NEE! Dit kon niet! Ik was al te ver! Ik vocht tevergeefs tegen de graaiende armen. Ik wist dat ze me gelijk zouden vermoorden als ik weer terug was in hun… "hoofdkwartier".

Ik sprong vlak langs mijn "muur", het steegje uit, de hete zon in. De dichtstbijzijnde lege taxi was slechts een paar meter van mij verwijderd, aan de overkant van de straat. Ik zou erin kunnen springen en gillen dat de chauffeur moest rijden. Al struikelend bedacht ik me wat ik zou doen als ik thuis was. Ik zou Peter R. de Vries op ze afsturen, begeleid door het leger met tanks en bommen. Ik zou Romee wreken!

Ik keek achterom. Mijn achtervolger bleek last te hebben van het feit dat hij op het randje van de schaduw stond, want hij moest snel handschoenen aantrekken en een capuchon opdoen. Dat moest mij genoeg tijd geven in de taxi te springen. Nog een paar meter! 3, 2, 1… Ik trok de deur open en sprong erin. Terwijl ik de deur dichtklapte en mijn riem omdeed, gilde ik dat de chauffeur moest rijden.

"Naar het vliegveld van Pisa, op uw allerhardst!"

De auto scheurde door de straten van de stad. Ik probeerde rustig adem te halen, maar op een één of andere manier was het adrenalinegehalte in mijn bloed nog te hoog. Mijn hart bonkte als een gek en ik probeerde te ontspannen.

Wacht eens… We reden de stad niet uit, maar juist meer naar het centrum!

"Pardon, maar gaan we niet de verkeerde kant uit?" Vroeg ik hijgend.

"Nee, we gaan precies naar waar je moet zijn…" Zij een fluwelen stem, en ik keek recht in twee hele kwade, bloedrode ogen.

Ik gilde en probeerde de deur open te maken, om uit de rijdende auto te springen. Liever gewond dan opgesloten. Helaas zaten de deuren op slot, en ik kreeg het knopje met geen mogelijkheid omhoog.

Opeens remde de auto. Ik schoot naar voren. Ik hoorde de autodeur opengaan en ik werd uit de auto, een smal steegje in gesleurd. Een putdeksel werd opzij geschoven, en het volgende moment zoefde ik door de duisternis, geen idee hebbende waar we waren. Volgens mij rende mijn kidnapper op vampiersnelheid door een tunnelstelsel onder de stad.

Het was niet eerlijk! Ik was er echt bijna! Moedeloos en uitgeput verloor ik mijn bewustzijn.


Toen ik wakker werd, was ik kotsmisselijk. Ik probeerde me uit te rekken, maar mijn handen zaten aan mijn voeten gebonden, en mijn blote armen en benen zaten vol schrammen en blauwe plekken. Mijn hoofd deed vreselijk zeer. Hadden ze me als honkbal gebruikt, als straf voor mijn bijna geslaagde ontsnappingspoging?

Ik was niet meer in mijn koude cel, wat ik niet zo erg zou hebben gevonden vergeleken met dit. Ik lag op mijn zij, in de troonzaal, op de verhoging, achter de tronen, met mijn handen en voeten bij elkaar aan de middelste troon gebonden. Ik kon met geen mogelijkheid loskomen.

"Nogmaals bedankt voor het terugbrengen van het meisje, Demitri." Zei Aro dromerig.

"Het was geen enkele moeite, meester."

Geen moeite? Hij had me op het nippertje te pakken gekregen!

"Ik vrees dat er niets anders op zit," Aro richtte zich tot de vampiers op de tronen naast zich. "Er moet vierentwintig uur per dag op haar gelet worden. Bedenk je eens wat had kunnen gebeuren als Demitri haar niet net op tijd tegen had kunnen houden…" Aro zuchtte. "Zo'n moeilijk gevalletje hebben we in geen eeuwen gehad."

Pff… Ik lig achter je hoor! En ik heb oren, wilde ik zeggen. Maar ik hield mijn mond.

"En nu beter nieuws," Begon Aro opgewekt. "Carlisle en zijn coven komen ons een bezoek brengen. Ze zijn al onderweg!"

"En waarom is dat?" Vroeg de witharige vampier nors.

"Ik heb ze uitgenodigd! De laatste keer was niet echt gezellig, niet? En bovendien kunnen we zien hoe het met Edward, Bella en hun kleine Renesmee gaat…"

Renesmee? Carlisle? Wat een namen…

"Hoe gaat het trouwens met Felice? Ze heeft een behoorlijke klap gehad, vertelde Alec… Hoe gaan we haar trouwens straffen? Door háár is het meisje immers ontsnapt… Misschien kunnen we een bezoekje aan haar familie brengen…?"

Oh nee! Wat erg… Ik voelde me vreselijk schuldig. Straks had ze een leuke man en twee schattige kindjes, die samen in de warme zon in de olijfboomgaard tikkertje speelden, en dan opeens verrast werden door een… vampier… En dat zou mijn schuld zijn…

Na een half uur had ik het eindelijk voor elkaar gekregen dat ik met mijn rug tegen de achterkant van de troon zat, zodat ik door het hoge raam aan aan het einde van een korte zuilengalerij kon kijken. Ik staarde naar de ondergaande zon. Ik zat nu al een dag vast. En met vast, bedoelde ik ook echt vast en niet eens zo comfortabel. De touwen waarmee ik zat vastgebonden sneden in mijn polsen en ik kon niet eens normaal zitten, omdat de touwen te kort waren. Ik ging dus maar weer liggen en staarde wanhopig naar het prachtige houtsnijwerk van de troon waaraan ik vast zat. Zou ik hier ooit nog wegkomen? Ik zou vóór deze vakantie een miljoen hebben gegeven voor een beetje levensechte fantasie en avontuur in mijn leven. Nu kon ik niet anders wensen dan gewoon thuis te zijn. Met Robert veilig, en Romee bij me. Maar ik had dit gewoon niet kunnen voorkomen. Vampiers (ik had een "bloed"hekel aan dat woord…) bestonden blijkbaar en het "was het lot"… Laat maar…

Wanhopig begon ik aan de touwen te knagen, hopend dat ze zouden rafelen, maar na tien seconden besloot ik dat ik alleen maar mijn tanden zou breken.

