Hoofdstuk 8
Het was alweer enkele weken geleden dat Daan en Parvati zich hadden aangesloten bij de Orde. In de tussentijd waren er vele doden gevallen, en nog steeds was de dader niet gepakt. Wel waren er meerdere meldingen gekomen waarin het signalement van de dader gegeven werd: een lange man, gehuld in een met runen versierde mantel. Zowel de Orde als de Schouwers begon de moed in de schoenen te zinken, en aangezien Harry van beide de leider was, zat hij er volledig doorheen. Hij had het Schouwerhoofdkwartier gebeld dat hij ziek was; Willemsen moest zolang de leiding maar op zich nemen. Hij zat nu al vier dagen thuis, in Goderics Eind, terwijl er constant Ordeleden over de vloer kwamen.
Die ochtend was Lily er met haar gezin; zij en Mark zaten aan de keukentafel te praten over een nieuwe bank die ze wilden kopen, terwijl de kinderen zich vermaakten met de knuffelbeesten die ooit van James en Albus waren. Harry lag op de bank; voor de zoveelste keer peinsde hij over wie de dader kon zijn, en telkens opnieuw zag hij slechts 1 mogelijkheid: Scorpius Malfidus. Het klopte volledig: Scorpius was lang, hij had de mantel en hij had redenen om Harry te haten. Toch klopte er iets niet. Scorpius' vader, Draco, was precies zo geweest toen hij en Harry naar school gingen, maar hij was nooit écht slecht geweest, en had nooit de intentie gehad iemand echt te willen doden. En daarnaast, als Scorpius daadwerkelijk zo door en door slecht zou zijn dat hij al die onschuldige mensen vermoorde, zou hij toch nooit hebben kunnen houden van-
'Roos!'
Harry keek om toen Lily dat gilde. Roos Wemel stond midden in de woonkamer; haar haren zaten verward door de wind, en haar mascara was uitgelopen; ze had duidelijk gehuild. Lily liep naar haar toe en sloeg een arm om haar heen.
'Wat is er aan de hand?'
Roos deed haar mond open, en weer dicht en begon weer te huilen. Lily loodste haar mee naar de bank; Harry was snel opgestaan. Het viel Harry op dat Roos, zelfs nu ze huilde en haar haren volledig door de war zaten, oogverblindend mooi was. Roos Wemel was knapper dan een van haar ouders ooit was geweest, en leek meer op haar tante Ginny.
'Wat is er aan de hand?' voeg Lily opnieuw. Roos zuchtte, veegde haar tranen weg en zei: 'Ik ben zwanger.'
Harry wist niet wat hij hoorde; de kinderen hielden op met spelen; Mark keek met open mond naar de twee roodharige vrouwen op de bank en Lily omhelsde Roos met een gil. Roos keek echter totaal niet blij; een eenzame traan liep over haar wang.
'Dat is geweldig!' Lily liet Roos los en keek haar aan. 'Waarom kijk je zo bedroefd?'
Harry fronste. 'Komt het door Petrus? Vind je het vervelend dat hij nooit zal meemaken dat hij vader word?'
Roos snikte. 'Ook. Het is… Ik wil het er niet over hebben.'
Ze begon weer te huilen, en Lily sloeg haar arm weer om Roos heen. Harry vroeg zich af wat er aan de hand was, maar besloot er niet verder op in te gaan.
'Weten Ron en Hermelien dit al?'
Roos schudde haar hoofd. 'Ze zijn allebei nog op het werk. Daarom kwam ik hierheen.'
'Dit is belangrijker dan werk!' Mark stond op van zijn stoel en liep naar Roos. 'Als je wilt, breng ik je naar het ministerie.'
Roos aarzelde. 'Doe het nu maar!' Lily stond op en keek naar haar nichtje. 'Ze zullen trots op je zijn!'
Roos slikte en eventjes dacht Harry dat ze weer zou gaan huilen, maar toen stond ze op en liep achter Mark aan naar buiten. Harry vroeg zich af hoe Ron en Hermelien zouden reageren; hij herinnerde zich de dag nog dat Lily hem vertelde dat hij opa zou worden. In eerste instantie vond hij het idee dat zijn dochter zwanger was heel vreemd, maar al snel was hij bijna even blij als zijzelf. Hij keek naar zijn twee kleinkinderen: geen van beiden had het rode haar van Lily geërfd, maar ze hadden dezelfde bruine ogen als Ginny, en de neus van de jongste leek als twee druppels water op die van Harry.
Harry moest denken aan Perkamentus, die het altijd had over de kracht van liefde. Destijds had hij het onzin gevonden, maar nu begreep hij dat het waar was: liefde is een krachtig wapen, en de liefde voor je familie is de sterkste van allemaal.
Toen Harry het nieuws in de krant las, besloot hij direct naar het ministerie te gaan. Hij wilde het zelf vertellen. Toen hij het schouwerhoofdkwartier binnen zat, zag hij dat iedereen rustig aan het werk was; niemand had het blijkbaar gehoord. Hij keek even rond en liep toen naar Pieren.
'Harry! Goed je te zien! Ben je weer beter?'
'Enigszins, maar daar kom ik niet voor. Weet jij toevallig waar Hilarius is?'
Pieren dacht even na. 'Volgens mij is hij aan het trainen met Willemsen.'
'Dank je!' Harry liep weer weg, een verbaasde Pieren achterlatend.
Marco Hilarius keek Harry met een grote grijs aan toen deze binnen kwam.
'Meneer Potter! Het is me gelukt! Ik kan eindelijk verlammen!'
Harry keek even naar de verlamde Willemsen, die een paar meter verderop lag, maar richtte zich al snel weer op Hilarius.
'Marco, kom even mee.' Harry aarzelde even. 'Ik heb slecht nieuws voor je.'
Hilarius keek hem geschrokken aan, en liep achter Harry aan. Ze liepen naar Harry's kantoortje.
'Ga zitten.' Marco Hilarius nam plaats op de stoel voor Harry.
'Wat is er?'
Harry zuchtte. Hoe moest hij dit vertellen?
'Marco… Deze morgen hebben ze het lichaam van je vader aangetroffen in zijn antiekzaak. Hij is dood.'
De weinige kleur die Hilarius had, trok weg.
'Dat kan niet..' fluisterde hij. 'Ik ben gisteren nog bij hem geweest. Hij was kerngezond!'
Harry zuchtte weer. 'We denken dat hij vermoord is. Door dezelfde persoon die de andere moorden gepleegd heeft.'
Harry keek recht in de ogen van de jongen. Ze waren felblauw, maar leken kleurloos te zijn geworden. Tranen fonkelden in de ooghoeken. Met pijn in zijn hart liet Harry Marco Hilarius achter in de handen van Pieren. Het verlies dat de jonge schouwer geleden had, was het ergste wat een mens kon overkomen. Harry dacht terug aan momenten uit zijn verleden: Sirius die achterover door het gordijn valt; Perkamentus die van de astronomietoren valt; Lupos die met gesloten ogen in de Grote Zaal ligt en de gillende stem van zijn moeder, gevolgd door een groene lichtflits...
