Hey, ik ben terug! *duikt weg achter bureau om de vliegende tomaten etc te ontwijken*
Sorry voor de lange wachttijd... Echt waar! Maar ik lijk gewoon veel tijd nodig te hebben om alle ideeën op papier te krijgen.
De lengte hebben jullie 100% aan Jade Lammourgy te danken. Iedereen in koor: Dankje Jade!!!
Oké, nu dit allemaal gezegd en gedaan is, enjoy en review op het eind.
Salut!

Disclaimer:
Layla: Van mij
Jess: Ook al van mij! (Goh, toevallig)
Remus: Niet van mij (Damn damn damn...)
Sirius: Niet van mij (Jammer)
Severus: Niet van mij (Oké, dit wordt deprimerend)
Harry Potter Universe: Niet van mij (*Barst in huilen uit*)


Layla glimlachte begripvol naar me, en stak haar hand uit.

"Hey, ik ben Layla. Jessica en ik zijn al heel lang vriendinnen." Ik was haar er ontzettend dankbaar voor. Niet omdat ze de verkeerde conclusies trok of zo vriendelijk deed, maar omdat ze ervoor zorgde dat Severus zijn arm van rond mijn middel moest halen om haar een hand te geven.

Wacht even… ik had niet eens een hand gekregen toen ik hem ontmoette! Ik keek hem verwijtend aan, maar hij leek het niet eens te merken. Opeens vloog de deur open, en we draaiden ons allemaal om. Romeo Wolkenveldt kwam de kamer binnengestormd.

"Sorry dat ik stoor," hijgde hij, "maar we hebben mensen nodig op kerkhof van Godrics Eind. Sirius Zwarts is gesignaleerd en het Ministerie is al onderweg." Het was even doodstil. Toen sprongen Anderling, Remus en Arthur Wemel recht en liepen ze naar de deur. Ik wilde zelf ook die kant uitgaan, maar merkte dat dat onmogelijk was omdat iemand me tegenhield. Met een voorgevoel draaide ik me kwaad om… om mijn voorgevoel bevestigd te zien worden.

"Waar gaan we naartoe?" Severus keek me aan met een van zijn misprijzende leeraars blikken, en ik voelde me weer net een klein kind dat was betrapt op snoep stelen.

"Zou je me willen loslaten?"

"Als je belooft dat je hier blijft."

"Tuurlijk. Terwijl jij daar even de held gaat uithangen en de hele wereld red van alle onheil."

"Ik ben blij dat we elkaar begrijpen, Jessica." Hierop liep hij me voorbij zonder me nog een blik waardig te keuren en liep ook naar de deur. Ik keek hem met open mond na, en naast me hoorde ik Layla mompelen: "Van je vrienden moet je het hebben." Het drong opeens tot me door dat Anderling al door de deur naar de hal was verdwenen, en ik snelde naar de deur. Mijn plan om achter de groep mee te glippen viel echter in het water toen Remus me in het oog kreeg.

"Ah, Jessica, zeer goed, we kunnen wel wat extra help gebruiken." Severus draaide zich om bij het noemen van mijn naam en ik keek hem met een onschuldig gezicht aan.

"Zie je wel, ik ben onmisbaar!" Hierna sloot ik me bij Remus aan die met een schuldbewuste blik naar hem keek. Ik grijnsde daarentegen voluit.

Voordat ik door de deur verdween zwaaide ik nog eens uitbundig naar Layla, die me hoofdschuddend maar glimlachend nakeek. Even later duwde Severus me hardhandig verder.

We vertrokken met z'n allen naar het kerkhof door te verschijnselen. Ik voelde de misselijkheid in me opborrelen en viel dan ook bijna om als Remus me niet vast had gepakt. Severus keek hem zowat moordend aan, maar ik zond hem ook een boze blik waardoor hij snel weer normaal kijk. Ik kon nog steeds geen grote grijns verbergen terwijl de rest behoorlijk gespannen leek te zijn. We renden door de straat met toverstokken getrokken terwijl het al schemerde en de sterren en de halve maan zichtbaar werd. Romeo sprong zowat over het hekje heen en de rest volgde al snel. Ik merkte al vlug op dat Severus in zichzelf aan het mompelen was met een boze bijna moordende uitdrukking op zijn gezicht.

