Hoofdstuk zeven: Woorden komen verdraaid uit de printer als de inkt op is.
'Hallo?' Klonk een stem uit het huis.
Nathan draaide zich met een ruk om en het leek alsof hij niet eens wist wie hij was, waar hij zich bevond en wat hij daar deed. Toch wist hij maar al te goed waar hij stond. Het huis, het huis dat al zijn vragen zou gaan beantwoorden.
'Ja, hallo,' hij stotterde een klein beetje en keek de jongen aan die voor hem stond, 'Sorry dat ik stoor, maar ..' Hij hoefde al niet meer te zeggen, de man aan de deur glimlachte en knikte.
'Nathan nietwaar?'
Nathan knikte verbaasd.
'Kom binnen.'
Aarzelend knikte hij en liep hij de oprit over, naar het huis. Het was modern, vooral voor de begrippen van tovenaars, die van weelde hielden en kastelen. Het leek meer op een blok, dan een huis, maar er straalde méér vanaf. Iets dat Nathan acuut opviel, toen hij door de huisdeur, door de gang, naar de woonkamer werd geleid.
'Ga maar ergens zitten.' De stem klonk bekend, Nathan herinnerde zich vlagen van een donkere avond, met deze heldere stem, 'Wil je iets te drinken?'
'Uhh …' Voor de zelfverzekerde en stille Nathan, was hij eerder verlegen en kwam hij niet meer uit zijn woorden. Om toch antwoord te geven, knikte hij en hoopte dat de man, die zojuist de keuken was ingelopen, dat had gezien. Hij hoorde gerinkel van glazen, een kraan die liep, geritsel in kastjes en na een paar minuten keerde de man terug met een dienblad, drie glazen en een grote kan water met een kleurtje.
'Siroop.' Verduidelijkte de man, toen hij Nathan er vreemd naar zag kijken. 'Aangelengd met water.'
'Ja,' Nathan keek weifelend op naar de man en liet zijn blik vallen op het horloge wat hij droeg. 'Hoe weet jij wie ik ben?' Het was waarschijnlijk de domste vraag die hij ooit had gesteld, maar het kwam recht uit zijn hart, daar waar de man op dat moment recht doorheen kon kijken. De man hield zijn hand naar Nathan uit en deze schudde hem.
'Mijn naam is Michael Versacher, ik ben arts en diegene die jou heeft behandeld.' De realisatie schoot door Nathan heen.
Het kwam eruit alsof Michael niets anders deed dan met tovenaars praten, maar Nathan wist niet dat hij enorm zenuwachtig was. Michael wist dat hij dit eigenlijk niet mocht doen, maar er was geen andere mogelijkheid. Hij had het beloofd, maar hij wist ook dat de jongen vragen had die beantwoord moesten worden. Hij keek weifelend naar de jongen en zuchtte even.
'Wil je dat ik het je uitleg of denk je dat je het zelf weet?'
Nathan keek hem nu recht in de ogen aan, iets wat hij had geleerd van Jony. Altijd iemand recht aankijken.
'Jij bent de arts die mij heeft geholpen nadat ik in elkaar gezakt was?'
'Correct. Je had een Dreuzelziekte, waar die goede oude Poppy niets aan kon doen.' Michael stond op en liep naar zijn kast, waar verschillende medicijnen inzaten, voor privé-gebruik. Hij nam een potje in zijn handen en zette dit voor Nathan neer.
'Dit heb ik je voorgeschreven, nietwaar?' Nathan knikte.
'Werkt het?'
'Ik ben niet meer flauwgevallen, als je dat wilt weten.'
'Misschien. Droom je nog?'
Nathan viel bleek weg in de stoel en hij schudde van ongeloof zijn hoofd. Hoe kon deze vreemde dat weten. Zijn vraag kwam er met horten en stoten uit.
'Hoe…weet…ji….dat?'
'Magie zit ook in onze familie, er berust alleen een vloek op. Wij mogen geen magie gebruiken totdat iemand zich verlost van zijn angsten. Dat is nog nooit gebeurd, voor zover ik weet, of mijn zus.' Michael keek naar een familieportret dat achter Nathan aan de muur hing, boven het witte dressoir. Zijn blik viel op het meisje met het bruine haar en de duistere ogen die hem aan leken te staren. De stilte bleef hangen, doordat ook Nathan deze niet durfde te verbreken. Zo zaten deze twee mannen een kwartier tegenover elkaar totdat er een sleutel in de huisdeur werd gestoken en ze een vrouw hoorde vloeken waarna de woorden door het huis galmden, alsof ze wist dat haar broer er was.
'Michael, in hemelsnaam! Ruim je spullen toch eens op!' De mannen leken niets te registreren en Nathan voelde een spanning door zijn lichaam gaan, die hij alleen had gehad op Zweinstein, toen hij voor het eerst de magie door zijn lichaam had voelen suizen. Nu leek het anders te zijn, rustiger, kalmer, maar wel heftiger en krachtiger. Een jonge vrouw verscheen in de deuropening en Nathan schatte haar zelfs jonger dan hijzelf.
'Michael, af en toe denk ik dat je je verstand alleen gebruikt in je praktijk!' Ze gooide, nee, smeet haar spullen neer, zette een iets zwaardere tas rustig neer op de tafel en keek even naar haar broer, die haar nu verbaasd aankeek.
