Hoofdstuk 7

Ik bleef staren naar het dorp onder ons. Wat was er aan het gebeuren? Ik snapte er niets meer van. Ik schudde mijn hoofd. Ergens moest er een antwoord zijn. Ik moest gewoon logisch nadenken. Ik kon praten met personages uit de Harry Potter boeken. Ik kon Zweinsveld zien, een dorp dat alleen magische mensen kunnen zien. Er kwam een gedachte in me op. Ik slikte mijn opkomende angst weg. Het hielp niet. Er was geen andere verklaring voor. Op een of andere manier was ik toch in de magische wereld, die Rowling had gecreëerd, terechtgekomen. Hoe kon ik anders verklaren dat Zweinsveld zag? Maar wilde ik dit wel? Wilde ik in deze wereld vastzitten?

"Nee…" Fluisterde ik. Het enige wat ik nu wilde, was dat alles weer normaal was. Dat ik nu wakker werd, en dit alles een droom was.

"Nee!" Herhaalde ik.

"Wat?" Draco keek me onderzoekend aan. "Alles in orde?"

Ik keek naar hem. Hij was niet eens echt. Hij was een personage uit een boek, in Godsnaam! Die hoorde niet aan mij te vragen als alles in orde was. Die hoorde ik niet te zien. Ik draaide me om en begon te rennen. Het zandpad af, in de richting van Zweinsveld. Ik moest hier weg.

"Nee! Stop!" Riep Draco in paniek. "Er zijn daar Dooddoeners! Kom terug!"

Ik negeerde hem. Het kon me niet schelen. Ik hoorde Draco achter me aan lopen. Ik begon nog harder te rennen. Ik kwam aan de rand van het dorpje aan en bleef hijgend stil staan. Zweinsveld was uitgestorven. Er was geen enkel teken van leven. De huizen stonden er scheef en verwaarloosd bij. In de verte zag ik een bord. Het hing scheef, bevestigd boven een huis, en waaide zachtjes mee met de wind. Met toegeknepen ogen las ik wat er op stond. 'De Zwijnskop.' Ik twijfelde. Zou ik het dorp binnengaan? Maar wat als de Dooddoeners dan kwamen? Ik liep langs het dorp. Er zou wel een andere weg leiden naar Zweinstein. Daar wilde ik nu naartoe. Ik had het gevoel dat ik vandaar wel weer naar huis zou kunnen. Draco haalde me in. "Ben je gek geworden?" Vroeg hij woedend.

Ik draaide me naar hem op. "Ja, ik denk van wel…" Ik lachte om zijn verbaasde gezicht. Zo'n antwoord had hij waarschijnlijk niet verwacht.

"Wat is er aan de hand?" Draco keek weer met die onderzoekende blik naar mij. Ik sloeg mijn ogen vlug neer. Hij mocht niet zien hoe verward ik was.

"Wie bén jij?"

Die vraag verraste me. Ik keek op. "Waarom… vraag je dat?" Ik probeerde luchtig te klikken, maar ik hoorde zelf de spanning in mijn stem.

"Je komt hier opeens opdagen, weet bijna alles van mijn leven, en toch ben je geen heks… Ik snap er niets meer van."

"Ik ook niet." Antwoordde ik. Ik opende mijn mond en sloot hem weer. Ik wilde hem zo graag zeggen wat er aan de hand was. Maar ik kon hem niet vertrouwen. Hij was Draco! De vijand van Harry Potter. Zijn ouders stonden aan Voldemorts kant, en hij ook. Ik schudde vermoeid mijn hoofd. "Ik denk dat ik je moet laten. Bedankt dat je me gered hebt. Dat zal ik nooit vergeten." Er zat toch nog iets goeds in hem. Hij had zich verzet tegenover zijn eigen ouders en tante. Tegen de wensen van Voldemort. Maar zo was het niet in het boek gegaan. Daarom vertrouwde ik hem niet. Nu was hij vriendelijk, helpend, en stond hij aan de goed kant. Maar niet in het echte verhaal. In zijn verhaal.

