De tweede ontvoering alweer!

En wat voor één! Het stuk is ook ietsje groter dan de bedoeling was, omdat we zo enthousiast waren over deze twee personages, namelijk; Abel Pandwid en Icarus Caeli! We zijn allebei ook erg trots op dit hoofdstuk!

Als verrassing kunnen we jullie ook alvast verklappen dat het hoofdstuk twee bekende personages terugbrengt, die jullie al hebben gezien! Maar om erachter te komen wie dat zijn moeten jullie het stuk snel lezen!

We willen natuurlijk de makers van Abel en Icarus nog even bedanken voor de super personages: MyWeirdWorld en Strawberrychickk! Ze waren geweldig om te schrijven en zullen dat in de toekomst zeker weten ook zijn! In dit stuk is Abel geschreven door Jade Lammourgy en Icarus door LeviAntonius.

Zonder het nog langer uit te rekken willen we jullie graag het nieuwe hoofdstuk presenteren: Vergeet niet te reviewen en vertel ons jullie gedachten over wat jullie ervan vonden! We zullen proberen het volgende hoofdstuk met een iets kortere pauze te posten, en we zijn allebei erg gemotiveerd en opgewonden, dus dat moet vast lukken!

Jade Lammourgy en LeviAntonius


Abel Pandwid (18)Linkervleugel regeringsgebouw

Onze voetstappen galmen door de hal. Mensen gaan voor ons aan de kant, de ogen van de meesten op de grond gericht niet opkijkend naar mijn vader. Niet opkijkend naar de President.

"Ik wil dat jullie gaan. Daar is geen discussie over mogelijk,"

Zijn stem is sterk, vol autoriteit, maar ik kijk er al lang niet meer van op. Ik ben zijn praatjes al gewend, weet dat elk woord dat hij uitspreekt een dubbele betekenis heeft. Zo is het met al die regeringsmensen en ik ben het zat. Maar nog meer ben ik mijn vader zat. Ik ben zijn verwachting van mij zat.

"Je kunt me niet bedwingen om die hoe-"

"Denk er niet aan om die zin af te maken jongeman! Ik heb tot nu toe je disrespectvolle houding geaccepteerd, maar hier trek ik de streep," spuwt hij plots boos uit, mij onderbrekend. "Kijk naar je zusje! Zij heeft Selia toch al meerdere keren ontmoet en zegt dat er niks mis is met haar!"

Mijn grijze ogen dwalen af naar Eris. Ze kijkt geïrriteerd en tikt ongeduldig met haar vingers op haar bovenarm. Met haar kastanjebruine haar lijkt ze meer op onze moeder dan ik doe. Toch heeft ze er geen problemen mee om moeder te vervangen met vaders nieuwe minnares. Ik integendeel wel.

"Je kunt me niet dwingen," mompel ik, omdat ik nog niet wil opgeven, ook al weet ik dat het tevergeefs is.

"Reken er maar op dat ik je kan dwingen. Vergeet niet dat je alles in dat rooskleurige leventje van je aan mij te danken hebt, Abel. Dus ik verwacht dat je naar me luistert," zegt hij en kijkt me nog een laatste keer streng aan waarna hij zich omdraait naar zijn adviseurs die ons een stukje verderop nog nieuwsgierig nakijken.

Ik ben alleen met Eris, iets wat de laatste paar jaar niet veel is voorgekomen. Toen ze jonger was liep ze altijd overal met me mee naar toe, zelfs als het eigenlijk niet mocht. In die tijd had ze al iets rebels over haar heen, maar naarmate ze ouder werd begon ze zich van alles en iedereen af te zetten. Zo ook van mij. Ik herken haar nu nog nauwelijks als ze iets zegt, de woorden vrijwel altijd haat vol of afkeurend om de dingen die ik doe.

"Je gaat wel mee toch?" vraagt ze terwijl we het gebouw beginnen uit te lopen. Ik kijk haar ietwat verbaasd aan, de vraag niet verwachtend.

"Hoezo, mis je me anders teveel?" grap ik, hopend dat ze erom kan lachen, en ik iets van mijn oude zusje terug kan zien. Het enige wat ze doet is me een dodelijke blik sturen en mij voorbij lopen. Haar afgetrapte broek en kapot geknipte shirtje geven haar een armzalig uiterlijk. Het tegenovergestelde van mijn dure pak.

"Zorg dat je er bent Abel, ik meen het," roept ze nog over haar schouder heen en verdwijnt dan om de hoek heen. Mij achterlatend in het gebouw waar ik geacht wordt later te gaan werken.

