A/N: Peter is nog steeds een verrader en daar komen ze ook nog wel achter, maar hij gaat nog heel veel goede dingen doen en of James dood is, nou dat kan je uitvinden in dit hoofdstuk.


Hoofdstuk 8: Familie Banden

Middageten in de Grote zaal was, zoals gewoonlijk, veranderd in een gevechtsveld van wil. Aan de ene kant, waren er de ouder Zwadderaars, verzekerd iedereen te terrorizeren die niet de zelfde bloedlijn als hen hadden - en aan de andere kant, waren er de senioren Griffoendors, die probeerde iedereen te verdedigen die niet voor zichzelf op kon komen. De Huffelpufs probeerde wanhopig in het midden te blijven en bevriend te blijven met beide kanten en de Ravenklauwers waren van traditie de goedmakers. Maar vrijheid was raar en momenten van verzoeking waren weinig en ver weg. De Zwadderaars noemde het een test, maar Harry begon er over te denken als gruwelijkheid. Misschien was het begonnen als een beetje rivaliteit, maar het gevecht was meer geworden dan dat.

Het gevecht was niet meer in het limiet van beledigen en grappen. Het was niet alleen een paar simpele spreuken die zelfs de eerstejaars konden overkomen - Zweinstein was heel erg veranderd sinds zijn ouders door de gangen hadden gelopen. Nu, gevaarlijke spreuken en boosaardige vloeken vlogen telkens als een professor zich had omgedraaid en als een Zwadderaar vond dat de sraf niet ondragelijk zou zijn. De Griffoendor eerste en tweedejaars waren het makkelijkst doelwit, natuurlijk en de paar Dreuzelkinderen hadden het het ergst. De oudere Griffoendors echter, verenigede zich om de leerlingen van hun afdelingen en andere afdelingen te beschermen, alhoewel het was niet dat de oudere Huffelpuffers en Ravenklauwers hun afdeling niet support. Liever, de Griffoendors deden het duidelijker; hun afdeling zou niet bekend staan om dapperheid voor niets. Roekeloos, misschien, was nog een woord hoe je ze kon beschrijven, maar ondanks alles, voelde Harry zich toch thuis.

Terugpakken was moeilijk. Het was het gebruikelijke afdeling trots om niet zo laag te zinken als de Zwadderaars; echter, geen zelf respecterende Griffoendor kon stilletjes toe kijken en het allemaal laten gebeuren. De Ravenklauwers deden alsof ze boven het gevecht stonden, maar Griffoendor zou vechten, zelfs deden ze dat alleen met hun eigen regels. Spreuken waren acceptabel en zelfs onvermijdelijk soms. Zelfverdediging was noodzakelijk. Terug vuren als je aangevallen werd, werd voledig begrepen - maar onder geen mogelijkheid zochten Griffoendors een conflict. Geen Griffoendor zou zo vechten als een Zwadderaar onlangs ze geen andere keus hebben en dan sloegen ze toe hard en snel en wonnen, zelfs bij de andere afdelingsregels. Anders, hoewel, handelde ze met finesse en met verwarring als hun speeltje. Fred en George Wemel waren exstreem populair van af het begin vanwegen hun ambitie om de afdelingen gelijk te krijgen met het aantal grappen, maar ze waren heel erg in de minderheid.

Nu waren er zes die vrijwillig terug wouden vechten met zo veel creativiteit als ze hadden. Zes studenten, maakten vier families en twee verschillende klasjaren, die vrijwillig het gevecht deden op hun eigen terrein en om te winnen. Hun vrijwilligheid om samen te werken met de Wemel tweeling en Leo Jordaan hadden Harry, Ron en Hermelien al tot doelwitten van Zwadderaars gemaakt en ze waren pas zes weken op Zweinstein. Daarom, zouden de zeven jaars lang worden voor ze. Aan de andere kant, die jaren beloofden om heel leuk te worden.