"Het ga je goed, Draco." Ik draaide me om en liep verder. Als ik zo verder liep, kwam ik wel ergens uit. Of kwam ik iemand tegen, die me kon zeggen waar Zweinstein lag.

Een hand op mijn schouder deed me omkijken. Draco stond achter me. "Waarom zeg je me niet wat er scheelt? Misschien kan ik je helpen." Hij smeekte het bijna.

"Nee, je hebt me al genoeg geholpen. Ga naar huis, voor Jeweetwel erachter komt wat je hebt gedaan!"

Plots zag ik angst in Draco's ogen.

Draco knikte. Hier had hij niets op terug. Hij moest weer naar huis, of het zou opvallen dat hij mij geholpen had.

De angst uit zijn ogen verdween, even snel als het gekomen was. Hij lachte. "Het lukt je toch niet."

"Wat?"Vroeg ik verward.

"Je probeert me bang te maken, me af te leiden van je eigen probleem. Maar het is niet gelukt, jammer. Zeg me nu maar wat er scheelt. Ik ga niet weg voor je me zegt wat er is." Hij sloeg vastberaden zijn armen over elkaar en keek me strak aan.

"Nee, dat gaat niet." Antwoordde ik even vastberaden. Draco pakte mijn pols vast. "Jij vertelt me nu wat er aan de hand is! Vergeet niet dat ik hier nog altijd de tovenaar ben, en jij de dreuzel."

Zo leek hij helemaal op de Draco uit de boeken. Ik zette een stap naar achter en wilde me losmaken. Maar Draco hield mijn arm alleen nog steviger vast. Hij trok me mee, het zandpad op, weer naar boven. "We gaan beter weg van deze plek. Het is niet goed zo dicht bij de Dooddoeners te zijn." Legde hij al rennend uit. Ik struikelde boos achter hem aan. Ik zou hem niets vertellen. Hij mocht doen wat hij wilde. We liepen het bos weer in. Ik dacht dat hij zou stoppen, maar Draco rende gewoon verder, dieper en dieper het bos in. Opeens werd ik toch een beetje bang. Het was nog altijd Draco bij wie ik liep. Hij was, zoals hij zelf gezegd had, een tovenaar, en kon me vervloeken zoveel hij wou. Hij kon me zelfs vermoorden bedacht ik, en een nieuwe golf van angst overspoelde mij.

Draco stopte plots, alsof hij mijn gedachte had gehoord.

"Wil je mij nu loslaten, alsjeblieft?" Vroeg ik stilletjes. Mijn stem klonk hoger dan normaal. Draco had me meer angst ingeboezemd dan ik had gedacht. Hij liet me onmiddellijk los. "Ja, natuurlijk, sorry."

Mijn pols zag rood, zijn vingers stonden er in. Ik bewoog mijn hand heen en weer.

Draco keek naar mijn pols maar zei niets. Hij trok zijn toverstok en wees naar mij. "Ik wil dit echt niet doen. Maar het moet. Aangezien je mij niets uit jezelf wilt vertellen moet ik je wel dwingen."

"Nee. Stop! Goed, goed, ik zal je alles vertellen." Gaf ik toe. "Maar doe die toverstok weg."

Draco liet zijn arm zakken en knikte. Hij keek me afwachtend aan.

"Het is … ingewikkeld."

"Geen probleem, ik denk dat ik wel slim genoeg zal zijn om het te begrijpen." Zei hij ietwat ironisch.

"Ha ha." Lachte ik even ironisch terug. Hoe moest ik beginnen? "Moet dit echt, ik bedoe-."

Als antwoord hief Draco zijn toverstok weer op.

"Ja dus." Ik haalde eens diep adem. "Oké, voor ik begin wil ik wel nog iets zeggen. Je gaat er spijt van krijgen dat je me dit dwingt te zeggen." Legde ik uit. "En dat je me hebt ontmoet."

Draco haalde zijn schouders op. "Dan is dat mijn schuld."