Ik zucht en vervolg mijn wandeling alleen. Om de zoveel seconden knikken er een paar mensen naar me, begroeten me met holle woorden of kijken me enkel stil aan. Ik weet dat ze me herkennen, heel het Capitool herkent mij. Maar niet als Abel, nee, als de zoon van President Pandwid. Onze toekomstige President. Iets wat ik met heel mijn macht probeer te voorkomen. Het Capitool zit vol corrupte, asociale zakken. Daar wil ik niet bij horen.

Twee bewakers duwen de deuren van het gebouw open als ik er naartoe loop. Het is grauw buiten, het waait hard en al snel zet ik de kraag van mijn jas omhoog. Toch woelt de wind door mijn graanblonde haar en zit het binnen enkele seconden compleet door de war. Maar het geeft niets, hoe slechter ik eruit zie hoe beter. Selia Bennett verdient niets anders als dat.

Na vijftien minuten in het park te hebben gelopen, een half uur in een café te hebben gespendeerd besluit ik toch naar Selia's huis te wandelen. Maar ik weet dat ik het niet doe voor mij vader, zelfs niet voor mijn zusje. Ik doe het voor het feit dat ik Selia niet nog meer wapens in handen wil geven om mij mijn huis uit te werken. Hoe meer ik tegen haar in zal gaan, hoe zuurder ze mijn leven zal maken.

Ik heb het huis snel gevonden. Het staat in de duurste wijk van het Capitool, omringd door merkwinkels en restaurants. Niets minder voor de hoer van het Capitool. Met lichte tegenzin druk ik de bel in en hoor ik het schellende geluid door het grote huis heen gaan. Voordat ik nog een diepe ademteug kan nemen gaat de deur al open. Ik wordt echter verrast. Er staat geen bediende voor mijn neus zoals ik had verwacht, maar ik sta meteen oog in oog met Selia zelf.

"Abel! Welkom, wat leuk dat je er bent!" Ze trekt me vrijwel onmiddellijk naar binnen en haalt mijn jas van mijn schouders af. "Je zusje is al in de salon. Rechtdoor, eerste deur links."

Ik moet mezelf vertellen dat mijn mond openstaat om hem weer dicht te kunnen doen, maar loop toch de richting op die ze aangaf. Het hele huis is doodstil. Er lijkt niemand aanwezig te zijn, wat me nog meer verrast dan het feit dat Selia zelf de deur open deed. Ik dacht dat ze hordes bedienden zou hebben, klaarstaand om te doen wat ze hen opdraagt. Ik had haar als verwend, naïef, maar vooral dom en als emotieloos gezien. Tot nu toe lijkt echter geen enkele van die eigenschappen aanwezig te zijn.

De deur gaat zonder gekraak open en onmiddellijk zie ik mijn zusje op de smetteloze, beige bank zitten. Een kopje thee in haar handen. Ze glimlacht, iets wat ik haar voor een lange tijd niet heb zien doen en dat zorgt ervoor dat ik toch een klein beetje blij ben dat ik ben gekomen. Misschien deed ik het toch ook iets voor haar. Zodat ik haar weer eens gelukkig zou zien.

"Neem plaats, we gaan over een paar minuten eten." Ik schrik op van de plotselinge stem van Selia achter me en ze glimlacht me vriendelijk toe. Ze heeft haar koperkleurige krullen in een simpele paardenstaart en een makkelijke groene jurk aan. Geen sierraden, geen make-up. Helemaal niets.

"Wil je iets te drinken? Ik heb een heerlijke appelthee uit district 11," zegt ze, en loopt naar een klein tafeltje toe waar een grote pot thee op staat met nog twee kopjes ernaast. "Ga toch zitten!"

"Eh-ja, best," stamel ik, nog steeds verbaasd, en ik neem plaatst naast Eris die me nog steeds met een glimlach aankijkt. Ze legt haar hand kort op mijn knie, een gebaar wat me nog meer verbaasd als haar glimlach, en neemt daarna weer een slokje van haar thee.

"Bij nader inzien kunnen we beter gelijk aan tafel gaan, anders wordt de kalkoen koud," zegt Selia, net als ze mijn thee wilt aangeven. Ze trekt het kopje terug. "Ik hoop tenminste dat je van kalkoen houdt."

Ze lacht vrolijk en plaatst de thee op de ongedekte tafel. Ik blijf stilstaan voor mij stoel, verwachtend dat er nog bediendes moeten komen om de tafel op te maken, maar ze roept niemand. Ze pakt zelf drie borden uit een kastje en plaatst deze voor onze neus. Hierna volgt het bestek, niet keurig recht en in de goede volgorde neergelegd, maar naast elkaar, in de foute volgorde, op een hoopje en scheef.

