Hoofdstuk 6: Grappenmakers Verenigd.

De weken vlogen voorbij. Tussen al zijn klassen door, zijn nieuwe vrienden en hij probeerde zijn ouders elke dag te schrijven, had Harry nauwelijks tijd om op adem te komen. De gebeurtenis in de trein had hem, Hermelien en Ron samen gebracht en de professors vonden al dat ze onafscheidelijk waren. Sneep, natuurlijk, haatte hen alledrie en vooral Harry, die wist dat zijn vader en de toverdrank leraar liever op elkaar spuugde dan normaal met elkaar te praten. Er waren momenten waarin hij zich afvroeg of Ron misschien gelijk had; het slijmerige hoofd van Zwadderich leek alles te zijn wat een Dooddoener ook was. Hoewel, de andere professors, aardig waren, alhoewel hun eigen afdelingshoofd, Professor Lorrebos, was een beetje moeilijk te begrijpen. Iedereen op Zweinstein wist van professor Lorrebos zijn verleden, natuurlijk, niemand durfde er commentaar op te geven - zelfs de oudere Zwadderaars, zoals Marcus Hork, leider van de "Junior Dooddoener Groep" zoals Ron hen had genoemd, behandelde hem met respect. Misschien had dat wat te maken met de littekens die op de rechterkant van Professor Lorrebos zijn gezicht zaten, of misschien waren het zijn heldere krachten, maar Harry kon het niet schelen wat er met de Professor van Transfiguratie aan de hand was. Het maakte rondsluipen door het kasteel een stuk makkelijker.

De verhalen die zijn ouders hem verteld hadden waren niets vergeleken met het echte leven. Alhoewel hij wist dat 1 van zijn vaders beste vrienden het Zweinstein record had van het meeste nablijven in een semester (met zijn vader op de tweede plaats, hij had er maar twee minder), Harry wilde het record niet verbreken. Liever, wilde hij meer plezier hebben terwijl hij in minder problemen komt. Het was ook wel fijn dat een van zijn vaders andere vrienden het schoolhoofd was (gelukkig, was geen van de studenten daar achter gekomen, omdat Harry zeker wist dat Remus geen favoristme liet zien, wist hij dat rotzakken zoals Malfidus het nooit zo zouden zien), maar hij was verzekerd dat hij het kon maken in zijn eentje.

Hoewel het beste gedeelte was, dat hij als enige eerstejaars in het Zwerkbalteam mocht spelen en dat kwam door zijn eigen talent. Harry had natuurlijk, al Zwerkbal gespeeld sinds hij kon lopen, maar niet zoals zijn vader, Harry was geen jager. Nee, hij was er trots op dat hij zoeker was en dat was een talent helemaal van hem zelf. Het was anders Zwerkbal spelen op Zweinstein, maar hij hield er even veel van… zelfs al was het niet het zelfde dan spelen met zijn vader, moeder, Remus en Peter op Zaterdag middag bij Remus thuis. Madam Hooch had zijn talent meteen opgemerkt en had het aan professor Lorrebos verteld en dat had geeindigd met Harry in het Griffoendor Zwerkbalteam. De wereld, had hij snel beslist, was perfect.

Als hij nu maar kon vinden waar hij naar zocht…

"Het lijkt op een oud stuk perkament," zei Harry zachtjes tegen Ron en Hermelien. Ze zaten aan het einde van de Griffoendor tafel in de Grote Zaal en een paar lege plaatsen verwijderde het trio van hun klasgenoten en nieuwsgierige oren.

"Zo wat is daar mee?" Wonderde Ron. Ze waren vrienden voor een maand nu, maar ze konden elkaar heel goed aflezen en Ron wist wat de blik op zijn gezicht betekende. De drie hadden nu al weken naar de grappen van Fred en George Wemel gekeken en hun handen jeukten om ook wat uit te halen (of tenminste, Harry en Rons handen; Hermelien had een beetje overhaling nodig, maar ze hadden haar toch overgehaald).

"Nou het is geen gewoon oud perkament," antwoordde Harry met een sluwe glimlach. "Het is een kaart. Het ziet er alleen uit als een oud stuk perkament."

"Hoe maak je een kaart die er niet uit ziet als een kaart?" zei Ron fronsend. Hermelien gaf hem een elleboog stoot.