Totdat Professor Remus Lupos de Grote Zaal binnen kwam, hij stopte een aantal kleine gevechtjes alleen al door de kracht hoe die binnen kwam. Hij was een aardige man, maar niet een om in aanraking te komen, zoals al de studenten wisten. Niemand wilde hem testen; ervaring hadden genoeg leerlingen geleerd wat een slecht idee dat was. Zijn stappen waren lang en krachtig, maar het intense en onleesbare gezichtsuitdrukking was precies het tegenovergestelde van het schoolhoofd zijn normale manier. Hij keek alles behalve blij - en hij kwam recht op de Griffoendortafel af, de Zwadderaars vonden het wel amusant aan de andere kant van de hal. Snel keken de zes "Misfists" naar elkaar, proberend om uit te vinden of iemand iets gedaan had sinds het ongeluk met Malfidus zijn schoenen een dag geleden… maar het enige antwoord was zes paar schouders die opgehaald werden, dus hielden ze zich bezig met overal tekijken behalven naar het schoolhoofd en alles behalve schuldig. Trouwens, professor Lorrebos zorgde er toch meestal voor straf als ze weer eens een grap hadden uitgehaald? Wat Lupos ook wilde, het was zeker niet hem hen. Hij trok zich niet zo veel aan van die kleine grapjes -

Tegenover hem, zag Harry dat Rons ogen wijd werden van paniek en hij wilde niet eens over zijn schouder heen kijken. De blik op zijn vriend zijn gezicht (plus de frons op die van Fred) vertelde hem dat Lupos naar hen toe liep. De Wemeltweeling wisselde een snelle blik, waarschijnlijk waren ze een plan aan het maken hoe ze uit de problemen konden blijven en niet zo heel veel moesten nablijven; echter, de voetstappen die dichter bij kwamen stopte achter Harry.

"Wat het ook is, Professor, wij hebben het niet gedaan -" begon George net op het moment dat zijn broer zij,

"Echt, meneer, het was alleen -"

"Ik ben niet hier voor een van jullie grappen," kwam Lupos ertussen. Plotseling, landde er een zachte hand op Harry's schouder. "Ik moet met Harry praten."

Hij keek op naar het schoolhoofd. Iets aan de gezichtsuitdrukking op Lupos zijn gezicht vertelde hem dat er iets mis was. "Meneer?"

"Het is je vader, Harry," zei Remus zachtjes. "Er was een dooddoener aanval. Hij ligt in het St. Holisto."

Harry's binnenste leek te bevriezen. "Wat is er gebeurd?"

"Ik heb nog niet alle details," antwoordde het schoolhoofd. "Je moeder is bij hem en ik ga nu naar het ziekenhuis. Je kan mee komen als je dat wil."

Harry knikte en stond op. Zijn keel voelde alsof die dicht zat; hij dacht niet dat hij kon praten als hij wilde, waar hij niet zeker van was. Remus zou het gezegd hebben als zijn vader op sterven lag, toch…? Harry slikte hard, hij volgde zijn vaders oude vriend zonder te zien waar ze heen gingen. Remus' hand was nog steeds comfortabel op zijn schouder, maar zijn hart klopte toch heel snel. Hij had het grooste gedeelte van zijn leven in gevaar geleefd, maar de Potter familie had altijd overleefd, met alleen een paar bulten en blauweplekken hier en daar. Harry had altijd geweten dat zijn vader gevaarlijk werk deed, maar James Potter had als nog weten te overleven - niets zoals vijfenzestig procent van zijn collega's, was het hem gelukt om elke avond thuis te komen. Hij was nooit echt serieus verwond.

Tot nu. Harry worstelde om de krop in zijn keel weg te slikken. Niet pap. Iets vertelde hem dat dit inderdaad heel serieus was. Alsjeblieft niet pap.


Een korte tijd later, leerling en professor waren aangekomen bij het ziekenhuis. Blijkbaar, wist Remus al waar hij heen moest, omdat hij het informatieloket voorbij liep en door liep. Harry bleef dicht achter hem, zijn hart bonsde hard in zijn borstkas. Niet weten wat er gebeurd was deed hem pijn. Hij keek rond in de gang, hij probeerde iets te vinden dat hem af kon leiden, maar de witte muren hielpen niet echt. Eindelijk, liepen ze een hoek om en zagen ze zijn moeder op een bank zitten bij een gesloten deur. Er was een andere man die dichtbij stond, die de wacht hield. Harry kon al raden dat dat een schouwer was.

Zijn moeder stond snel op toen ze dichterbij kwamen, ze kwam eerst bij het schoolhoofd en Harry stond er maar een beetje achter, hij keek rond voor hints om te weten wat er aan de hand was. "Dank je dat je hem mee hebt genomen, Remus," zei ze zachtjes. "Ik weet dat je het haat om de school te verlaten."

