sorry voor het lange wachten, maar ik had examens :S hier is het volgende hoofdstuk, ik zal snel weer een vervolg schrijven ;)
Do you know me?
No, you don't.
Do I know you?
Yes, I do.
Can you explain?
No, you can't.
Can I explain?
No, I can't.
Do you understand?
No, you don't.
Do I understand?
No, I don't.
Do you love me?
I don't know.
Do I love you?
Yes, I do.
I love you
A.
Dat stond er in de brief. Vreemd. Ik zat tegen een boomstam, misschien dat het een woudnimf was, ik weet niet. Ik wist enkel dat de ruwe schors een goede steun was voor mijn rug en dat de takjes op de grond mijn benen porden. Wie was 'A'? Misschien dat Annabeth het wist. Ik zou het liever aan Percy vragen, maar ik ging hem deze brief echt niet tonen. Straks denkt hij dat ik die voor hem heb geschreven of zo. Annabeth zou het wel weten. Van welke god zou zij de dochter zijn? Ik zal het haar straks wel vragen.
Bij het avondeten zat ik weer aan de, zoals altijd overvolle, tafel van Hermes' cabine. Ik zat tussen Luke en een andere jongen, waarvan ik de naam niet wist, gepropt. "Wat vind je van het kamp, tot nu toe?" vroeg Luke. Ik was vandaag in mijn eerste les zwaardvechten door Luke afgeslacht, was keer op keer, tot ik bijna verdronk, in het water gevallen bij het kanoën - dat ging ik dus nooit meer doen- en mijn knieën begaven het bijna bij het gedacht aan mijn eerste les boogschieten morgen. "Het viel nog mee denk ik," mompelde ik. Luke grijnsde. "Ik snap helemaal wat je bedoelt, de eerste dagen zijn altijd moeilijk. Je zult wel iets vinden waar je extreem goed in bent. En in de andere dingen zul je wel goed worden, met wat oefening," sprak hij me moed in. "Uhu," zei ik en ik knikte. De jongen volgde onze conversatie, terwijl hij ons zat aan te staren. Wat was er zo boeiend aan dit stomme gesprek? Wat een mongool, dacht ik, straks begint-ie nog te kwijlen. Net toen ik dat dacht, opende zijn mond een beetje. Een grote klodder kwijl viel uit zijn mond, recht op mijn broek. "Ieuw," zei ik en ik sprong recht, wat een hele prestatie was aan de overvolle tafel. Meneer Mongool was nog altijd naar mij aan het staren, de hele zaal deed het ondertussen. "Wat gebeurt er?" vroeg Chiron. "Hij kwijlt op me," zei ik, mijn gezicht vertrokken van afschuw. "Wie is deze jongen, ik herken hem niet," zei Chiron. "Nu je het zegt, ik ook niet," zeiden veel mensen. Een raspende stem deed iedereen zwijgen. De jongen stond recht. "Ik ben ook geen jongen," zei hij, "Herken je me niet?" De jongen stootte een kakelende lach uit en veranderde in een driekoppig monster met klauwen en schubben. "Iedereen naar buiten!" schreeuwde Chiron, terwijl wijnranken het monster tegenhielden. Luke nam mijn arm en leidde me naar buiten, samen met de rest. "Nysa," Annabeth kwam aangelopen. "Alles oke?" vroeg ik. Ze knikte. "Kom, ik wil je iets vragen," zei ik en ik liep een eindje weg van de rest. Ik liet haar de brief zien en wachtte even. "En?" vroeg ik, "Wie is 'A.'?" Ze antwoordde niet. "We moeten dit aan Chiron laten zien. Lag het gewoon op je slaapzak?" Ik knikte. Chiron was binnen met het monster aan het vechten. We zouden het later wel doen. "Annabeth! Nysa! Wat staan jullie daar zo apart te staan! Vecht mee!" riep Luke. Annabeth liep weg om haar zwaard te nemen. Vechten. Ik kon niet vechten. Ik zou eerder mezelf of iemand aan mijn kant verwonden dan de vijand. Iemand gaf me een helm en een zwaard. Ik bleef wat achteraan staan, hopend dat ik niet moest vechten. Mijn hart sloeg een slag over toen ik alle monsters in de zaal zag. Annabeth en een paar ander hakten er lustig op los. Ik stond er maar een beetje. Dat had ik beter niet kunnen doen, monsters zoeken altijd de zwakte schakels uit en beginnen daar tegen te vechten. Dit wist ik, maar op zo'n moment denk je daar gewoon niet aan. Ik slaakte dan ook een geschrokken kreetje toen ik iemand in mijn nek voelde blazen.