"Selia heeft het zelf gekookt," zegt mijn zusje, nog steeds met de vreemde lach op haar gezicht terwijl ze haar stoel naar achteren trekt en plaats neemt. "Speciaal voor jou, omdat ik zei dat je er zo van hield."

Ik stamel weer. Onverstaanbare woorden en besluit uiteindelijk maar gewoon mijn mond dicht te houden totdat ik met wat zinnigs kan komen. Selia haalt de zilveren deksel van de kalkoen af en onmiddelijk komt het stoom ervan af. Ze vraagt of we wijn erbij willen en plaats een glas naast mijn thee. Ik neem keurig, volgens de etiquette een slokje thee en merk de zoete smaak op.

"Dus, vertel eens Abel," begint ze als we alle drie zitten en ze de kalkoen begint aan te snijden. "Wat is tot nu toe je mening van mij? Ik had gehoord dat die niet zo positief was." Ze knipoogt naar mijn zusje waaruit ik opmaak dat zij het aan haar moet hebben verteld. Ik voel mijn wangen rood worden, maar weiger me te schamen voor mijn eigen mening.

"Hij is iets veranderd," antwoord ik uiteindelijk kortaf, en ik neem een hap van het sappige vlees.

"Dat hoopte ik al, want je zusje en ik willen vanavond iets belangrijk met je bespreken." Ze legt haar hand kort op die van Eris en kijkt haar dan plots serieus aan. De aardigheid in haar ogen verdwenen.

"Ja, dat klopt," mompelt mijn zusje terug en neemt dan gelijk een grote hap kalkoen.

"Waarover?" vraag ik quasi ongeïnteresseerd. Op dit moment kan ik alle vragen verwachten, maar ik ga uit van het ergste. Of ze mijn zusje mag adopteren, of we bij haar komen wonen of dat we haar vanaf nu moeder mogen noemen. Elk nog erger dan de ander.

"Ik wilde graag je mening weten over de onderdrukking in de Districten," zegt ze en ik stik bijna in mijn hap eten. Ik proest het uit op mijn bord en staar haar dan met half open mond aan. Ik weet mezelf echter al snel te herpakken en druk gauw mijn servet tegen mijn mond aan, hopend dat mijn verbazing nog ietwat gemaskeerd wordt.

"Onderdrukking?" vraag ik uiteindelijk, ook al weet ik donders goed waar ze het over heeft. Mijn vader had ooit kort vermeld dat ze zelf uit district 2 kwam, maar daar waren nog de minste problemen. Het waren de hogere districten die het moeilijk hadden, maar het Capitool deed er niets aan.

"Ja, je weet dat de mensen in de districten praktisch slaven zijn toch?" zegt ze opnieuw terwijl ze me luchtig aankijkt en rustig dooreet. "Je zusje weet er alles van, dus ik verwachtte jij ook wel."

Ik staar naar Eris. Ongelovig, maar ergens ook wel begrijpend. Ze was altijd al opstandig, natuurlijk weet ze van de duistere zaken die er spelen in de regering van het Capitool. Hoe kon ze het eigenlijk niet weten met onze vader als President. Nu speelt er echter geen glimlach meer om haar mond, maar kijkt ze met een boze frons op haar voorhoofd naar haar eten waar ze plots geen zin meer in lijkt te hebben.

"En ik wilde graag weten wat jij als toekomstige President daar aan wilde gaan veranderen?" Ik schrik weer op als Selia weer begint met praten. De vrolijke blik is uit haar ogen verdwenen en ze is ook niet langer luchtig aan het eten. Ze kijkt me doodserieus aan.

"I-ik, ik-" begin ik, maar er komt niets zinnigs uit totdat ik me besef wat ze werkelijk zei. "Ik heb geen intentie om President te worden."

"Niet? Je vader denkt er duidelijk anders over. Met je studie Rechten ben je een goede kandidaat volgens hem."

"Volgens hem ja, hij weet totaal niet wat mijn ambities zijn."

Er volgt een stilte. Selia neemt weer een hap van haar eten en ik volg haar voorbeeld. Het sappige vlees laat vet over mijn kin heen druipen en morst op mijn witte blouse. Zacht vloekend probeer ik het weg te deppen, maar het maakt de vlek alleen maar erger.

"Wat wil je dan gaan doen met je toekomst?" vraagt Selia weer en ze kijkt me schuin aan terwijl ze door blijft eten.