"Eerlijk, Ron. Het is magisch."

Ron rolde met zijn ogen. "Natuurlijk is het magisch. Ik was alleen aan het wonderen hoe het werkte."

"Juist," ze snoof.

"In ieder geval," zuchtte Harry om hun aan dacht van hun geruzie af te houden. "Het heet De Sluipwegwijzer. Ik weet niet echt hoe die werkt… maar ik weet dat die bestaat. En ik weet dat het heel Zweinstein laat zien… inclusief de geheime gangen die er zijn."

Rons ogen lichten op, maar Hemelien fronste haar voorhoofd.

"Komen we al niet in genoeg problemen?" vroeg ze zuur.

"Waar is je gevoel voor avontuur, Hermelien?" daagde Ron haar uit.

Harry voegde er grijnzend aan toe. "We hebben nog niet hoeven nablijven."

"Er werd gisteren wel tegen ons geschreeuwd," antwoordde ze koppig.

"Professor Sneep telt niet," antwoordde Ron vinnig.

"Kom op, Hermelien. Je weet dat je het kasteel wilt onderzoeken," zei Harry voorzichting. "Denk aan al de dingen die we nog nooit gezien hebben. Er zijn waarschijnlijk kamers waar al jaren niemand is in geweest."

"Denk maar dat het Geschiedenis van de Toverkunst is, alleen dan wat interesanter," ging Ron verder.

"Ik vind Geschiedenis van de Toverkunst leuk," zuchtte Hermelien. "Geven jullie twee nou nooit eens op?"

"Nee." Lachtte Harry.

"Je weet dat je van ons houdt," grijnsde Ron.

"Ik weet niet waarom ik hier aan mee doe…" Hebbes! Dacht Harry blij. Hij wou zo graag het kasteel onderzoeken waar hij zoveel over gehoord had (maar nooit zoveel zodat de verrassingen weg gingen, zoals zijn vader het noemde), maar hij had het niet willen doen zonder zijn vrienden. Hermelien had echter eindelijk toegegeven. "Dus waar vinden we deze kaart?"

"Dat is het punt," gaf Harry toe. "Dat weet ik niet."

Hermelien gaf hem een boze blik, klaar om hem een tirade te geven over dat hij hen zo opgewonden had gemaakt over iets wat hij niet had, maar Ron glimlachte alleen wijd. Zijn antwoordt kwam meteen.

"Fred en George. Zij weten het wel."


Die avond, wisten de drie, de tweeling in een hoek te drijven van de Griffoendor leerlingenkamer. De vijf studenten zaten bij het vuur, alleen en bijna onherkenbaar - Percy had natuurlijk gevraagd wat ze aan het doen waren, maar Hermeliens onschuldige glimlach had hem simpel weg laten gaan. Hermelien zou natuurlijk nooit problemen veroorzaken, dus de klassenoudste ging weg zonder verder commentaar te geven, hij geloofde haar toen ze zei dat Fred en George de drie aan het helpen waren met hun Bezweringen huiswerk. Toen de oudere Wemel verdween door het portretgat, grijnsde de tweeling geamuseerd.

"Jij bent onze nieuwe beste vriend, Hermelien," grinnikte George.

"Hij geloofd jou," voegde Fred er blij aan toe.

Hermelien probeerde ze een boze blik te geven, maar Harry zag dat ze een beetje rood werd. Het was goed om vrienden te hebben en Rons oudere broers kwamen daar heel dichtbij. Maar toen werd de tweeling serieus en Fred ging verder. "Zo, Harry, waarover wilde je met ons praten? Ron zei iets over plannen maken."

"Ik vroeg me af," Harry haalde diep adem, "of jullie wel eens gehoord hebben van De Sluipwegwijzer."

"De wat?" vroeg George meteen, net toen Fred antwoordde, net iets te snel,

"Nee."

Harry's wenkbrauw ging omhoog. Hij was eerst niet zeker geweest, maar de snelheid van dat ze niets wisten gaf hun weg. Hij sprak met een zacht sarcastisch toontje die ze niet konden missen. "Echt niet?"

Twee paar groene ogen bestudeerde hem heel aandachtig, ze wisten heel goed dat Harry ze door had. Voor een moment, leek het erop dat ze gingen proberen zich uit deze situatie te wormen, maar het maakte niet uit wat ze waren, geen van de Wemel tweeling was dom. Na Harry goed bestudeerd te hebben, wierpen ze beiden een blik in de lege leerlingenkamer. Eindelijk, sprak Fred weer.

