Negen
"Het afscheid verlengen is niets waard; je verlengt niet de aanwezigheid, maar het vertrek." - Bibesco

"Hoe gaat het nou verder met Nick en jou?" vroeg Allison nieuwsgierig. Lucy keek uit het keukenraam.
"Daar, eh, hebben we het eigenlijk nog niet zo over gehad."
"Vanmiddag ga je weg!"
"Dat weet ik wel, maar..." Lucy schuifelde met haar voeten. Het was drie dagen geleden dat Nick haar had gezoend. Sindsdien hadden ze dat wel meer gedaan, net als praten. Dat laatste over allerlei dingen – behalve over haar naderende vertrek.
"Ik vind hem gewoon hartstikke leuk, ik wil hem niet kwijt."
Terwijl ze dit zei, voelde Lucy hoe rood haar wangen werden. Allison glimlachte vertederd.
"Ga gewoon naar hem toe en zeg hem dat."
"Maar dat durf ik niet!"
"Natuurlijk wel!"
"Ik..." hulpeloos liet Lucy haar armen langs haar lichaam vallen. Allison had gelijk, ze moest naar Nick toe.
"Ga nou maar," spoorde Allison haar aan. Lucy stak haar handen op.
"Oké, oké, ik ga al."
Zwijgend liep ze naar beneden en ze trok haar winterjas aan. Toen ze over het knerpende tuinpad liep, zag ze dat de dunne laag sneeuw bijna was verdwenen. Overal lagen kleine plasje water en Lucy stapte er voorzichtig omheen met haar enkellaarsjes.
"Hoi, Luce."
Met een ruk keek ze op en ze zag Nick in de deuropening van zijn huis staan. Uitnodigend hield hij de deur open.
"Wil je binnenkomen? Pa en ma zijn naar de stad."
Lucy glimlachte.
"Graag."
Terwijl ze langs hem heen liep, voelde ze de inmiddels o zo bekende rilling weer over haar rug lopen. Ze deed haar jas uit en besefte dat nog nooit een jongen haar dit gevoel had gegeven.
"Mooie bloemen," zei ze, toen ze de huiskamer binnenliep. Ze wist niets beters en was al een paar keer eerder hier binnen geweest. Toen Gary, Allison en zij op Nick hadden moeten wachten, bijvoorbeeld, die zijn zwemspullen nog niet klaar had staan. Of gisteren, toen Nick Lucy had meegenomen naar zijn kamer. Hij had zijn ouders laten geloven dat ze hem ging helpen met wiskunde, of zo. Ze hielden hun relatie, of wat ze dan ook hadden, nog liever even geheim voor hun vaders en moeders.
"Is dat alles?" grijnsde Nick en hij kwam achter haar staan, terwijl hij zijn armen om haar middel sloeg. "'Mooie bloemen,' meer niet?"
Lucy lachte.
"Ah, voel je je verwaarloosd?" ze draaide zich om en schrok even toen ze zag hoe dichtbij zijn gezicht was. Ze werd nog steeds bijna duizelig van geluk, iedere keer als zijn gezicht de hare bijna raakte. Ze sloot de gapende ruimte tussen hen in en een paar minuten later -althans, dat dacht ze, want haar gevoel voor tijd leek wel weg te zijn- lieten ze elkaar weer los. Lichtjes hijgend keken ze elkaar allebei aan.
"Ik zal je missen, McKay," zei Nick uiteindelijk. Zijn prachtige, bruine ogen keken haar aan met een oprechte blik. Lucy woelde met haar hand door zijn haar.
"Ik jou ook."
"Nee, ik meen het," serieus pakte hij haar hand beet. "Ik zal gek worden als je hier niet meer bent. Ik ben gek op jou, Luce. Echt waar. Hoe stom het ook mag klinken... Ik weet dat ik geen talent heb om mooie dingen te zeggen, daarom klinkt dit misschien raar, maar ik zal echt gek worden."
"Wie zegt dat je geen talent hebt? Dat zijn hartstikke mooie woorden," Lucy keek hem aan en wist dat zij ook gek zou worden. Ze was zo gehecht aan hem geraakt, de laatste weken.
"En weet je waarom ik dit zeg?" ging Nick verder, "omdat ik het meen én ik niet wil dat je me vergeet als je straks, in Minnesota, wordt versierd door een of andere blonde basketballer die ook ziet hoe leuk en mooi je bent."
Lucy bloosde. Nick leek enigszins opgelaten, maar had ook iets van zelfverzekerdheid in zijn houding. Hij stond daar, rotsvast en onweerstaanbaar. Lucy trok hem naar haar toe, iets waar ze een paar dagen geleden het zelfvertrouwen niet voor zou hebben gehad.
"Misschien komt er inderdaad een blonde basketballer," zei ze ernstig. "Misschien, maar dat weten we niet. Wie weet ontmoet jij morgen een blonde cheerleader met een betoverende glimlach en, weet ik veel, een vader die miljonair is. Het kan allemaal gebeuren... Maar voordat het ook daadwerkelijk gebeurt, moeten we ons daar niet druk om maken."
"Je hebt gelijk." Nick veegde een haarlok uit haar gezicht. "We bellen, goed?"
"Natuurlijk. En we mailen."
"Beloofd. Weet je," nadenkend keek hij voor zich uit, "over twee maanden word ik zeventien. Mijn ouders kunnen dan geen excuus meer gebruiken dat ik te jong ben... En misschien zou ik dan naar Minnesota kunnen komen in de vakantie. Met Gary en Allison, bijvoorbeeld. Kun je je halfzus en halfbroer ook weer zien."
Hij keek haar glimlachend aan en ze glimlachte terug.
"Klinkt goed."
"En wanneer word jij ook al weer zeventien, ukkie? Oktober, toch?"
"Schaam je! Achttien november."
Hij begon haar te kietelen, "ik zat in de buurt."
"Echt niet, je, hahahaha, Nick, hou op..." lachend viel ze in zijn armen en hij kuste haar op haar voorhoofd.

