Hoofdstuk 3
- Het begin van een avontuur -
Paul moest al vroeg opstaan voor zijn eerste werkdag. Het was maandag, 5 uur in de morgen. Nog half aan het slapen zat Paul aan de ontbijt tafel zijn geroosterde brood met jam te eten en met een kop koffie erbij. Hij heeft altijd moeite gehad met vroeg opstaan. Om hem steun te bieden, was Rosalie ook maar opgestaan. Ze lag toch al een halfuur te woelen in het bed, omdat haar rug zeer deed en het kindje dat in haar buik groeide aan het schoppen was.
"Ik vind het zo geweldig voor David," begon Rosalie opeens. "Nooit verwacht dat hij in Ravenklauw zou komen. Jij?"
Het enige wat uit Paul's mond kwam was een gemompel dat nauwelijks verstaanbaar was.
"Met een vader uit Huffelpuf en een moeder uit Griffoendor, had ik verwacht dat hij in één van die twee afdeling zou komen. Maar Ravenklauw?" Zijn vrouw kon niet ophouden met glimlachen. Gisteren hadden ze een brief van hun zoon gekregen. Het was een klein briefje met een paar zinnen. David was nooit echt een schrijver van lange brieven geweest, ook niet toen hij met opa en oma naar Oostenrijk ging. Hij schreef op zijn ansichtkaartje maar één of twee zinnen. Oma had daaronder wel meer geschreven omdat het anders zo stom overkwam vond ze.
"Geweldig, Rose," zei Paul. Hij dronk zijn koffie op en stak het laatste stukje van zijn geroosterde brood in zijn mond, toen hij opstond en zijn jas en tas pakte.
"Ga je nu al weg?" vroeg Rosalie verbijsterd.
"Ik wil niet te laat komen op mijn eerste werkdag," zei Paul. Hij liep naar de deur, haalde de klink naar beneden en was al buiten, toen hij zijn vrouw hoorde roepen.
"Paul, je vergeet je lunch!" Met haar ene hand onder haar buik en in haar andere hand zijn lunchzak, kwam zijn vrouw vanuit de keuken aanhollen. Ze gaf hem zijn lunch en een snelle kus op de mond, waarna hij in zijn auto stapte en naar Londen reed.
Een normale tovenaar zou zijn Verdwijnseld, maar Paul hield daar niet zo van. Bij hem was het al een paar keer misgegaan, waardoor zijn benen in Egypte belandden en de rest wel op de bestemming terecht kwam. Daarom koos Paul nu liever voor de gewone, ouderwetse Dreuzelauto.
Voorzichtig klopte Paul op de deur van het kantoor van Brice, zijn nieuwe baas. Even leek het alsof er niemand aanwezig was, toen de deur werd opengemaakt en Paul naar twee brede mannen keek. De kleinste van de twee was Brice, degene die de deur had opgedaan. De andere man kende hij niet, maar hij kreeg een naar gevoel van de manier waarop hij naar Paul keek.
"Paul, kom verder," zei Brice enthousiast. Hij stapte aan de kant om Paul binnen te laten.
Onzeker liep hij het kantoor binnen en nam plaats op dezelfde stoel waar hij die vorige keer ook op had gezeten. Terwijl Brice op zijn gebruikelijke stoel achter het bureau plaatsnam, bleef de man echter bij de deur staan. Toen Brice zag dat Paul zich ongemakkelijk voelde door de man, stond hij op en liep naar de man toe.
"Zeg tegen Otto dat ik hem wil spreken," hoorde Paul Brice tegen de man fluisteren. De man draaide zich om en wilde weglopen, toen Brice hem tegenhield. "Oh, en neem gelijk even een pieper voor meneer McAllister mee." De man knikte nogmaals en verliet de kamer. Nadat de man het kantoor uit was, draaide Brice zich om en keek Paul aan met een glimlach.
"Paul," begon hij, "goed dat je er bent. En op tijd." Hij gaf een klein, hoog lachje, terwijl hij weer op zijn stoel tegenover Paul plaatsnam. "Je zult wel blij zijn met je nieuwe baan, neem ik aan."
Paul knikte. Hij was te zenuwachtig om te spreken.
"Wat je moet weten," zei Brice weer, "is dat je baan geen vaste werktijden heeft. De ene keer heb je geen werk voor een paar dagen, soms zelfs voor maanden, maar het kan ook zijn dat je opeens een maand lang hard moet doorwerken; dan bedoel ik hele dagen lang van 's morgens vroeg tot 's avonds laat. Op dit moment hebben we niets voor je. Is alles tot nu toe nog duidelijk?"