"Corruptie in het Capitool verminderen."

"Maar niet de situatie aanpakken in de districten?" vraagt ze, en ik zie Eris opkijken. Hoopvol, maar ook boos. Boos omdat ze weet wat mijn antwoord zal zijn.

"Nee dat is niet mijn taak, maar die van de President."

"Jij en ik weten allebei dat de President geen intenties heeft om de situatie te veranderen," antwoord Selia snel op mijn antwoord en legt zuchtend haar vork neer waarna ze me zo serieus aankijkt dat ik kippenvel voel opkomen. "Maar Eris en ik hebben dat wel."

"Ik kan hem niet overtuigen, als dat is wat je van me verwacht," zeg ik bot en werp mijn servet op mijn bord neer, niet langer zin hebbend in wat voor eten ook. "Hij luistert nog eerder naar jou, zijn minnares."

Selia glimlacht en ik zie dat mijn laatste opmerking haar niets doet. Ze kijkt even schuin naar Eris die haar al die tijd heeft gevolgd. Elke beweging, ze lijkt haar te aanbidden en dat zie ik nu pas voor het eerst. Het maakt me misselijk.

"Je moet hem overtuigen Abel," zegt Eris en ze draait zich langzaam om naar mij. Dezelfde grijze ogen die ik heb staren me aan. "Daarvoor hebben we je nodig, om de districten te bevrijden." Haar arrogante glimlach komt opeens tevoorschijn en Selia uit een klein, kil lachje.

"Het klopt wat je zusje zegt, Abel. Ik zou het dan ook op prijs stellen als je niet tegen zou stribbelen."

Alle aardigheid is verdwenen uit haar ogen. Alle charmante woorden zijn niet meer te horen. Ik zie enkel nog een kille vrouw voor me zitten die mijn zusje heeft gemanipuleerd. Die mijn zusje heeft gehersenspoeld om actie te ondernemen, dat ze erin moet geloven dat ze voor de Districten moet opkomen.

"Denk niet dat ik bevelen aanneem van de hoer van het Capitool." Mijn woorden zijn vol daadkracht en haat. Ik rijs dan ook snel op uit mijn stoel, klaar om weg te lopen.

"Oh dat denk ik wel," antwoord Selia, kalm als de dood zelf. Ze knipt in haar vingers. Geïrriteerd wil ik vragen wat ze doet als ik plots voel hoe ik bruut bij mijn armen wordt vastgegrepen.

"Wat is- Wat heeft dit te beteken?!" spuw ik woedend uit. Ik probeer me vrij te worstelen, maar de greep van de mannen is ijzersterk.

"Het is beter als je niet tegenwerkt Abel, dat maakt alles een stuk makkelijker," zegt mijn zusje en ze lacht me afgunst vol toe. Ik wil schreeuwen, gillen, om hulp roepen, maar mijn aanvallers trekken een zak over mijn hoofd en het laatste wat ik voel is een harde knuppel tegen mijn hoofd aan.

Binnen enkele seconden is mijn wereld zwart. Binnen enkele seconden wordt ik meegetrokken in de duisternis die ook in de districten woelt.


Icarus Caeli (24)Vredesgebouw District 13

"Dus ik zei tegen de vrouw dat President Pandwid zijn opperste best aan het doen is om nieuwe wetten door de ministerraad te krijgen, waarmee de welvaart in de districten enorm zou groeien. En geloof me, ze keek me aan alsof ik zei dat ze tienduizend denariën had gewonnen. Ze kuste bijna mijn voeten!"

Ik neem nog een flinke trek van mijn sigaret en zie de rook in kleine wolkjes mijn mond weer uitkomen als ik samen met Janaff en Tenney het uitproest van het lachen. Janaff moet de tranen onder zijn ogen wegwrijven en Tenney grijpt de rand van de fauteuil vast om er niet vanaf te vallen.

"Het was hilarisch," schatert Janaff. "Ik moest echt mijn best doen om mijn lach in te houden. De mensen hier zijn nog triester dan in district 12, nooit gedacht dat ik dat ooit zou zeggen!"

"Ze zouden eens moeten weten dat Darius Pandwid nog eerder met zijn eigen vrouw in een bed slaapt dan dat hij een wet voor meer welvaart in de districten gaat doorvuren. Maar ze geloven alles, alles zeg ik je," vertel ik met grote armgebaren, mijn lippen om mijn sigaret geklemd om mijn handen vrij te kunnen houden.

