Hoofdstuk 10: drie
Drei ist für den Himmel,
zwei für die Erde.
Pyramidentext, Spruch 694
Hagrid bracht de kleine Harry rechtstreeks naar zijn oom en tante. Tijdens de vlucht was hij Sneep helemaal vergeten, al zijn gedachten gingen naar het kind, dat hij in een draagdoek had gedaan, naar zijn dode ouders.
Later wilde hij bij Sirius de motor terugbrengen, maar hij vond de jonge tovenaar nergens. Het dreuzelnieuws gaf verslag over zeldzame gebeurtenissen, van vallende sterren en rondvliegende uilen midden op de dag. Overal werd de val van Voldemort gevierd. Hagrid zelf ging bij twee feestjes voorbij, overal werd op de kleine Harry Potter geproost. De volgende dag had Hagrid de kater van zijn leven en moest in bed blijven.
In de toverwereld brak de hel los, het ministerie werd letterlijk overvloed door uilen en vele families, zoals de Malfidussen verklaarden, dat ze onder een vloek hadden gestaan. Ze keerden terug in de normale tovergemeenschap. Op andere plaatsen verzamelden dooddoeners zich en ze zochten wegen om naar hun meester te zoeken.
Perkamentus was dezer dagen bijna niet op Zweinstein, hij reisde van hier naar daar, praatte met mensen en verzekerde hen dat Voldemort werkelijk verdwenen was. Hij begon zijn netwerk aan informanten rustig te stellen. Iets aan de verdwijning van Voldemort had hem een beetje onzeker gemaakt en zo hield hij zijn informatiebronnen aan.
Alastor Dollemans vierde ook maar weinig feest, hij zag de kans de rest van de trouwe dooddoeners te vangen, en hij zwoor tot zichzelf, dat deze niet na enkele dagen zouden verdwijnen, maar zeker in Azkaban zouden belanden. Hij trommelde iedereen uit zijn groep bijeen en de grote jacht begon.
Evan Rosier kwam net terug van een dooddoenervergadering. Hij wou het gewoon niet geloven, Voldemort was echt verdwenen. Hij, was hun meester, hij had zoveel macht gehad en zo veel veranderingen veroorzaakt, hij kon ONMOGELIJK dood zijn! De weinige trouwe volgelingen, die niet in paniek waren geraakt, besloten hun meester te zoeken. Ook Evan Rosier. Om Sneep zou hij zich later wel bekommeren.
Alastor Dolleman had van enkele dreuzels de tip gekregen, dat in de schemering een groep van vreemde personen zich op een kerkhof hadden getroffen. Zij beschouwden hen voor(ALS) Satansaanbidders en vreesden voor de rust van de doden. Alastor glimlachte zwakjes. Satansaanbidders? Nee, maar men kon hen bijna met hen vergelijken. Hij sloop met een groep schouwers over het kerkhof. Al gauw hoorde hij het vertrouwde geluid van verschijnselende tovenaars. Drie lieden uit zijn groep begonnen al met hun voorbereidingen om een verdwijnselbescherming op te bouwen. Tot tegenstelling van andere schouwersgroepen zette hun (groep,anders klinkt het zin niet vlot) deze spreuk alleen doelbewust, tijdelijk en zeer beperkt in. De ervaring had bewezen dat 15 minuten vaak voldoende waren. De overige donkere gestalten maakte zo weinig mogelijk geluid. Ja, de bescherming had zich gevestigd.
"NU!" schreeuwde Dolleman en sprong vanachter een grafsteen te voorschijn. Hij schoot de eerste vloek op de bij hem dichtstbijzijnde dooddoener af, het was een simpele shockspreuk.
"EN DENK ERAAN, IK WIL ZE LEVEND!" riep hij zijn groep toe. Alastor achtervolgde een dooddoener, die probeerde buiten de verdwijnselbescherming te komen.
"Blijf staan!" vorderde Alastor op.
De persoon bleef staan en draaide zich naar hem om. Hij droeg nog steeds het masker voor zijn gezicht, grijze ogen staarde hem vol afschuw aan.
'Dooddoener!' Dacht Alastor vol afschuw.
"Geeft je over! En ik beloof je, dat je een eerlijk proces krijgt!" zei Dolleman met vaste stem.
De man die tegenover hem stond, lachte schril.
"Eerlijk proces?" De persoon met de capuchon hield hem onderarm tegemoet, het donkere teken was niet meer zo duidelijk te herkennen, maar het was nog wel degelijk gezien. "Een eerlijk proces MET DIT HIER?"
Dolleman hief dreigend zijn toverstaf. "Geeft je over!"
"Vergeet het Dolleman(s)!" en direct vuurde de dooddoener de eerste vloek op de schouwer af.
Dolleman antwoordde met een rij shockspreuken, maar telkens blokte de dooddoener ze. De zwarte magiër wist wat hij kon en vuurde nog meer vloeken op Dolleman af. Eén vloek streelde de schouwer langs het gezicht en hij had het gevoel, dat zijn neus niet meer bestond. Verrast tilde hij zijn hand op, deze was bloedrood. Dolleman keek nog naar zijn hand toen een volgende vloek hem raakte en hij zag de grond dichterbij komen. Een volgende lichtflits kon hij maar net ontwijken, doordat hij zich achter een van de grafstenen rolde. Buiten adem lag hij daar en keek om de steen heen.
"Zie het maar in Dolleman! LEVEND krijg JE mij niet!" lachte de dooddoener.