"Goed. Laat me even nadenken hoe ik moet beginnen." Ik ging zitten op de grond en leunde tegen een boom. Ik sloot mijn ogen.

"Je moet me wel laten vertellen. Onderbreek me niet, het is voor mij al moeilijk genoeg. En onthoud dat jij mij gedwongen hebt me dit te laten vertellen." Ik opende mijn ogen weer en keek Draco aan. Hij was naast mij komen zitten en keek me serieus aan. "Ik beloof het." Knikte hij.

"En, ik weet dat alles ongeloofwaardig zal klinken, maar het is de waarheid!"

Weer knikte hij geduldig.

"Ik heb een… Nee, wacht. Ik zag…" Ik kon dit echt niet vertellen. Ik stotterde alleen maar. Draco zou woedend zijn. Omdat ik had gelogen, en dat ik zijn hele leven wist, zijn verleden én zijn toekomst.

"Ik kom niet van hier. Van deze wereld, denk ik. Ik weet niet hoe ik hier ben geraakt. Het is gewoon gebeurt." Ik keek vanuit mijn ooghoeken naar Draco's gezicht. Er was niets van af te lezen.

"Gisteren was ik alleen thuis. Ik was een … boek aan het lezen. Een boek over Harry Potter." Bijna kwam ik aan het cruciale moment. Draco knikte. "Ja, er zijn veel boeken over Potter verschenen sinds dat hij De Heer Van Het Duister overwon." Draco vertrok zijn gezicht toen hij over Potter sprak. Oh, God, hij snapte het niet.

"Nee.. Ik bedoel niet één of ander boek over zijn geschiedenis ofzo. Ik bedoel, een écht boek, geschreven door J.K. Rowling. Zij heeft de Harry Potter serie geschreven. Het gaat over een jongen, Harry, die ontdekt dat hij een tovenaar is, en naar Zweinstein gaat. Daar ontmoet hij Ron en Hermelien, en ook jij, Draco Malfidus. Jullie zijn vrijwel meteen vijanden van elkaar." Ik durfde Draco niet meer aan te kijken en vertelde verder. "Ik las dus in het boek, en ben in slaap gevallen. Toen ik wakker werd, hoorde ik geluiden. Ik ben naar beneden geslopen, en jouw vader en Vol- ik bedoel Jeweetwel waren in mijn huis! Stel je mijn verbazing voor! Twee personages uit het boek dat ik aan het lezen was, in mijn woonkamer! En toen probeerde je vader mij gevangen te nemen, wat hem uiteindelijk ook gelukt is. Hij bracht me, op bevel van Jeweetwel, naar jouw huis. Daar heb je mij gered, en de rest weet je. Behalve dan… ik weet niet hoe, dat ik… Ik kan Zweinsveld wel zien. Maar ik ben geen heks! Ik kom niet eens uit jouw wereld. Ik heb geen toverkracht." Ik zweeg. Ik bleef voor me uitkijken en wachtte op een reactie van Draco. Maar het bleef stil. "Ik weet echt niet hoe dit gebeurt is, of waarom. Maar er moet een reden voor zijn." Nog steeds bleef het stil. "Het spijt me. Ik wist dat je boos ging zijn…" Draco zei nog altijd niets. Langzaam draaide ik mijn hoofd in zijn richting. Draco keek naar mij. Ik zag angst, woede en ongeloof in zijn ogen. Hij geloofde me niet. Of wilde mij niet geloven. Ik begreep hem best. Ik geloofde het ook maar half.

"Wil je me zeggen wat je denkt? Alsjeblieft?" Smeekte ik.

Draco stond op. "Ik… Sorry, ik wil even alleen zijn. Hierover nadenken." Hij maakte een gebaar met zijn arm en draaide zich om.

"Je komt toch terug? Ja toch?" Riep ik hem na. Draco keek niet om maar liep door.

Ik had nu al spijt van wat ik had gezegd. En hij waarschijnlijk ook. Ik vloekte in mezelf, stond op en ging weer zitten.

Er zat niets anders op dan te wachten op Draco.