"Het is geen probleem, Lily."

"Hey, lieverd." zijn moeder reikte uit naar hem en Harry liet zichzelf zinken in haar omhelzing. Lily zoende hem zachtjes op zijn voorhoofd. "Hoe is het met je?"

"Ik wil weten wat er aan de hand is, mam," antwoordde Harry zachtjes, hij duwde zich een beetje terug en keek in zijn moeders vermoeide gezicht.

"Alles komt goed met hem, Harry," antwoordde ze. "Maar de dokters zeggen dat hij een week in het ziekenhuis moet blijven."

"Kan ik hem zien?"

"Nog niet." Bij het zien van Harry's frons, legde zijn moeder uit. "Minister Vaals praat nu met hem."

"Oh." ademhalen werd nu een stuk makkelijker en toen zijn moeder hem naar de bank begeleidde, ging Harry zitten, hij voelde een gigantische zucht van opluchting ontsnappen toen als over hem heen spoelde. Het ging goed komen met zijn vader. Alles zal goed komen…

"Wat is er gebeurd, Lily?" Remus ging zitten aan de andere kant van Harry.

"Er was een hinderlaag," antwoordde Lily. "James zou een informant gaan ontmoeten, maar het bleek een val te zijn… Arabelle en ik arriveerde net op tijd om een Dreuzelkroeg opgeblazen te zien worden. Een heleboel mensen waren gewond. James was vlakbij de deur, dus hij kreeg alleen het laatste gedeelte van de explosie."

"Hoeveel doden."

"Dat weet ik niet," zei ze zachtjes. Haar groene ogen, die zoveel op die van Harry leken, stonden bezorgd. "Te veel. Droebel en het Departement van Magische catastrofes mensen zijn daar nu."

Een plotselinge gedachten kwam op bij Harry en hij fronsde. "Mam, hoe wist je dat je daar moest zijn?"

"Je weet dat ik je niet over onze bronnen mag vertellen, schat." Lily kneep zachtjes in zijn schouders en hoe graag hij het ook wou weten, knikte Harry. Hij wist al jaren dat zijn ouders sleutel leden van de Orde van de Feniks waren, maar er was altijd wel iest dat ze hem niet konden vertellen. Klagen over dat, natuurlijk (ze dachten nog steeds dat hij te jong was om het te begrijpen?) bracht hem nergens, dus Harry had geleerd om het met rust te laten, maar hij wilde het nog steeds weten. Hij was niet stom en hij was ook geen klein kind meer. Beter dan de meeste kinderen van zijn leeftijd, begreep Harry wat Voldemort allemaal deed. Perkamentus die zich aanmelde voor minister van toverkunst en gekozen werd had de tijd van terror even gekalmeerd, maar zelfs de grote tovenaar was niet in staat Voldemort te stoppen. Zijn basis van kracht was veel te sterk.

Schreeuwende stemmen vanuit zijn vaders ziekenhuiskamer greep zijn aandacht.

"Je luistert naar mij, jonge man -" gromde mevrouw Vaals. "Dit is het en ik meen het! Geen veldwerk meer en geen domme kansen meer nemen! Er is veel te veel op risico voor jou om je elke week op te laten blazen - val me niet in de reden, James Potter! We kunnen het niet hebben om jou kwijt te raken en dat weet je donders goed!"

Harry's wenkbrauwen schoten omhoog en hij luisterde aandachtig; het gebeurde niet elke dag dat hij de goed gemanierde mevrouw Vaals hoorde schreeuwen tegen zijn vader! In feite, hij had nooit iemand zo tegen zijn vader horen praten… Zijn moeder en Remus wisselde een amuserende blik uit; het leek dat zij ook, dat zijn vader het verdiende om geschreeuwd tegen te worden.

"Bella…" begon zijn vader.

"Denk er maar niet aan!" schreeuwde mevrouw Vaals. "Je gaat je er dit keer niet uit praten! De Orde heeft je nodig en ik laat je niet vermoorden -"

"En ik laat Voldemort me niet in een hoekje duwen," ging zijn vader er tegen in. "Je weet net zo goed als ik dat iemand moet doen wat ik doe en als je iemand kan vinden die beter is dan mij, dan goed voor jou! Als die dag komt, verlaat ik het veld, maar tot dan, de Orde kan zich niet veroorloven om me daar niet te hebben! Als wat je zegt waar is, zou Perkamentus zelf hier tegen me staan te schreeuwen en ik zie hem niet. Dus maak je er niet druk over, Arabella. Je kan me niet laten stoppen."