"Wat ik graag zou willen weten, Harry, is hoe je gehoord hebt over de kaart. We hebben het nooit aan iemand vertelt behalve Leo en ik weet dat hij het niet aan jou heeft vertelt."

"Ik maak een deal met je," glimlachtte hij. "Ik zal jullie alles vertellen over De Sluipwegwijzer, als ik hem kan zien."

De tweeling wisselde blikken met elkaar en Harry kon ze zichzelf zien afvragen wat hij misschien wist van de kaart wat zij nog niet geleerd hadden. Een moment van stille communicatie ging tussen hen en toen haalde Fred zijn schouders op. George knikte. "Ik ga hem wel halen."

Een paar minuten later. Kwam George terug met een oud uitziend perkament en Harry voelde zijn hard een slag overslaan van opwinding. Hij had over De Sluipwegwijzer gehoord voor jaren, maar hij had hem nog nooit gezien. Het was bijna alsof hij een stuk van Zweinsteins geschiedenis zag. George gaf de kaart aan Harry, hij pakte het aan met een kleine glimlach. Hij wist dat dit een test was, maar dat maakte hem niets uit. In feite, hij begreep waarom de tweeling de kaart zo voorzichtig beschermde - het was een parel die je niet kon betalen. Hij pakte zijn toverstok uit zijn gewaad en richtte hem op de kaart, hij moest zijn best doen om de grijns op zijn gezicht te verbergen. Hij kon niet geloven dat hij nu echt De Sluipwegwijzer vasthield! Harry raakte het perkament lichtjes aan met het puntje van zijn toverstok.

"Ik zweer plechtig dat ik snode plannen heb." Meteen, begonnen er lijnen op het papier te vormen, over elkaar kriskrassend tot dat er een mooie kaart was ontstaan en boven aan stonden de woorden waarvan hij wist dat ze er zouden zijn. Er was geen hoop dat hij die grijns nu nog kon verbergen; Harry kon zichzelf niet helpen. Maar hij lachtte maar niet hard op toen hij de kaart terug gaf aan George, hij staarde naar het, ademloos.

"Hoe wist je hoe je dat moest doen?" eisde Fred. "Het heeft ons weken gekost om het uit te vinden!"

"Simpel." Glimlachtte Harry. "Mijn vader is Gaffel."

"WAT?" beiden waren verbaasd. Fred viel bijna op de vloer van de shock en George sprong op, bijna liet hij De Sluipwegwijzer vallen en hij moest zich bukken om te zorgen dat die niet op de grond terecht kwam. Zelfs Ron en Hermelien staarde hem verrasd aan; hij had het hen niet verteld tot dat hij zeker wist dat ze de kaart zouden vinden. Hoewel nu begonnen ze opgewonden te kijken en hij kon zien dat Ron, de mogelijkheden begon in te zien. Harry echt knikte alleen.

"Jou vader…" begon George.

"Gaffel? Jij kent Gaffel?" vroeg Fred. "En de anderen?"

"Ja," antwoordde hij. "Pap en zijn vrienden maakte het in hun zesdejaar."

De tweeling wisselde een opgewonden blik. George ging terug zitten. "Vertel ons over de anderen."

"Nou, dat is het beste gedeelte," antwoordde Harry met een grijns. "Wormstaart is mijn vaders vriend, Peter Pippeling. Hij werkt op het Ministerie van Toverkunst."

Ron knikte meteen. "Pap kent hem. Hij is het vervangend hoofd voor de afdeling Internationale Magische Samenwerking, toch?"

"Ja. Maar raad dit… Maanling is Professor Lupos."

"WAT?" Deze keer waren het alle drie de Wemels, maar Hermelien antwoordde meteen.

"Dat is onmogelijk. Hij is het schoolhoofd, Harry!"

Harry lachtte. "In onmogelijk. In feite, Remus - oeps, ik bedoel Professor Lupos - is een van mijn vaders beste vrienden. Hij en Peter allebei; zij waren eigenlijk de gene die me er eerst over vertelde. Maar dat was voor dat Professor Lupos schoolhoofd was. Ik denk niet dat hij wil dat ik er nu over weet." hij grinnikte. "Weet hij dat jullie twee hem hebben?"

