Alleen
Professor Severus Sneep wachtte in de schaduwen tot Albus met Harry naar zijn kantoor was vertrokken. Toen ze uit het zicht verdwenen waren, glipte hij opnieuw het kantoortje in. Hij wilde het vertrouwen van het schoolhoofd niet beschamen, maar wat hem te doen stond, was belangrijker dan dat. Minerva toverde net een ketting tevoorschijn – waarschijnlijk had ze de ontsnapping van Sirius Zwarts van een jaar eerder in gedachten – toen ze getroffen werd door zijn Waanzichtsspreuk. Even keek ze hem verward aan.
"Wat wilde Albus dat ik deed?" vroeg ze.
"Hij vroeg om Droebel te gaan halen," loog Severus.
"Oh ja, natuurlijk," zei ze en ze liep de kamer uit.
Toen Minerva verdwenen was, richtte Severus zijn aandacht op de magere man met de stroblonde haren die vastgeketend op de stenen grond zat. Hij zat met zijn rug naar de deur en keek niet op toen Professor Anderling de deur achter zich sloot. Severus liep naar hem toe en raakte zacht zijn schouder aan. Hij dacht dat de gevangene misschien buiten bewustzijn was, maar hij trok zich weg en kroop zo ver mogelijk van hem vandaan als de kettingen toelieten. Zijn donkerbruine ogen speurden schichtig de kamer af, onrustig, op zoek naar iets dat hem zou kunnen helpen om te ontsnappen of om zichzelf te verdedigen. Als een in het nauw gedreven dier.
Severus keek in die bruine ogen en zocht er naar iets vertrouwds, iets dat hij zou herkennen van die ene avond twintig jaar geleden, die hem altijd bijgebleven was. Hij zag enkel krankzinnigheid. De jongen die zijn onzekerheid probeerde te verbergen achter een brutale tong, de jongen die zijn lippen op de zijne had gedrukt, de jongen die hem zijn grootste geheim had laten zien, die jongen was er niet meer.
"Wat doe jij hier, Severus?" snauwde Barto Krenck Junior. Zijn stem klok schor door het vele praten die avond. Hij trok onwillekeurig met zijn mondhoek.
"Ik dacht dat je dood was," zei Severus.
"Ha, geniaal, niet?" zei Barto met een boosaardige grijns op zijn gezicht. "En nu is de Heer van het Duister teruggekeerd. Dankzij mij. Je zou verheugd moeten zijn, Severus. Jij wilde altijd een van zijn volgelingen worden. Ik heb hem teruggebracht. Ik liet hem niet in de steek. Ik deed wat niemand anders kon."
"Me bij hem aansluiten was de grootste vergissing die ik ooit gemaakt heb in mijn leven," zei Severus.
"Help me ontsnappen," zei Barto. "Samen kunnen we grootse dingen doen aan de zijde van de Heer van het Duister. Hij zal ons met open armen ontvangen als zijn trouwste dienaren."
"Ik ben niet naar hier gekomen om je te helpen ontsnappen," zei Severus.
"Waarom ben je dan hier?" vroeg de Dooddoener.
"Ik hoopte dat ik zou te weten komen wanneer het is misgelopen. De Barto die ik me herinner van Zweinstein, zou dit nooit gedaan hebben."
"Je weet wanneer het is misgelopen," siste Barto fel.
"Ja," zei Severus.
Hij knielde neer bij de geketende man. Hij stak zijn hand uit en streelde door de stroblonde haren en langs het bleke gezicht. Tranen maakten zijn zicht troebel. Langzaam boog hij zijn hoofd naar voren. Zijn lippen raakten de trekkende mond van de gevangene, die zich ontspande. Hij voelde hoe Barto de kus beantwoordde. Een tinteling verspreidde zich door zijn lichaam en even was hij terug die onzekere jongen van zestien in de Kamer van Hoge Nood.
Hij wist niet of de kus seconden of uren had geduurd, maar uiteindelijk werd het contact tussen hun lippen verbroken. De bruine ogen waren tot rust gekomen, de meedogenloosheid was eruit verdwenen, de jongen van veertien was terug.
"Mijn volgende kus zal vast niet zo aangenaam zijn," zei Barto. Hij probeerde te lachen, maar zijn ogen waren eindeloze diepten van angst en verdriet.
Severus wierp een blik op de deur. Elk moment kon Minerva met Cornelis Droebel naar binnen komen. In het beste geval werd Barto opnieuw naar Azkaban gestuurd. Severus wist echter wat Dementors gewoonlijk deden met gevaarlijke moordenaars die al eens ontsnapt waren uit de Tovergevangenis. Hij wenste dat er iets was wat hij kon doen om hem te helpen, maar er was niets. Zijn verstand wist dat Barto zijn hulp niet verdiende, maar zijn hart vertelde hem dat de rollen evengoed omgedraaid konden zijn. Allebei hadden ze een vervanger gezocht voor de vader die er nooit voor hen was. Hij had het geluk gehad dat Albus hem uiteindelijk had opgevangen, Barto was bij Jeweetwel terecht gekomen. Hij had een tweede kans gekregen, Barto zou niet zoveel geluk hebben.
"Ik ben zo bang," fluisterde de ter dood veroordeelde. Hij kon zich niet langer sterk houden en huilde bittere tranen.
"Ik ben hier," zei degene die gratie had gekregen. "Ik laat je niet weer in de steek. Ik blijf hier tot het einde."
Severus sloeg zijn armen om de man heen. Hij wilde hem zeggen dat alles in orde zou komen, maar hij kon het niet over zijn lippen krijgen. Het was te laat voor valse hoop. Ze wisten allebei hoe het zou aflopen. Ze waren samen, maar hun samenzijn benadrukte alleen maar het feit dat ze hierna weer alleen zouden zijn.
Geluidloze tranen liepen over Severus' gezicht en hij voelde Barto schokken in zijn armen.
"Dank je," zei Barto.
"Waarvoor?"
"Om te begrijpen."
-EINDE-
