Ik rende zo hard als ik kon naar de stuurcabine en botste daar hard tegen de deur aan. Ik was zo boos dat het niet eens pijn deed. Mijn gezicht was witheet. Ik kookte over. Ze hebben gelogen. Ze willen mijn bloed wel op drinken. Ik vertrouw ze niet meer. Ik vertrouw ze niet. Ik wil hier weg. Nu meteen.
De deur ging open. Alios en Christiaan komen naar me toen en kijken me afschuwend aan. Ik begreep hun blikken niet. Ze hadden ergens moeite mee. Ik keek ze aan en toen gingen het me allemaal even te snel. Voor ik het wil lag ik op de grond en zaten er twee mannen op me. Wat hebben ze toch? Ze worden steeds raarder. Ze het dan misschien toch? Nee, dat kan gewoon niet. Die bestaan helemaal niet. Ik had een bloedneus. Alios kon zich niet ik houden en likte het bloed van me lippen. Het kietelde. Mijn vermoede was meteen bewezen. Ze hielden van bloed. Ze dronken het. Soms zelf vers uit het lichaam. Maar wat zijn het voor wezens? Zijn het dan toch 'Vampier"?
Het moet wel. Nee, het kan gewoon niet. Dit was het enige wat nu door mijn hoofd heel ging. Toch is dat raar, want ik wist dat ik langzaam leeg gezogen werd. Ik deed er niks tegen. Helemaal niks. Ik moet toch iets kunnen doen. Denk Myra denk.
Ik werd steeds zwakker en zwakker. Ik voelde het bloed uit mijn lichaam weg trekken. Ik kon flauw vallen als ik dat wilden, maar ik verzette me hevig. Ondertussen waren ze over gegaan naar mijn armen. Aan allebei de kanten één. Geen prettig gevoel, dat was zeker. Het deed gewoon pijn. Hun tanden waren scherp. Oh, alsjeblieft hou op! Nee,, nee, nee. Ik wil dit zo niet. Ik wil niet zo eindige. Ik belande in een wazige wereld. Niks was nog scherp. Het enige wat ik nog voelde waren hun tanden in mijn verzamelde mijn kracht en wist iets uit te stoten.
"AU" Mijn stem was bijna helemaal weg, maar ik wist dat ze me gehoord hadden. Toen was ik weg. Ik storten van de wereld en voelde helemaal niks meer. De pijn was me te veel geworden.
Ik werd wakker in een bed. Ik hoorde ze smoezen, dus ik deed of ik nog sleep. Ik luisterde naar hun verhaal. Het ging over mij. Ik wilde nog even slapen.
Ik moet het ze vertellen. Dat ik weet wat ze zijn. Het moet. Ik lag te piekeren over van alles. Ik was zo moe. Mijn ogen konden niet open blijven. Maar ik kon gewoon niet slapen. Er ging te veel om in mijn hoofd. Ik moet eerst slapen voor ik ze het ga vertellen. Anders val ik misschien weer flauw of val ik in slaap onder me verhaal. denk aan iets leuk. Aan je vriendinnen, je zusje of je ouders. Het werkte ik viel in slaap.
Ik schrok wakker. Christiaan zat naast me. Hij keek me een beetje verdwaast aan. "Zal ik een slaapliedje voor je zingen?"vroeg hij."Misschien val je dan in een rustige slaap." Ik keek hem nu verdwaast aan. "Hoezo? Wat doe ik dan allemaal in mijn slaap?" Ik vroeg het me gewoon af. Ik keek hem smekend aan. "Je schreeuw, je roept namen die ik niet ken en het lijkt of je met iemand vecht ofzo. Waarschijnlijk komt het door het bloedverlies." Hij neuriede een heel vreemd lied je, maar het werkte wel. Mijn oogleden werden zwaarder en vielen dicht.
Mijn droom was raar. Ik rende in een bos. Alleen. De zon scheen. Het was warm. Bang voor alles wat ik hoorde en zag. Ik rende een grot in. Een donkere grot. Er zat een meisje. Ik liep naar haar toe. Ze keek me aan. We herkende elkaar. Het was Isabella. Mijn fantasievriendin. Ze kwam me waarschuwen, net als altijd. Vroeger toen ik nog klein en onschuldig was. Nooit bang, altijd blij. Isabella's gezicht maakte me bang. Ze keek duivels. Haar stem was ook duivels. "Myra, pas op. Laat je niet in de maling nemen." Toen was ze weg. Ik riep haar nog, maar ze was weg.
Weer was ik wakker. Dit keer zat er niemand naast me. Ik liep maar de keuken en pakte een zakje bloed. Het is toch mijn eigen bloed. Ik was nog steeds zwak. Ik viel weer op mijn bed en zoog het zakje langzaam leeg. Ik vond het eigenlijk wel lekker. Het deed me goed. Ik had geen hoofd pijn meer en ik kon nu makkelijker in slaap vallen. Voor ik echt sliep hoorde ik Alios en Christiaan nog praten. Natuurlijk over mij. Ze hadden waarschijnlijk gezien wat ik had gedaan.
Deze droom was minder eng. Hij was eerder vrolijk. Ik was op een open plek in een bos. Mijn ouders, me zusje en mijn vriendinnen. We hadden een feestje. Isabella was er ook. Ze feestte lekker mee met de andere dit keer. Ik kreeg allemaal cadeautjes en knuffels. Waarom eigenlijk? Ik was niet jarig. Ik negerde het en genoot van de aandacht. De zon begon te schijnen en scheen precies in mijn gezicht.
Ik werd wakker van een felle straal licht, die precies in mijn ogen scheen. Net zo vel als in mijn droom. Ik kreeg mijn ogen niet ogen dus ik stapte uit het bed. Toen zag ik pas waar ik was. Ik lag niet in een bed, ik lag in het zand. Ik was op het strand. Ik was in Mexico. Ik sprong op en rende weg. Het bos in. Weg van alles wat was gebeurt.
Ik rende door het bos. Harder dan mijn benen aan konden. Alleen. Telkens om me heel kijkend. Ik was bang. Bang dat ze me kwamen halen. De zon scheen. Het was warm. Maar het stelde me niet gerust. Ik gingen er alleen maar harder van rennen. Harder en harder. Steeds verder het bos in. Ik was de weg al lang kwijt. Alles leek zo op elkaar. Ik rende gewoon ergens heen.
Ik zocht naar een schuilplaats. Het begon koud te worden. De zon verdween langzaam achter de bomen. Ik letten even niet op mijn voeten. Struikelde. Viel tegen een boom met mijn hoofd. Alles werd meteen zwart.
Ik had hoofdpijn toen ik wakker werd. Ik lag op een harde ondergrond. Het was donker en koud. Ik keek rond. Ik lag in een grot. Tegenover me zat een meisje. Ik keek maar haar. Ze lijkt op Isabella. Zou het haar zijn? Dat kan helemaal niet.