"Dat komt door die grote, smeulende grijns van je. Verdomme, ik zou je nog geloven als je zou zeggen dat het gras blauw is, of dat de districten in opstand zijn gekomen," zegt Tenney, en Janaff maakt al snel de woorden van hem af waardoor we allemaal weer belanden in een reeks van gierend geschaterlach.

"Of dat Pandwid's nieuwe hoer eigenlijk zijn lang verloren dochter is." Maar ik deel de finaleklap uit.

"Of dat Pandwid überhaupt ook maar één avond zijn lul in zijn broek heeft gehouden."

We liggen alledrie bijna languit in onze met blauw katoen beklede fauteuils, en terwijl inmiddels de tranen ook bijna van mijn wangen lopen breng ik mijn sigaret, die bijna nog maar een stompje is, naar mijn lippen. Als ik een flinke teug neem brokkelt de as aan het uiteinde af en dwarrelt het neer op het armoeiige voerkleed in de ruimte. Ik neem niet eens de moeite om het af te kloppen in een asbak, de vloer is hier toch al waardeloos sjofel.

"Heren, het volk staat klaar. Willen jullie opschieten?" Ik draai me abrupt om en zie een vredebewaker in de opening van de deur staan. Hij heeft een zakelijke blik in zijn ogen. Oog eigenlijk, want zijn linkeroog is niets meer dan een litteken.

"Opschieten?" merkt Tenney grinnikend op. "Voor hen? We laten ze net zo lang wachten als we zelf willen, cycloopje. Vermaak ze maar even, doe maar wat zweepslaagjes. Wees creatief!"

Terwijl Janaff op een of andere wonderlijke manier nóg harder weet te lachen dan voorheen kan de vredebewaker in de deuropening dat overduidelijk niet. Zijn oog versmalt en ik hoor hem bijna grommen. Tijd om in te dammen, hij is nota bene degene met een geweer in zijn outfit, niet wij.

"Tenney, laten we de hardwerkende mensen hier ook respecteren." Ik zie in mijn ooghoeken Janaff proestend zijn lach inhouden als hij merkt dat ik mijn zakelijke stem opzet. Ik richt me tot de vredebewaker. "We zijn buiten in vijf minuten."

Maar natuurlijk kan Tenney zijn mond niet houden, ik had eigenlijk ook niet anders verwacht.

"Ziet hij er uit als een hardwerkend persoon, Icarus? Volgens mij zit Sisi de Cycloop hier gewoon lekker een biertje te drinken met zijn collega's terwijl hij ook de mensen buiten rustig kan houden."

"Vredebewakers mogen geen alcohol nuttigen, meneer," antwoord de man vrijwel meteen. Zijn stem zou monotoon en emotieloos klinken als er geen schrijnende ondertoon van haat en woede onder zou zitten.

"Nou dat is dan jammer. Ik denk dat je dat een stuk minder rot zou laten voelen over het feit dat je zo afschuwelijk lelijk bent."

Ik snak naar adem, geschrokken door de woorden van Tenney. Voor een kort moment hangt er een doodse, maar dan ook doodse stilte in de ruimte waarvan ik bijna verwacht dat hij doorbroken zal worden door een knal van een vuist tegen Tenney's gezicht, of in het ergste geval misschien zelfs een schot. Maar geen van beiden volgt. Hetgeen wat de korte stilte doorbreekt is het hysterische gelach van Janaff, en daarmee verlaat de vredebewaker met een furieuze blik in zijn ogen de ruimte. Hij slaat niet eens de deur dicht, maar duwt deze zachtjes in het slot.

"Verdomme Tenney, moest dat nou echt?" begin ik als Janaff nog aan het napruttelen lijkt te zijn, overdreven met zijn hand tegen zijn bovenbeen kletsend.

"Wat? Moeten we nou ook al respect gaan hebben voor die veredelde bodyguards? Alsjeblieft zeg, Icarus." Hij ploft weer neer in zijn stoel en steekt een sigaret op.

"Vredewakers hebben geweren, Tenney. Allemaal."

"Ja, en ze zijn allemaal te schijterig om ze daadwerkelijk te gebruiken."

Ik zucht diep en neem ook weer plaats in mijn stoel, die tegenover die van Tenney en Janaff staat in zwakke zonlicht dat door de erbarmelijke blauwe gordijntjes schijnt.

"Ik heb geen zin om een nieuwe cameraman te moeten inhuren, Tenney. Je houdt je mond voortaan tegen vredebewakers. Hoe erg je ze ook haat," zeg ik streng.