'Ik wist niet dat jij zo vroeg thuis zou komen?' Zijn mond vormde de woorden, maar zijn hoofd leek er niet bij te zijn.
'Dan weet je het nu!' ze zuchtte even en het leek alsof ze niet wist dat Nathan er was, totdat deze een slok water nam, voor zijn droge keel.
'Jij..,' was het enige wat ze kon uitbrengen en Nathan knikte. Ja, hij. Een gevoel van onmacht bekroop hem en hij wist niet wat hij moest doen, zeggen of laat staan: denken.
Het leek alsof de aarde onder haar voeten werd weggeschoven. Alsof ze even geen tijd had om over dingen na te denken, alsof haar gedachten werden vastgehouden door die mysterieuze jongen voor haar neus. Haar ogen zochten de zijne en daarna die van haar broer. Deze haalde zijn schouders op en schonk siroop in, in het derde glas van het dienblad. Hij had geweten dat ze eerder thuis zou komen. Soms raakte ze het gevoel kwijt haar broer te kennen. Soms had ze het gevoel dat hij altijd meer wist, soms kon ze dat gevoel niet plaatsen en dat irriteerde haar. Soms. Soms dacht ze dat ze het wist, maar dan kwamen die rare dromen weer en dan kon ze niets anders dan badend in haar eigen zweet wakker worden, met een brandende tatoeage. Ze haatte en verachtte die nachten. De dromen waren vaak te heftig en soms dacht ze dat ze het niet meer aankon. Het leek alsmaar sterker te worden, even schokte ze in haar gedachten. Sterker, sterker, net zoals het huis dat steeds beter zichtbaar werd. Ja, juist, misschien.
'Lise?' haar broer stond nu voor haar en keek in haar ogen. Haar duistere ogen, die altijd een lentebries met zich meedroegen en soms een winterse bui. Dat had hij ooit gezegd, Michael. Toen ze jonger waren. Toen ja, maar niet nu. Nu keek hij in haar ogen alsof hij dat weer wilde zeggen; "Je ogen staan vol storm zusje, ontspan, er is nooit genoeg tijd voor een lichte lentebries." En toch zei hij dat niet. Ze hief haar hand op naar het glas vol siroop.
'Nee, puur.' Zijn woorden klonken vaag. Ja, puur, zoals ze het moest hebben. Geen cocktail, vol smerig spul die haar broer voor haar maakte. Puur. Net zoals de jongen tegenover haar, op de bank. Puur.
Voor Nathan leek ze zo koel. Toen ze door de deuropening kwam gelopen, met de tassen om haar heen. Het leek absurd. De tegenstelling die ze met haar ogen en de gekleurde zakken maakte, was ongewoon. Nathan wist niet wat hij moest zeggen en hij keek naar Michael die was opgestaan en nu met een puur glas siroop voor haar stond. Opeens maakte de zware tas geluid en Nathan sprong op met zijn stok in zijn hand. Michael keek hem even angstig aan en Lise's ogen werden groot.
'Het is mijn laptop maar,' verklaarde ze terwijl ze Nathan bleef aankijken en naar de tas greep en hem opende. Voorzichtig stopte Nathan zijn stok weg en keek hij Michael aan.
'Nathan.' Diens stem bereikte nu zijn oren. 'Ga naar huis, als er vragen boven komen, kom je maar terug.'
Normaal zou Nathan zich nooit laten wegsturen, maar het was alsof hij moest. Michael liep naar de deur, Nathan achter hem aan terwijl hij zijn jas van de kapstok nam. Even keken ze elkaar aan. Alsof ze elkaar begrepen, die twee ogen die elkaar strak aankeken. Beladen, géladen misschien, zou je kunnen zeggen. Dat was het.
'Sorry.' Zijn adem stokte en Nathan zocht ook zelf naar lucht terwijl Michael zijn hand moeizaam op de schouder van de jonge jongen legde. 'Het had niet zo moeten lopen.'
'Weten je ouders het?' Nathan's stem was helder en Michael keek hem bezwaard aan.
'Die zijn altijd op zakenreis, die weten nooit iets.'
Tergend langzaam verliep de reis, slopend bijna. Die niet langer dan vijf minuten duurde. De wind was gedraaid en Nathan voelde zich ook gedraaid. Alsof een pijl hem in de andere richting duwde. Zo kwam hij thuis. Ook zo liep hij langs zijn ouders. Naar de studeerkamer. Waar de kaarsen brandden, die hij niet had aangestoken.
'Michael, wat was dat nu voor een vertoning?' Lise keek haar broer aan terwijl ze diep van binnen wist wat er gaande was.
Nog voordat hij antwoord kon geven, lag ze in zijn armen, snikkend, met haar hoofd tegen zijn schouders gedrukt en durfde hij niets meer te zeggen. Nu even niet.
A/N
Ik ben blij om te merken dat er mensen zijn die dit verhaal lezen en dit ook laten merken! Bedankt! Het doet goed om opbouwende kritiek en ook lovende reacties te krijgen! Fijn dat jullie het verhaal waarderen!
Dutchygirl, ik hoop dat de afgelopen hoofdstukken wat beter leesbaar waren? Ik kwam erachter dat ook een beetje aan de opmaak speelde en dat heb ik nu aangepast. Ik heb er echter toch voor gekozen om geen extra tekens tussen te zetten, op deze manier klopt het met het verhaal.