"Ik denk het niet," antwoordde George bedachtzaam.

"Maar het is heel hard om hem voor de gek te houden," gaf Fred toe.

"Wie is Sluipvoet?" vroeg George opeens en Harry voelde een vlaag van verdriet, hij herinnerde zicht de blik op Remus gezicht de dag toen die hem vertelde over de kaart… en het leiden van andere dagen in het verleden, sommige die hij nauwelijks kon herinneren, maar het had zijn ouders diep geraakt.

"Sluipvoet was Sirius Zwarts," zei hij zachtjes. "Hij was mijn peetvader."

"Was?" Ron had de verandering het snelst door.

Harry knikte. "Hij was de geheimhouder van mijn vader en moeder, toen ik een baby was. Voldemort nam hem gevangen en heeft hem vermoord." Hij was voor een moment even stil. "Ik herinner me niet zo heel veel van Sirius," zei hij zachtjes en hij probeerde te lachen. Het was verdrietig; hoewel hij zijn vaders oude vriend niet kon herinneren, had Harry altijd het gapende gat gezien wat Sirius verlies had veroorzaakt bij zijn vader en de andere Marauders. Hij kon alleen een paar herinneringen terug halen van zijn peetvader, maar hij had een lachende en gelukkige man in gedachten die genoeg van zijn vrienden hield om voor ze te sterven - en hij had hen nooit verraden. Harry wist dat hij zijn leven te danken had aan Sirius Zwart; hij hoopte alleen dat hij Sirius kon herinneren.

"Maar mijn moeder en vader praten soms wel eens over hem. Hij kwam in heel veel problemen toen hij hier op school zat… Professor Lupos zegt dat hij nog steeds het record heeft van het meeste nablijven in een periode."

Fred en George knikte. De laatste antwoordde, "Nog een ding waar Jeweetwel voor moet boeten."

"Ja," ging Ron stilletjes akoord en ze werden allemaal even stil, Harry wist waar de Wemels aan dachten. Er was bijna geen tovenaars familie die geen familie lid had verloren in de oorlog en de Wemels waren geen uitzondering. Twee jaar geleden, Charlie Wemel, schouwer, was vermoord door een onbekende Dooddoener. De moordenaar was nooit gevangen.

"Nou," zei Fred eindelijk met een geforceerde glimlach. "Dank je dat je ons over de kaart hebt verteld, Harry. Het is fijn om te weten aan wie we ons succes te danken hebben." De tweeling stond op, maar Harry glimlachte. Een idee kwam net in zijn hoofd op en hij niets voor niets de zoon van een Marauder.

"Wil je dat succes nog groter maken?" vroeg hij.

Fred en George wisselde een blik uit. Ze ging terug zitten. "We luisteren."

"Ik stel een verbond voor," antwoordde Harry. "Jullie kaart en kennis over de school, plus wat mijn vader mij heeft verteld. Jullie twee en ons drie - we worden onverslaanbaar."

De tweeling keek bedachtzaam. Fred antwoordde langzaam, "Er is nog nooit een verschillend jaar groep van grappenmakers geweest."

"Dus laten we de eerste zijn," Ron grijnzde. Harry had het idee niet met zijn vriend besproken (hij had het net pas bedacht), maar Ron was duidelijk enthausiast. George echter was meer achterdochtig.

"Ik betwijfel of jullie minder weten dan wij," zei hij.

"Ik weet hoe we langs de Beukwilg kunnen komen."

Fred floot, maar Hermelien kwam er tussen voor iemand anders kon reageren. "Harry, dit is geen goed idee," zei ze. "Denk aan al de problemen waar we in terecht komen."

De tweeling keken haar schuin aan, maar Ron sprak voordat Harry zijn mond open kon doen. "Denk aan al de manieren hoe je Malfidus en zijn bende terug kan pakken, Hermelien."

"En ik ben niet van plan om gesnapt te worden," voegde Harry eraan toe. De idee om hun twee groepen samen te brengen was een goed idee, maar hij wou dat niet doen zonder zijn andere vriend. Hermelien twijfelde - Malfidus en de anderen waren haar al aan het pesten sinds ze haar op de trein hadden gezien (aangemoedigd door Professor Sneep, meer dan niet), en hij wist dat het haar pijn deed. Het zou haar helpen dat ze hen kon terug pakken, daar was hij zeker van - maar George snoof.