"Ik kan het je wel bevelen," gromde de oude vrouw en Harry kon alleen al inbeelden de boze blik die ze nu op haar gezicht had.

"Ik zou niet luisteren."

"Ik meld dat je ongehoorzaam bent."

"En?" daagde zijn vader uit en Harry kon het niet helpen om een beetje te lachen. Zijn vader was niet iemand die luisterde… en de Potter familie had dat ook aan hun zoon geleerd.

"Dan ontsla ik je, koppige idioot, voor je eigen veiligheid!"

"Natuurlijk doe je dat."

"Vervloek jou!"

Zijn vader lachte. "Dat ook."

"Een deze dag, James Potter, ga ik je zelf vermoorden," zuchtte mevrouw Vaals.

"Zorg wel dat het opwindend is. Ik haat het om stil vermoord te worden."

"James! Ik ben serieus over dit! Wil je stoppen met grappen maken?" Ze was weer aan het schreeuwen.

"Nou ik kan mezelf niet verdedigingen voor het geval je me nu meteen gaat vermoorden, dus ik moet toch wat doen," antwoordde Harry's vader.

"Zoals me vervelen tot ik dood ga?" eisde de oudere vrouw.

"Als het werkt, werkt het. Ik neem al de overwinningen die ik pakken kan."

Mevrouw Vaals zuchtte weer. "Ik geloof dat ik niet met jou kan, of wel? Je zal nooit veranderen." Ze was stil voor een moment, terwijl Harry dacht dat ze nu waarschijnlijk haar dodelijke blik op zijn vader had afgestuurd. "Is er nog iets anders dat je me moet vertellen voor ik ga?"

"Nee, dat was het."

"Goed," antwoordde mevrouw Vaals. "Concentreer op beter worden, James. En je blijft in dat bed voor de hele week!"

"Ja, mevrouw," antwoordde zijn vader en een moment later, werd de deur open geslingerd. Een geirriteerde kijkende Arabella Vaals stond in de deuropening; haar ogen vlogen over de drie mensen die op de bank zaten. Een kleine glimlach kwam op haar gezicht toen ze de geamuseerde gezichtsuitdrukking op Harry's moeders gezicht zag.

"Dat heb je zeker gehoord?" vroeg mevrouw Vaals.

"Ja."

"Nou, ik hoop dat jij meer geluk met hem hebt dan ik," snauwde de oude vrouw. "Ik zou nooit getrouwd kunnen zijn met de idioot."

Lily lachte. "Hij is moeilijk, of niet?"

"Altijd."

En toen was mevrouw Vaals verdwenen, zodat Harry, zijn moeder en Remus zijn vader konden zien. Toen ze de kamer in kwamen, stopte Harry bijna in shock; zijn vader zag bleek en verband bedekte de linkerkant van zijn gezicht. Zijn rechter arm was ook in verband en Harry kon zich al inbeelden wat er onder de dekens van het ziekenhuisbed was. Hij zag er verschrikkelijk uit… Maar zijn vader glimlachte toen ze binnen kwamen, zelfs toen Harry dacht dat hij hem zag vertrekken. Als een gewoonte, keek hij rond naar zijn vaders bril (hij wist hoe rot het was om zijn eigen bril niet op te hebben), maar hij zag ze nergens. Voorzichtig, kwam hij dichterbij het bed. Zijn vader glimlachte.

"Je kan gaan zitten, Harry," zei hij zachtjes. "Ik bijt niet."

Harry bloosde. "Weet ik." hij ging zitten op het kant van het bed, aan de rechterkant van zijn vader en zag zijn vader glimlachen toen hij de andere twee gasten begroette.

"Hallo, engel." Harry's moeder glimlachte en ging zitten aan de andere kant van zijn vader, knijpend in zijn linkerhand toen James op keek naar zijn vriend, hij kneep zijn ogen weer samen. "Dank je dat je Harry hebt gebracht, Remus."

"Dat is waar vrienden voor zijn, Gaffel."