"Dadelijk moeten we ons ook nog netjes gaan gedragen tegen districtbewoners. Verdomme Icarus, dit is ons werk. We gaan naar de districten, liegen de hele boel bij elkaar zodat die idioten niet in opstand komen en lachen achter hun ruggen om ons te pletter over hun simpele zieltjes." Hij neemt een flinke hijs en blaast deze in kringetjes uit, zijn benen kruislings uitgestrekt op het zielige bijzettafeltje die hij bij aankomst al omver heeft getrapt.

"Ja, inderdaad. Achter hun rug om. Ik heb een reputatie, Tenney. Mensen moeten mij vertrouwen, en dit soort verhalen verspreiden zich als vuurtjes door de districten. Je luistert verdomme naar me of je kan een nieuwe baan zoeken, begrepen?"

Hij haalt zijn schouders ongeïnteresseerd op, wat Tenney's manier is om ermee in te stemmen. Ik sta op van mijn stoel en zie dat Janaff en Tenney me al snel volgen. Hij werpt zijn sigaret argeloos op de grond en trapt deze met de hak van zijn leren schoen uit.

"Laten we wat debielen gaan voorliegen, jongens. Pak jullie apparatuur."

Wat meer dan tien minuten later sta ik op het podium voor het Vredesgebouw van district 13, de zon schrijnend in mijn gezicht. Het plein lijkt volkomen uitgestorven, terwijl het helemaal vol staat met mensen. Ze kijken allemaal even bedroefd en levenloos richting mij. Niemand heeft hoop, dat valt direct af te lezen aan hun gezichten. In de districten heerst alleen angst, wanhoop en woede. Ik probeer deze laatste weg te nemen zodat alleen de eerste twee overblijven. Dat is mijn werk.

Tenney en Janaff staan schuin voor me op het podium met de camera, gericht op mij. Het lampje aan de voorkant aan de camera is nog grijs, en ik mag pas beginnen als het lampje rood kleurt. Dan zijn we live te zien in alle districten, alleen de districten. De mensen in het Capitool krijgen mij bijna nooit te zien, mijn toespraken zijn niet voor hen bedoeld. Maar dat wordt lang en breed goed gemaakt door de mensen in de districten, want alles wat ik zeg wordt minstens tien keer per dag herhaald op de enige zender van hun projectieapparatuur. Je kunt wel zeggen dat ik de grootste beroemdheid ben in de districten. Maar goed, wie wilt er nu de grootste beroemdheid zijn in de districten?

Naast de hopeloze mensen in het publiek en Tenney en Janaff staan er enkel vredebewakers op het podium en rond de groep met mensen. De burgemeester is vandaag ook afwezig om een of andere zielige reden. Zijn dochter had een terminale ziekte of zoiets, wat ik me heel goed kan voorstellen als je je constant rond deze sneue bende moet begeven. Als ik terugkom van de districten laat mijn vader me minstens drie vaccinaties nemen voor alle ziektes die hier rondhangen. Een beetje overdreven naar mijn smaak, gezien ik niet echt van naalden houd. Maar het is wel typisch iets voor mijn vader, die de districten nog meer verafschuwd dan ik. Zelfs meer dan Tenney.

Het rode lampje springt dan plots aan en direct ben ik op focus. Mijn mondhoeken verheffen zich tot een enorme glimlach en ik kan die blik in mijn donkerbruine ogen, dezelfde kleur als mijn halflange haar, zien veranderen in de bolle lens van de camera.

"Mijn naam is Icarus Caeli, en ik ben de afgevaardigde van Daedalus Caeli, Minister van Eendracht. Helaas kon meneer Caeli het vandaag niet redden voor de toespraak, maar ik voel me vereerd dat ik het vandaag van hem mag overnemen. En voor een publiek van dappere, hardwerkende en trotse burgers van Panem mag staan."

Met ijskoude blikken kijkt de bevolking van district 13 me aan, maar de glimlach verzwakt geen moment. Duizend keer heb ik deze leugens moeten opvoeren, meerdere keren in meerdere districten. Officieel is het de taak van mijn vader, Daedalus, maar hij heeft nog nooit één toespraak gedaan. Hij is überhaupt nog nooit in de districten geweest en gaat nog liever dood voordat hij hier de lucht moet inademen. Nee, de toespraken zijn mijn taak. Ik doe het ook veel beter mijn vader. Ik kan tenminste nog net alsof doen dat ik het meen. Bij hem druipt de corruptie ervan af. De haat en de arrogantie. Bij mij misschien enkel de laatste.