"Je wordt uiteindelijk altijd gesnapt."

"Maar maak je geen zorgen, het is niet zo erg," stelde Fred haar gerust.

Harry grijnsde. "Niet met wat ik heb."

"Je bent gek," antwoordde Fred. "Het maakt niet uit wat je vader je heeft verteld over Zweinstein, het gaat gebeuren. Niets wil elke keer lukken, zelfs niet met de kaart."

"Mijn vader gaf me niet alleen informatie," zei Harry. "Hij gaf me een onzichtbaarheidsmantel."

Ze staarde naar hem. Fred floot weer. "Wow. Ik neem terug wat ik net gezegd heb…"

"Denk aan alle mogelijkheden…" ging George akkoord.

"Dus, hebben we een deal?" Rons grijns dreigde om zijn gezicht door de helft te snijden. Zelfs Hermelien glimlachte eindelijk.

"Op een voorwaarden," antwoordde George. "Leo doet mee. We konden de helft van onze grappen niet uitvoeren zonder hem."

"Zes klinkt goed," zei Ron.

"Zes klinkt fantastisch," ging Hermelien akkoord. Harry glimlachte weer. Hij wist dat Hermelien zicht soms niet thuis voelde, zelfs met hem en Ron bij haar zijde en het was goed om te zien dat anderen haar accepteerde - alhoewel aan Rons broers had hij niet getwijfeld. Hermelien echter moest nog steeds wennen aan dat de helft van de Tovenaars haar als vuilnis behandelde en soms moest ze eraan herinnerd worden dat niet iedereen zo was.

"We hebben een naam nodig," zei Fred opeens.

"Jammer dat Marauders al is gebruikt," knikte Ron. "Dat is een inspirerende naam."

"Ik heb het," grijnsde George opeens. "Wij zijn de Misfist - the Magical and Invisible Society For Instigating Trouble."


"En daar was ik, ik probeerde de Duitse premier ervan te overtuigen dat magie echt bestaat," lachte Peter. "De arme man is gloednieuw met de baan - de oude had een hartaanval gehad - en de Minister van Toverkunst had haar handen zo vol dat ze nauwelijks tijd had om mij te spreken, laat staan het hoofd van de Dreuzel Ministerie. Dus, ik was de gelukkige ambassadeur die ik was, ik beloofde dat ik met hem zou spreken - dat was niet het slimste idee wat ik ooit had gehad - en ik was bijna gearresteerd en in een huis voor gekken gegooid."

Lily's wenkbrauwen schoten omhoog, maar James lachte. "Dat is passend."

"Wat heb je gedaan, Peter?" vroeg ze en ze gaf een vieze blik aan haar man.

"Nou, de arme man was aan het schreeuwen om zijn bodyguards, hij zei iets over een gekke Brit - hij was een beetje paranoïde - dus ik moest snel reageren. Een van hen stormde de kamer in en probeerde me te grijpen en het enige wat ik kon bedenken was om mezelf te veranderen in een rat. Dus dat deed ik en ik verstopte me onder zijn bureau terwijl ze probeerde uit te vinden wat er aan de hand was. Uiteindelijk, kwam het allemaal goed."

"En jij was de gene die dacht dat een faunaat worden een slecht idee was, Wormstaart," zei James met een grijns. "Het is toch wel handig, of niet?"

De blond-harige man lachte gemeen. "Ik ben tenminste een handig dier - niet zo'n lelijk beest met hoorns -"

"Gewei!"

"En geen sluipend kwaliteit." Zijn groene ogen twinkelde. "En ik ben legaal. Totaal boven de grond en eerlijk."

"Legaal?" gaapte James. Zijn Hazel bruine ogen werden zo wijd als donuts. "Je hebt je zelf geregistreerd! Jij verrader!"

Zijn antwoordt was gelach. "Natuurlijk heb ik me geregistreerd! Wat moest ik anders doen, het hele Duitse Ministerie van Toverkunst wist dat ik een faunaat was? Wat zou jij gedaan hebben, Gaffel, ze allemaal om te tuin hebben geleid?"