"Wat is er met je bril gebeurd, Pap?" Harry moest het gewoon vragen.

"Een beetje geplet," antwoordde James. "Of liever gezegd… helemaal gebroken. Onvervangbaar. Ik hoop eigenlijk dat je moeder mijn andere paar van huis heeft mee gebracht."

"Hier." In een geoefende beweging, plaatste zijn moeder de bril op haar mans gezicht, pauzerend zoals altijd, om door zijn haar heen te woelen. Harry haatte dat en zijn vader ook, want James gromde speels.

"Dank je wel," zei hij.

"Graag gedaan, lieverd." Lily en Harry wisselde de zelfde geheime glimlach en ze maakte er nu vol gebruik van. "Wees aardig voor me, of ik pak hem af."

"Niet eerlijk mensen pesten die niet terug kunnen vechten," protesteerde zijn vader.

"Een paar minuten geleden vocht je anders nog aardig goed," antwoordde zijn moeder.

"Arabella, dreigde niet om mijn bril af te pakken."

Harry's moeder glimlachde. "Ik maak een deal met je. Jij blijft veilig in dit bed voor zo lang als de dokters dat zeggen en dan mag je ze houden."

"Wat help hier, Harry?" smeekte zijn vader. Harry grijnsde.

"Sorry, pap. Ik denk dat ik deze keer aan mams kant sta."

Het antwoordt was een speelse vieze blik en het woord. "Verrader."

"Je zoon is waarschijnlijker slimmer dan jij bent, James," grinnikte Remus.

"Ik zie hoe het is. Zelfs jij staat niet aan mijn kant. Bedankt, Maanling."

Ze lachtte allemaal. Het was goed dat zijn vader nog steeds grapjes kon maken en kon lachen, zelfs met al zijn verwondingen en met al dat verband. Harry begon zich bijna weer normaal te voelen. Op weg naar St. Holisto, was hij bang geweest dat hij zijn vader zou gaan verliezen en toen hij hem eerst zag, wist Harry niet wat hij moest denken, maar het was nu duidelijk dat het meer kostte dan een handvol Dooddoeners om James Potter uit te schakelen. Toen zijn bezorgdheid minder werd, kwam nieuwsgierigheid er voor in de plaats.

"Dus hoe ben je er uit gekomen, pap?" vroeg hij.

Zijn vader grijnsde. "Ik heb leren vliegen."

"Pap." Er waren momenten dat Harry dacht dat hij volwassener was dan zijn beroemde vader en dit was er een.

"Nee, echt," zijn vader lachtte zachtjes. "Ik trok een sprint naar de deur toen een van de Dooddoeners besloot om de kroeg op te blazen en ik heb leren vliegen. Zonder een bezem." hij haalde alleen zijn linkerschouder op; het leek erop dat zijn rechterschouder niet zo goed werkte. "Hoewel, ik moet werken op mijn landing, want ik raakte de grond aardig hard. Toen ik bij kwam, was je moeder in mijn oor aan het schreeuwen. Mevrouw Vaals was bezig om de Dooddoeners weg te jagen… Trouwens, ik ben blij dat de rollen niet waren omgedraaid. Als ik wakker zou worden en Arabella's gezicht boven me had zien hangen, zou ik waarschijnlijk weer flauw zijn gevallen."

Harry lachtte; Remus kuchtte raar en het klinkte alsof hij een giechel wilde verbergen. Hoewel, zijn moeder, sloeg zachtjes tegen zijn vaders schouder. "James, dat is niet erg aardig."

Zijn vader deed de een schouderophalende beweging weer. "Zie de feiten, Lily. Jij maakt een mooiere redder dan Arabella Vaals. Trouwens, als zij me onder de bende vandaan had gehaald, zou ik dat aan moeten horen tot Harry achttien is."

Ze lachtte samen, wetend dat het waar was. Mevrouw Vaals was een soort van oma voor Harry geworden sinds zij en zijn vader het zo goed met elkaar konden vinden, maar zelfs Harry moest toegeven dat nooit op zou geven op een jeugdincident. Zij was van de soort die het zag dat je daar nooit te oud voor bent. Ze gaf geweldige Kerst en Verjaardags cadeaus, maar was een verschrikkelijke netjese baby-sitter; hoe vaak Harry wel niet gehoord had dat hij niet zo wild moest doen. Hij had lang geleden geleerd dat ze een erg goede dame was, haar behendigheid was zo wijd als dat van een professionele Zwerkbalspeler. In feite, mevrouw Vaals wist waarschijnlijk meer scheldwoorden dan Zwerkbalspelers… De deur ging opeens weer open en de passende vraag kwam.