"Ik ben hier om een aantal nieuwe maatregelen vanuit het Capitool aan jullie mede te delen. Wij in het Capitool doen ontzettend ons best om het dagelijks leven voor jullie zo aangenaam mogelijk te maken. Wij waarderen enorm al het harde werk wat jullie voor ons verrichten, en we zijn zo trots dat we jullie als onze landgenoten kunnen noemen. Ik kan namens heel Panem spreken, vanuit de grond van mijn hart, en zeggen dat wij allen als broeders van jullie houden. Mogen jullie dat nooit vergeten!"

Mijn hand ligt inmiddels zachtjes geplaatst op mijn borst terwijl mijn grote lach zich heeft verwisseld voor een kleine, meelevende glimlach. Achter de camera zie ik Tenney en Janaff een brede grijns op hun gezichten hebben, maar die negeer ik volkomen. De reacties in het publiek zijn zoals altijd wisselend. Sommigen hebben een flinke frons tussen hun wenkbrauwen, sommigen kijken nog bozer dan ze al deden, sommigen glimlachen opgewekt en smiespelen met degene naast hun maar grotendeels van de mensen heeft dezelfde dode blik als voorheen. District 13 is altijd lastig op te zwepen, dus die moed heb ik wel laten varen. Ze zijn geen district 2 of 4.

"Maar helaas hebben we enkele nieuwe regels, die voor ons even moeilijk zijn om uit te delen als ze voor jullie zijn om te ontvangen. Maar het zijn moelijke tijden, voor ons allemaal, en we moeten allemaal tandjes bij zetten om een gelukkig Panem te behouden."

"Voor jullie, ja!"

Plotseling wordt mijn redevoering onderbroken door een persoon in het publiek die met zijn vuist in de lucht gestoken zijn stem opheft. De glimlach op mijn gezicht verzwakt niet, ik wend mijn blik alleen naar de vredebewaker die voor het podium staat en geef hem een klein knikje, waarna hij het publiek instormt. Ik hoor mensen schreeuwen, ik hoor mensen gillen, maar ik ga gewoon door met mijn woorden alsof er niets gebeurd is. Ik negeer zelfs het geweerschot dat enkele seconden later over het plein weerklinkt, gevolgd door nog harder, ijselijker geschreeuw.

"Als eerste worden de belastingen de aankomende maand met dertig procent verhoogd in de districten 7 tot en met 13, omdat het Capitool inkomsten tekort komt voor het dure onderhoud van de districten."

Wat rumoer ontstaat in de zaal, maar niemand durft harder te praten dan fluistertoon na gezien te hebben wat er met die man gebeurde. Ikzelf heb niet eens gezien welke man en neer werd geschoten. Ik hou mijn blik strak gefocust op de bakkerszaak tegenover het Vredesgebouw. Ik hoef hun hopeloze gezichten niet te zien.

"Ten tweede zullen de bestraffingsregels in district 13 specifiek helaas strenger moeten worden. Voor de exacte regels zal er een pamflet uit worden gedeeld, maar de grootste veranderingen zullen zijn; vijftig in plaats van twintig zweepslagen bij weerwoord tegen gezaghebbers. Daarnaast kunnen we helaas niet meer het risico nemen de personen die buiten de hekken van district 13 worden gezien simpelweg op te pakken, dus die zullen met ingang van vandaag doodgeschoten moeten worden. En het voorschrift van de amputatie van de linkerhand bij diefstal zal worden ingetrokken."

De reacties op de eerste twee veranderingen brengen nog meer oproer met zich mee dan net, en laat mij bijna een tweede kinkje geven aan de vredebewaker naast het podium, maar als ik de derde uitspreek weet ik ineens iedereen stil te krijgen. Iedereen denkt dat er voor eens een positieve verandering is in het wetboek. Maar ze hebben ongelijk.

"Met ingang van nu zal de doodstraf gelden op diefstal."

Dan pas komt het publiek echt in tegenstand, en zie ik alle ogen niet meer doods maar vol pure haat naar me staren, maar ik beantwoord die blikken slechts met een brede glimlach. Ik weet dat hun blikken niet naar mij gericht zijn. Ze denken mij te haten, maar de persoon die ze in werkelijkheid haten zit veilig in het kantoor van zijn presidentsvilla. En grappig genoeg haat ik hem evenzeer, zijn hele familie wat dat betreft, met uitzondering van zijn oudste zoon met wie ik praktisch opgegroeid ben. Maar goed, als ik die onder de bus zou kunnen gooien voor een betere positie zou ik daar ook niet twee keer over na hoeven denken, hij is en blijft een Pandwid. En ik verafschuw Pandwids.