"Nou…" hij stopte daar. "Ik kan niet geloven dat je legaal bent…"

Lily lachte samen met Peter, ze klopte haar man comfortabel op de arm. "Probeer niet zo verdrietig te kijken, James. Het is niet dat je niet verantwoordelijk geworden bent in je oude jaren."

"Verantwoordelijk," eisde hij. Voor een moment voelde het weer alsof James zestien was; nu hij met Peter en Lily aan de keukentafel in de Halvemaanstraat zat, bracht dat zoveel oude herinneringen op. Ze konden bijna naar Zweinstein voor hun zevende jaar, een pauze nemen van hun gekke studeren voor de PUISTen die eraan kwamen. Als hij zich concentreerde, kon hij zich verbeelde dat ze in de bibliotheek zaten, studeren voor Voorspelend Rekenen, zoals ze heel vaak gedaan hadden… En als ze niet voorzichtig waren, zou Madam Rommella daar staan omdat ze zo onverantwoordelijk luid waren. Hij grinnikte. "Sinds wanneer ben ik verantwoordelijk?"

"Moet ik het voor je op een rijtje zetten?" zei zijn vrouw. James zuchtte, kijkend naar haar - ze was zo mooi, maar er was die verdraaide flits in haar ogen, de gene die zij dat ze niet op zou geven.

"Niet echt," gaf hij toe. Lily zou toch winnen. Ze won altijd.

"Goed," grijnsde Lily. "Ik ben blij dat je door hebt dat ik altijd gelijk heb."

"Altijd?" Snoof Peter. "Dat zal de dag zijn…"

"Peter!" Ze draaide zich om en gaf hem een boze blik en James voor een keer, was blij om te zien dat het deze keer voor iemand anders was bedoeld dan voor hem. Hij probeerde niet te lachen. "Ik probeer je te helpen! Je moet hier aan mijn kant staan!"

"Tegen een andere Marauder? Nooit!"

"Oh, daar krijg je spijt van, Peter Pippeling!" zei Lily boos. "Ik had chocolade toetjes gemaakt, maar op de manier dat jij je gedraagt, voel ik niets om ze met jou te delen…"

"Ooh, dat is gemeen," zei James lachend. Hij leefde in het huis - en hij wist waar hij eten kon vinden als zijn vrouw even niet keek. Maar Peter moest morgenochtend naar Frankrijk vertrekken.

"Lily, kom op," smeekte de kleinere man. "Ik ben aardig, dat beloof ik."

Ze wees met een vinger naar hem. "Dat kan je beter doen."

"Hey, ik ben het." Hij probeerde zijn meest charmante glimlach, waar Lily en James om moesten lachen.

"Ja, jij bent het, Peter," gaf ze toe. "En dat is het probleem!"

"Ik vind het geen probleem," gaf James als commentaar - toen "oofed" toen er een vinger in zijn buik prikte.

"Begin niet tegen mij, James Potter, of jij krijgt ook geen toetje!"

Hij grinnikte. "Daar twijfel ik aan."

"En waarom is dat?" eisde Lily.

"Omdat ik weet hoe ik je moet aan pakken," antwoordde James, grijnzend en hij deed zijn wenkbrauwen omhoog en omlaag. Hij zag een bekende schitter door zijn vrouws ogen gaan en zijn glimlach werd alleen maar groter toen hij zag dat Lily hem een boze blik wou geven.

"Weet je dat zeker?"

"Um hum." Hij leunde voorover, hij kuste haar zachtjes op haar lippen voor ze kon reageren. Ging James verder, hij mompelde, "Het is een talent, zie je."

"Oh, God. Jullie gaan toch niet weer beginnen he?"

Ze draaide zich allebei om naar Peter toen hij het moment verbrak, maar hun oude vriend zag er niet uit alsof hij het erg vond. Hij gaf ze alleen maar een wijzende blik die James al een miljoen keer eerder had gezien - het meeste toen ze nog op Zweinstein zaten, maar er waren er nog wel een paar honderd geweest in dit jaar - hij haalde zijn schouders op. Peter rolde met zijn ogen.

"Als jullie zo graag willen zoenen, ga dan de kamer uit," ging hij verder. "Nadat je de chocolade toetjes er uit hebt gehaald, natuurlijk."

James en Lily lachte. Het was goed om te weten dat sommige dingen nooit veranderde.