Weer een nieuw chapter! Dat was snel! *geeft zichzelf een schouderklopje*

Green.


Midnachtelijke ontmoetingen POV Emelie

"Aaah!" ik hou snel mijn hand voor mijn mond om mijn gil te smoren, het licht gaat uit.

"Sssst!" fluistert iemand "Lumos" zegt een ander, het licht gaat weer aan.

Ik kijk naar de drie mensen voor me, eentje komt me vaag bekend voor, maar ik kan niet op zijn naam komen.

"Wie zijn jullie?" vraag ik.

"Ik ben Harry Potter en dit zijn mijn vrienden Hermelien Griffel en Ron Wemel" zegt de middelste.

Severus heeft gezegd dat 'Potter' een rotjoch is, Hij ziet er ook best arrogant uit.

"Emelie Prins" zeg ik en ik steek mijn hand uit.

Harry en die Wemelgast doen beide een visimmitatie, Hermelien kijkt me enkel verbaasd aan.

"Prins?" vraagt ze.

"Ja, Prins hoezo?" vraag ik haar nonchalant.

"De Halfbloed Prins?" zegt Harry.

"Nee" zeg ik "ik ben een volbloed".

O nee, heeft hij ook het dagboek van Severus gelezen?

Dat kan niet, echt niet.

Maar neef Sev noemt zich de halfbloed prins!

"Emelie, ik vroeg wat".

"Huh?" zeg ik.

"Of je weet wie dat wel is?" zegt Harry.

"Nee, maar hoe komen jullie bij die naam?" vraag ik.

"Maakt niet uit…" zegt de Wemelgast

"Zeg gewoon!" ze verzwijgen wat voor me.

"Waar ging je eigenlijk heen?" vraagt Hermelien op een ander onderwerp overgaand.

"Dat kan ik net zo goed aan jullie vragen" zeg ik bits.

"Wij zijn naar Hagrid geweest" zegt ze op haar betweterige toontje.

"O, die halfreus" sneer ik en ik loop verder, gewoon langs ze.

"Je hebt nog niet verteld waar je zelf heen gaat!" roept Harry.

"Gewoon naar buiten" roep ik terug en ik ga de hoek om, de uitgang is in zicht.


Snel loop ik naar de uitgang, de deur staat op een kier, dit gaat makkelijk worden.

Ik trek de kap van mijn mantel over mijn hoofd en ik duw de deur open.

"Miauw" verschrikt draai ik me om, nu ben ik er vast bij.

"Miauw" zegt de kat weer, ik zet een paar passen achteruit, richting de uitgang.

De kat, Mevrouw Norks, kijkt me nog een laatste keer fel aan en dan sprint ze weg.

Ze gaat nu ongetwijfeld naar Vilder, de conciërge, dan ben ik er gloeiend bij.

Hopelijk heeft ze me met mijn kap op niet herkent, ik draai me weer om.

Snel loop ik de school uit, het veld over, richting het verboden bos.

Ik houd mijn mantel strak dicht, het is koud.

Bijna ben ik bij het bos als ik geschreeuw hoor "Leerling uit bed! Leerling uit bed!".

Dat is vast Vilder, ik ren het laatste stukje naar het verboden bos, tot ik in de schaduw van de bomen sta.

Ik kijk nog een laatste keer achterom, om zeker te zijn dat niemand me volgt, en dan loop ik dieper het bos in.


Dit was een soort van tussenstuk, de volgende keer spreekt ze met haar meester!