleid toen hij sprong." Hij keek naar de beet. "Brandt het?" Ik knikte. Hij vloekte hevig. "Nogmaals sorry." Hij pakte me op en rende met me weg. Ik had te veel pijn om tegen te stribbelen. Halverwege ben ik, denk ik, in slaap gevallen, want ik kan me niet de hele weg herinneren. Ik weet wel nog dat ik in het huis wakker werd en dat ik het wilde uitschreeuwen van de pijn, zo erg brandde het. Na een paar minuten kwam de man binnen. "Ik heb je maar op de grond gelegd. Ik was bang dat je anders van het bed af zou vallen." Ik probeerde rechtop te zitten, maar dat ging niet. Hij ondersteunde me een beetje. "Doe maar voorzichtig." Hij wachtte even. "Brandt het nog erg? Of is het al ver weg." Ik moest met opeengeklemde kaken praten. "Ik weet niet. Erger dan in het begin." "Als je iets wil hebben of zo moet je maar vragen. Wij horen je wel." De man stond op en wilde weglopen. "Meneer?" De man draaide zich om. "Heb ik me nog niet voorgesteld? Ik ben Lucas . Wat wilde je zeggen?" "Hoelang gaat dit nog duren? Het gaat wel weg, hè? Uiteindelijk?" Ik smeekte hem bijna. "Ja, over ongeveer anderhalve dag is het weg." Hij draaide zich om en liep de deur uit.

Die anderhalve dag kan ik me nauwelijks herinneren. Ik weet nog dat Lucas en zijn vrouw een paar keer bij me kwamen kijken. De vrouw had ook van die goudbruine ogen. Ze zag er mooi uit. Lucas zelf trouwens ook.

Ik weet wel nog dat ik elke hartklopping kon tellen. Mijn hart ging steeds sneller kloppen, alsof het vocht om te overleven. Zo voelde het voor mij ook echt. Toen stopte het. Ik schrok me dood. Lucas kwam de kamer binnenvliegen. "Het is voorbij." Het voelde inderdaad niet meer alsof ik in brand stond. Ik opende mijn ogen en kwam overeind. De kamer zag er raar uit. Met te veel details. Ik kon ieder stofje zien vliegen. Ik ging rechtop zitten. "Wat is er nu gebeurd?" Lucas keek me aan. "Je bent nu net als ons. Een vampier." Dat laatste liet me weer schrikken. Ik keek naar hem. Hij leek totaal niet op de vampiers die in de boeken stonden beschreven.

De vrouw kwam binnen. Ze had donkerdere ogen dan eerst. "Moeten we haar alles uitleggen?" Ze keek me aan. "Wat willen jullie me uitleggen? Ik heb genoeg boeken gelezen over vampiers." Ze begonnen te lachen. "Die verhalen kloppen niet. In ieder geval niet helemaal. We moeten inderdaad bloed drinken om te kunnen overleven." Dat heb ik altijd een mindere kant gevonden van het vampierbestaan.

"Maar wij drinken niet van mensen. Wij willen niet doden. Wij drinken dierenbloed." Ik keek van de vrouw naar Lucas. "En Richard deed dat niet?" "Nee, ik wilde hem overhalen het wel te doen, maar zoals je zag…" Even was het stil. Toen voelde ik mijn keel branden. Ik wreef erover. "Brandt het?" Ik knikte. "Dan gaan we jagen." "Lucas, kijk je wel uit?" "Natuurlijk schat." Lucas gaf zijn vrouw een kus en keek naar me. "Kom je?" Hij liep de kamer uit en ik ging hem achterna. We liepen naar een bos toe. "Snuif de lucht maar eens diep op." Ik deed wat Lucas zei en snoof. Ik rook allemaal heerlijke geuren. Zo veel, dat kan ik echt niet beschrijven. Misschien ruik je het nog eens, maar ik hoop het niet voor je.

"Ruik je het?" Ik keek Lucas weer aan. "Wat moet ik ruiken?" "Ruik nog maar eens goed en laat je leiden door je instincten." Ik snoof weer en dit keer rook ik een heel ander soort geur. Ik ging eropaf. Mijn neus leidde me naar een drinkende vos. Ik keek Lucas aan en sprong.