Ik concludeerde dat het erg intressant was om vampiers in hun natuurlijke habitat te observeren. Niet dus. Het was urenlang doodstil, en als ze wat zeiden, praatten ze op vampiersnelheid zodat ik het niet kon horen. Het was nu al uren donker ze hadden me al sinds mijn ontwaken volkomen genegeerd. Niet dat ik iets tegen wilde zeggen…

Ze zaten nu alledrie onderuitgezakt in hun tronen met elk een boek op hun schoot die de grootte hadden van bijzettafels. Ik lag me op de koude, harde grond stierlijk te vervelen, mijn honger negerend. Ik hoefde niet te verwachten dat ze na mijn actie van vanmiddag aankwamen met een verse pizza en een kannetje water.

Het was nu voor mijn gevoel middernacht. Ik was moe, maar kon niet slapen. Ik had het koud, ik had honger, ik was bang, voelde me bekeken én ik lag niet eens in een comfortabele slaappositie. Telkens als ik probeerde te slapen werd ik gestoord door het feit dat ik mijn hoofd niet op mijn handen kon leggen dus moest ik met mijn hoofd op de stenen vloer liggen.


Na een hele nacht wakker te zijn geweest, (ik vroeg me echt af hoe die vampiers dat doen…) was ik doodmoe, maar ik kreeg het nog steeds niet voor elkaar om te gaan slapen.

"Meester, de Cullens zijn gearriveerd." Alec kwam binnen.

"Prachtig!" Aro stond op uit zijn troon en zweefde van de verhoging af. "Breng ze maar binnen!"

Er kwamen negen personen binnen. Vier mannen, vier vrouwen, en een klein meisje. Ze leken allen niet echt op hun gemak te zijn, op één na. Een blonde man. Die liep naar voren om Aro te begroeten.

"Welkom vrienden!" Groette Aro zijn gasten met honingzoete stem. "Ah, Carlisle, mijn goede vriend!" Hij gaf de blonde man een stevige knuffel. "Ik zie dat alles goed gaat?"

Ik staarde in mijn onhandige positie naar het vreemde gezelschap. Naar mijn idee waren het vampiers, maar ze verschilden in vele opzichten van de vampiers hier. Het leek op één grote, gezellige familie. Ze droegen alledaagse kleren. Toen ik goed keek, begon ik te twijfelen of ze vampiers waren. Hun ogen waren… Hun irissen leken wel van puur goud te zijn!

Toen een jongeman met bronskleurig haar me aankeek, keek ik snel weg.

"Dus je houdt hier ook huisdieren, Aro." Hoorde ik één van de vampiers droogjes zeggen.

Huisdieren?! Wat een hufter! Toen ik boos terugkeek zag ik dat twaalf paar vampierogen mij aankeken. Ik zou het liefste door de grond zakken. Aro leek mij vergeten te zijn en leek te bedenken hoe hij zich uit deze situatie kon redden. Ik kon me voorstellen hoe ik eruit moest zien. Een zielig hoopje mens op de grond met schrammen, blauwe plekken, kleerscheuren, haar door de war en een blauw oog.

"Ach, dat is niets," Lacht Aro. "Nadat ze hier had ingebroken sloeg ze onze receptioniste neer. Wat heeft zij geluk dat wij zijn…" Hij zocht even naar het goede woord. "Wie wij zijn…" besloot hij zuchtend. "Misschien verander ik haar wel… Maar dat doet er nu even niet toe…"

In mijn hoofd gilde ik het uit. Nooit, NOOIT wilde ik een vampier worden! Nog in geen miljoen jaar! Al zouden ze mijn hele familie uitmoorden! Tranen welden weer op, en ik probeerde uit alle macht los te komen. De hele groep vampiers met gouden ogen keek me met medelijden in hun ogen aan. Ik kreeg even de hoop dat ze me zouden helpen, maar die hoop vervaagde bijna gelijk weer..


Het leek wel een eeuwigheid dat ik daar lag, verslagen, verdrietig voor me uit te staren, liggend op m'n zij. Af en toe voelde ik dat Aro me aanraakte, om mijn gedachten te lezen, en hij maakte naar mate de tijd verstreek, steeds meer goedkeurende geluiden. Ik wist dat hij aan het winnen was, dat ik aan het opgeven was. Ik kon niet eeuwig vechten tegen mijn angst, frustratie en honger. De derde nacht was aangebroken, en ik voelde me ziek. Ik voelde geen honger meer, ik voelde niets meer. Mijn lichaam zou het snel niet meer aankunnen, de emotie.


Het hoofdstuk was voorheen wat langer, maar ik vond dat ik dat deel beter in een ander hoofdstuk kon plaatsen. Het volgende hoofdstuk komt er dus héél snel aan!

Ps: Superbedankt voor al die leuke reviews!