Dolleman sloot zijn ogen, hij wou het niet, maar deze hier liet hem geen andere keus. In gedachten zocht hij naar de meest succesvolle combinatievloek, die hij kende. Soepel als een roofkat sprong hij op en vuurde de vloek op de dooddoener af. De persoon met de capuchon herkende de vloek en liet de toverstaf vallen. Liever sterven dan levend in Azkaban begraven te worden! De vloek trof hard, met volle vaart. Het scheurde het slachtoffer van zijn stand en voordat het de grond raakte was hij dood. Dolleman veegde zich het bloed uit het gezicht en liep naar de dooddoener toe. Met een ruk trok hij het masker van het gezicht.
"Evan Rosier!" fluisterde de schouwer rauw. "Wat voor een verrassing!"
Lubbermans kwam naar hem toe gerend.
"Meneer Dolleman! Alles in… bij Merlijn je bloedt, de verdwijnselbescherming is binnen twee minuten weg. U moet DIRECT naar een ziekenhuis."
Dolleman leunde zwaar tegen een grafsteen en keek nog steeds op de dode Rosier neer.
"Dolleman?" Riep Lubbermans hem na.
"Hoe? Ach, ja een ziekenhuis zou niet slecht zijn", mompelde Dolleman, hij haatte het om te doden, probeerde het steeds te vermijden, maar soms ging dat niet.
"Wou niet meekomen, of?"
"Nee, wilde hij niet", zei Dolleman zachtjes. "Kom Lubbermans. Is er nog nieuws van het ministerie? Is Voldemort echt verdwenen?"
Frank Lubbermans mompelde wat en Dolleman knikte. De nacht was nog jong!
Ze zagen, de vrouw die zich in een graftombe verstopt had over het hoofd.
Zwart en koud.
Meer was er niet. Hij kon niet eens een hand voor de ogen zien, had hij überhaupt nog handen? Of benen? Ja, een kon hij zeker voelen, het brandde en deed pijn. Waar één been was kon ook een tweede zijn. Severus Sneep wist niet of hij gek werd, hij wist niet of het de duisternis of de honger was, die hem in deze waanzin dreef. Hij betrapte zich op de gedachtegang, dat zelfs de folter van Rosier hem niets zou uitmaken. Maar Rosier kwam niet meer. Alleen iets afwisseling, iets anders, dan het eeuwige heen en weer kruipen tussen de stenenbank en de waterbak. Altijd weer heen en weer. Steeds als hij zijn linkerhand bewoog deed deze pijn, wanneer was dat gebeurt? Ach, ja toen hij geprobeerd had naar iets te tasten was er iets zwaars op gevallen. De botten waren eenduidig gebroken. 'Geen zelfheling!' joeg het hem door zijn hoofd. 'Geen zelfheling!' Hij was er nooit goed in geweest. Nu lag hij weer voor de stenen bank. OP de bank had hij het sinds de laatste drie bezoeken aan de waterbak niet meer gehaald. De grond met de koude stenen tegels werd zijn nieuwe bed. Hij sliep, of in ieder geval dacht hij dat. Op een gegeven moment kon hij geen onderscheid meer maken tussen wakker en slapen. Zijn dromen waren zwart, net zo zwart als de realiteit.
Drie!
Plotseling schoot dit getal door zijn hoofd.
Drie!
Wat was er toch mee? Hij pijnigde zijn gedachten, wat was er met dit getal? Waarom drong het op in zijn gedachten? Hij wilde niet meer denken.
Drie!
Verdomd getal. Een, twee, drie! Ja, tellen kon hij nog, zo gek was hij niet. Nog niet!
3 minuten, 3 dagen, 30 dagen.
Al deze tijdsaanduidingen begonnen met drie, hij had ze ergens eens gelezen. Lezen kon men als men licht had! Herinnerde hij zich. Maar in welke samenhang had hij ze gelezen? Bij giffen? Bestond er een gif, waar alle ingrediënten in dit tijdbestek toegediend moesten worden? Hij dacht na, verrast stelde hij vast, dat het de pijn weg ging, als hij iets had om over na te denken. Nee, bij giffen had hij het niet gelezen. Maar het had iets met de dood te doen. In een flits wist hij het weer.
3 minuten zonder lucht.
3 dagen zonder water.
30 dagen zonder eten.
Zo lang kon een mens het uithouden, voordat hij stierf. Sneep lachte schril, het was een lach, die kort aan de waanzin grensde. Hij draaide zich op zijn rug en lachte, en lachte. De kerkermuren wierpen het geluid duizenden malen terug, het vulde de hele ruimte. Hij had de oplossing! Had Rosier door hoe gruwelijk hij was? Een hoestaanval onderbrak het lachen, maar voor kort. Rosier had, zonder het te weten, het gevecht om de dood van Sneep verlengd en schuld daaraan was de waterbak. Hij had fris water! Hij kon drinken! Sneep lachte! Zo gruwelijk als de situatie was, zo opgelucht was Severus Sneep. Waar hij normaal alleen van een dag tot dag of leefde, zo kon hij dit keer een grens trekken.
Kuchend haalde hij lucht, het lachen had hem zeer aangestrengd. Hij had geen angst ervoor, want Hagrid zou hem eens vinden. De halfreus had het beloofd! Dit was zijn toekomst, in een paar dagen, want hij was zeker, langer dan zeven dagen in deze kerker, over een paar dagen zou hij sterven en met de tijd zou Hagrid hem vinden. Sneep overlegde in zichzelf, koel en logisch. Hij gaf zich zelf geen 30 dagen, de verwondingen zouden het sterven versnellen. Met een tevreden lach zweefde hij in de tweede duisternis de slaap. Het was hem gelukt! Op het einde van zijn leven, had hij dat, wat alle anderen ook hadden, een toekomst!