Dus ach, eigenlijk verschillen we toch niet zo heel veel van elkaar. Alleen sta ik hier in mijn pak waarvan de manchetknopen alleen al driehonderd denariën zijn op het podium, en staan zij daar beneden. Arm en triest.

"Ik dank jullie allemaal voor jullie aand-"

"Zeer indrukwekkend." Ik word plots onderbroken door een schelle stem uit het publiek, wat ik wel gewend ben. Maar de stem klinkt anders. Het klinkt niet als een woedende arbeider. De stem klinkt kalm en rustig, bijna cynisch. Ik schiet met mijn ogen over het publiek heen om te zoeken naar de afkomst als hij zijn woorden vervolgt. Ik weet dat dit iets anders is dan normaal vanaf het moment dat ik hem zie. "Zeer, zeer indrukwekkend, Icarus. Je hebt me bijna overtuigd, echt bijna! Maar met een grote glimlach en lieflijke woordjes kom je er niet. Niet meer tenminste."

Ik merk aan mezelf dat ik ietwat uit het veld geslagen ben door de rare verschijning. Hij draagt geen oude lompen of stoffige kleren, maar een pak. En strak, licht glimmend pak en zijn bruine haren zijn strak naar achteren gekamd. Hij valt compleet buiten de boot tussen zijn omgeving, en dat maakt me nerveus. Maar al snel besef ik dat ik niet bang hoef te zijn. Ik raap mezelf bijeen en geef de vredebewaker een knikje, seinend dat hij hem moet arresteren. Maar tot mijn grote verbazing blijft hij staan.

Hij blijft staan, met een grote grijns op zijn gezicht.

"De jaren waarin het Capitool ons onderdrukt is voorbij, een nieuwe periode is aangekomen en in die periode is er geen slavernij. Zelfs jullie egocentrische, corrupte klootzakken zullen geen slaven van ons zijn zoals wij dat van jullie zijn," spuwt de man vol haat uit, met een onmiskenbare kracht in zijn woorden. Hij komt langzaam door de menigte naar voren gelopen, terwijl het hele publiek stilvalt en luistert naar zijn woorden. Ik voel mijn hart dreunen tegen mijn borstkas en mijn hele lichaam warm worden van de zenuwen. In pure paniek blijf ik maar seinen naar de vredebewakers, maar geen van hen komt in actie. Ik kijk naar het publiek en voor het eerst lijkt iedereen te grijnzen. Tot mijn grote verbazing zie ik de man die net naar me schreeuwde en daarna vermoord werd nog levend staan, kijkend naar mij met genot in zijn ogen. Er is iets mis, er is iets goed mis. "We zullen jullie allemaal maar moeten vermoorden."

Op dat moment haalt hij een zwarte revolver tevoorschijn en richt hij deze niet op mij maar op Tenney en Janaff. Hij haalt de trekker over en voor ik het weet zie ik de kogel recht door Janaff's hoofd verdwijnen, en knalt de camera in duizenden stukken neer op het podium. Tenney schreeuwt vol doodsangst terwijl ik bevroren blijf staan. Ik kijk sprakeloos toe hoe hij probeert te vluchten, maar vastgegrepen wordt door een vredebewaker. Een bekende vredebewaker.

De eenogige man heeft de spartelende Tenney stevig vast, met een ziekelijke grijns op zijn gezicht. Hij haalt lachend een mes tevoorschijn en brengt deze langzaam fluisterend naar zijn gezicht.

"Groetjes van Sisi de Cycloop."

Tenney's geschreeuw gaat door merg en been als de vredebewaker zijn linkeroog er met zijn mes uitsnijd, waarna deze als het as van onze sigaretten op de grond valt en langs Janaff's levenloze lichaam rolt. De vredebewaker laat hem niet lang lijden, werpt zijn spartelende lichaam neer op de grond en schiet een kogel dwars door zijn hoofd. Dood.

Dan wendt hij zich tot mij en komt hij langzaam naar me toe bewogen. Ik kan niet eens meer bewegen, ik kan niets meer uitkramen, schreeuwen of huilen maar lijk in complete shock. Mijn hele lichaam kan alleen trillen van angst als hij maar dichterbij blijft komen. Hij grijpt me vast en ik voel een koud apparaat tegen mijn nek aangezet worden. Hij draait me om richting het publiek en mijn hart zakt bijna in mijn schoenen als ik de man in pak vlak voor me zie staan met een glimlach op zijn gezicht.

"Mijn naam is Ferran Dreslar, en welkom in de Circenses."

Ik voel een elektrische shock in mijn nek en mijn blikveld wordt zwart.