Paul had verwacht dat hij iedere dag van 's morgens vroeg tot etenstijd in een kantoor allerlei papierwerk zou doen, maar dat hij daadwerkelijk mee zou doen met de geheime operaties had hij helemaal niet verwacht. "Alles is duidelijk," hakkelde Paul zenuwachtig.
"Dat is mooi," zei Brice. De deur ging langzaam open en de man liep weer de kamer in. "Ah. Dankjewel, Charles." Brice pakte het kleine zwarte ding van de man aan. "Paul, dit is een pieper. Waarschijnlijk zul je deze dingen wel eens gezien hebben of van hebben gehoord. Wanneer je moet werken, wordt je vanzelf opgepiept door ons." Hij gaf het zwarte ding aan Paul en liet hem zien hoe het werkte. "Ik geloof dat ik nu alles heb verteld. Als je me wilt excuseren, ik moet zo iemand dringend spreken."
Paul stond meteen op, bedankte Brice en liep het kantoor uit. Hij sloot de deur achter zich, maar liep niet meteen naar de lift. Een paar seconden nadat hij de deur achter zich had gesloten, hoorde hij de stem van Brice.
"Ik heb een opdracht voor je. Ik wil dat je naar de archief kamer gaat en me het dossier en alles wat je over Paul McAllister kunt vinden hier brengt. En dringend!"
Een lage stem antwoordde. "Ja, meneer."
"En waar blijft Otto!" zei Brice nu lichtelijk geïrriteerd. "Laat maar, ga jij datgene doen wat je moet doen. Ik wil dat je direct terug komt. Als je wordt aangesproken, zeg je maar dat je haast hebt, oké?"
"Ja, meneer," sprak Charles opnieuw.
Paul rende snel naar de lift en drukte op het knopje. Zenuwachtig keek hij achterom, maar zag dat de man, die Charles heette, hem niet had opgemerkt en van hem afliep. Paul haalde opgelucht adem toen de deuren van de lift open gingen. Een kleine, magere man met grijs haar en een half brilletje, snelde uit de lift naar de ingang van het kantoor. Terwijl Paul de lift instapte, zag hij hoe de man gehaast het kantoor binnen liep en de deur dicht deed, voordat de deuren van de lift dicht gingen.
Paul zat nu alweer een paar dagen thuis, terwijl hij nog steeds afwachtte tot zijn pieper ging en zijn werk kon beginnen. Toen hij die dag thuis kwam en het aan zijn vrouw vertelde, was ze boos op hem. Ze had twee dagen niet met hem gesproken, maar was uiteindelijk bijgedraaid toen Paul door bleef zeuren dat dit iets was waar hij alleen maar van had kunnen dromen. Dus zorgde Paul dat hij, in de tussentijd dat hij moest wachten tot zijn pieper ging, een hobby had om de dagen door te komen.
Nu was Paul bezig in de tuin, terwijl Rosalie hun jongste zoon Kevin in bad deed. Ze hadden die avond feest bij Paul's ouders.
"Paul, wanneer ga je je omkleden?" riep Rosalie vanuit de keuken.
"Nog even, Rose. Ik ben bijna klaar," riep Paul terug.
"Maar we moeten er over een uur al zijn en het is zeker een halfuur rijden."
"Oké, oké. Ik kom al." Hij trok zijn handschoenen uit, liet zijn spullen liggen en liep het huis binnen. Terwijl Rosalie de laatste stukjes haar met een knipje vast zette, kleedde Paul zich om.
Ruim twintig minuten later zaten ze in de auto op weg naar Paul's ouders, toen plotseling de pieper afging. Paul was nogal verrast dat hij afging, in tegen stelling tot zijn vrouw.
"Dat meen je niet," riep Rosalie hysterisch in de bijrijderstoel. "Dagenlang hoor je niets en wanneer je iets anders belangrijks hebt, wordt je opgepiept."
"Sorry, Rose. Ik kan er ook niets aan doen," zei Paul onzeker. Hij pakte de pieper en zette hem uit. "Ik breng jullie naar mijn ouders en dan rijd ik zelf verder naar m'n werk. Zeg maar tegen ze dat ik wat later kom, oké?"
"Paul, dit kun je niet menen," riep Rosalie nog steeds hysterisch. Kevin, die achter Paul in zijn zitje zat, begon te krijsen. "Ook dat nog!"
Terwijl Rosalie Kevin probeerde te sussen, sprak Paul verder. "Rose, dit is belangrijk voor me. Ik weet zeker dat mijn ouders het wel zullen begrijpen."
Een halfuur later zat Paul alleen in de auto. Na de teleurstelling van zijn vrouw, was hij weer in zijn auto gestapt en weggereden.