"Wat heb ik gemist?"

"Peter!" Remus reageerde eerst, hij stond op en gaf de kortere man een hand. "Wanneer ben jij binnen gekomen?"

De blondharige man glimlachte. "Nu net. Perkamentus was aardig genoeg om het me te laten weten. Ik moet terug zijn in Frankrijk vanavond, maar ik wou er zeker van dat het goed gaat met James."

"Zonder de bedreiging van mijn vrouw en mijn rebel van een zoon, gaat het goed," antwoordde Harry's vader, hij probeerde overeind te gaan zitten. Lily duwde hem terug neer. "Hoe gaat het, Wormstaart?"

"Goed. Je ziet er uit als shit, Gaffel." Peter stapte naar voren om Harry's vaders vrije hand te pakken in begroeting.

"Peter!" snauwde Harry's moeder, ze gaf hem een blik waar haar man en zoon altijd voor wegdoken.

Maar de derde Marauder grijnsde. "Ik ben zeker dat Harry dat woord al een keer eerder gehoord heeft, Lily," antwoordde hij. "Of niet, Harry?"

"Ik denk dat ik het wel een keer heb gehoord," Harry keek smedend, maar zijn smedende blik verdween toen Peter door zijn haren ging met zijn hand. "Hey! Je weet dat ik dat haat!"

"Goed je weer de zien, joch," grinnikte Peter.

"Jij ook, Peter," antwoordde Harry. Zijn vaders oude vriend draaide zich om om zijn moeder een kus op haar wang te geven.

"En ook hallo tegen jou, Lily," zei hij met een grijns.

Ze zuchtte en glimlachtte. "Hallo, Peter."

Na een moment, de grijns op de mans gezicht werd minder en Peter werd serieus, hij ging naast Harry op het bed zitten. "Je moet hier mee stoppen, James."

"Hey, ik ben al jaren niet in het ziekenhuis geweest," ging Harry's vader er meteen tegen in.

"Dat is niet wat ik bedoelde, Gaffel." Peter keek fronsend naar zijn handen en toen kwam zijn hoofd weer omhoog om Harry's vader in de ogen te kijken. "Wat je gedaan hebt is gevaarlijk en je hebt het veel te lang gedaan. Laat iemand anders leider zijn voor een tijdje."

"Dat kan ik niet, Peter," kwam het zachtte antwoordt.

Peters frons werd dieper. "Ik zeg niet dat je moet stoppen met vechten. Het is dat je het verdiend om -"

"Ik kan niet stoppen," herhaalde James. "Nu niet. Er zijn veel te veel risico's… Ik moet door vechten. Mensen hebben hoop nodig, Peter, en terwijl ik niet alles kan doen, moet ik mijn deel doen."

"Je hebt meer gedaan dan iemand van je zou verwachten," zei de ander.

"En anderen niet dan?"

De vraag hing in de lucht en Harry slikte, wetend wat zijn ouders en hun oude vrienden dachten. Voor een moment, waren ze allemaal stil, allemaal in hun eigen gedachten - en herinneren in hun eigen manier. Remus, viel Harry op, was stil gebleven tijdens Peters preek, zelfs terwijl Harry wist dat hij dezelfde preek aan James had gegeven. Eigenlijk had zijn moeder dat ook gedaan; zijn familie was bezorgd dat zijn vader misschien een workaholic zou worden. Terwijl zijn vader zei dat het nodig was, Harry wist dat Peter, Remus en zijn moeder gelijk hadden. Maar zijn moeder en Remus zeiden niks. Ze hadden het zelfde gevecht te veel keer verloren en geloofde niet meer dat het zou werken. Uiteindelijk, sprak Peter in een toon als een man die het haatte wat hij ging zeggen.

"Het zal Sirius niet terug brengen, James," zei hij.

Harry's vader knipperde verdrietig. "Dat weet ik," antwoordde hij. "Maar als ik een persoon kan redden van zijn lot, zal dat het waard zijn."