«·´·.(·.¸(·.¸ ¸.·´)¸.·).·´·»

Epiloog

Iemand klopt op mijn kamerdeur.
"Binnen!" roep ik en dan staat Allison voor mijn neus.
"Hoi," groet ze. "Ik kwam alvast afscheid nemen."
We omhelzen elkaar.
"Weet je, sorry nog van mijn gedrag tijdens de begrafenis," verontschuldigt ze zich, "ik bedoelde het niet zo. Ik was gewoon... verdrietig."
"Ik was het al vergeten," zeg ik, hoewel dat niet helemaal waar is.
"Je bent al aan het inpakken?"
"Ja, bijna klaar."
"Heb je nog kleren over?"
"Hoe bedoel je?"
"O, ik breng één keer in het halfjaar altijd wat kleren van me naar een tweedehandszaak, en dan koop ik daar weer nieuwe. Nieuwe oude, zeg maar. Zo wissel ik een beetje met mijn kleding."
"Aha."
Ik kijk naar het bed, waar mijn spijkerbroek netjes opgevouwen ligt. Mijn Geluksbroek, zo had ik hem een paar weken geleden gedoopt. Ik pak hem op.
"Hier zo, neem deze ook maar mee."
"Deze? Die heb je bijna de hele vakantie gedragen, toch?"
"Oma heeft 'm gisteren nog gewassen."
"O, zo bedoelde ik het helemaal niet," lacht ze, "ik dacht alleen dat je erg aan 'm gehecht was."
"Ben ik ook," antwoord ik. Maar nu verdient iemand anders alles wat de Broek mij heeft gegeven: liefde, geluk, familie en waarheid. Al ben ik dan pas zestien en zal de liefde misschien snel verwelken, ik heb het nú in ieder geval. Ik ben nu gelukkig. Ik ken mijn familie eindelijk en zal met ze in contact blijven. En ik weet de waarheid nu, hoe pijnlijk en vreemd deze ook was. Misschien ben ik walgelijk kinderachtig, maar voor mij is de Broek magisch.
Ik neem afscheid van Allison, van Gary, Sarah, David en oma. Van Nick, die voor zijn huis staat en me voorzichtig kust. Papa en mama kijken een beetje glazig.
De Broek verdwijnt in Allison's rugzak en ik verdwijn in de auto.

Einde