Ik volgde Remus en ik kon niet geloven wat ik zag. De rest was om de kerk gerend om te zorgen dat het ministerie niet onverwachts kwam terwijl Remus, Severus en ik zowat als versteend naar een man stonden te kijken.

Hij zat mijn zijn knieën in de sneeuw, terwijl hij kapotte oude kleding aanhad. Een lange bruine jas met verschijnende gaten erin terwijl je hier en daar op zijn armen grote wonden zag zitten. Zijn haar was een grote warboel, maar dat maakte niks voor me uit. Het enige waar ik oog voor had was het schokken van zijn lichaam.

Hij zat voor een wit marmeren graf terwijl die helemaal bedekt was met sneeuw. Je zag dat alleen de sneeuw bij de namen was weg geschraapt en voor de rest lag er een mooie rode roos op die bevroren was en voor de namen was neer gelegd.

De man had zijn gezicht met zijn handen bedekt terwijl we hem hoorde huilen. Niet zomaar huilen, maar je hoorde de pijn bij elk geluid wat hij maakte. Als of hij al zoveel had meegemaakt dat niks meer belangrijk was. Ik wist niet waarom maar ik zette instinctief een stap naar voren, en Remus keek me even verbaasd aan. Met een schorre en droge stem, kreeg ik de moed om mijn stem daadwerkelijk te gebruiken.

"Sirius…?" Ook al was ik niet zeker van mijn stem en of het wel goed was wat ik deed zette ik nog een stap naar voren. De man voor het graf bleek me niet te horen want hij bleef zo zitten. Ik zette nog een stap, mijn geluk wel erg uitdagend. Severus leek dat ook te merken en siste zowat naar me. Ik gaf hem een boze blik terwijl Remus me twijfelend aankeek.

De man voor me kon geen moordenaar zijn. Dat kon gewoon niet! Zijn lichaam vertoonde zoveel verdriet, zoveel pijn en zoveel leed, dat hij onmogelijk tot iets ergs toe in staat zou zijn. Als of zijn ziel zo was aangetast dat het niet meer kon worden gemaakt.

Ik was nog maar een stap van hem verwijderd en voor ik het wist zette ik nog een stapte en zakte door mijn knieën naast hem neer. Hij haalde zijn handen weg en ik zag uiteindelijk zijn gezicht.

Ook al was hij ongeschoren, en zag hij er behoorlijk vies uit, het was duidelijk te zien dat hij knappe gelaatstrekken had. Zijn ogen die tegen de tranen probeerde te vechten bleven steen vast naar de roos kijken op het graf.

"H-het was niet de bedoeling…" Mompelde hij zachtjes en ik keek van hem naar het graf. Lily en James Potter. Stond er in sierlijke letters op geschreven, en mijn hart sloeg een bonk over bij die twee namen.

"Het was niet de bedoeling…' Mompelde hij nog een keer zachtjes. Tranen begonnen weer over zijn wangen heen te rollen terwijl hij dat zinnetje tegen zichzelf bleef mompelen. Ik wilde wat zeggen maar Severus was me voor. Zijn altijd ijskoude kool zwarte ogen spuwde nu zowat vuur en hij duwde me ruw aan de kant.

"Niet de bedoeling?! JE HEBT ZE VERMOORD ZWARTS! Wat denk je wel niet, jij achterbakse vieze gore verader! JE HEBT ZE VERADEN!" Schreeuwde hij. Sirius sprong op en keek hem even kwaad terug aan met de tranen nog steeds in zijn ogen.

"Noem mijn geen verader als je er zelf een bent, en geen besef hebt van de zaken die hier gaande zijn!" Spuwde hij terug en Severus deed zijn mond open om wat te zeggen, maar werd onderbroken door een schreeuw.

"Daar is hij!" We keken om, om een paar mensen van het ministier nog geen 40 meter van ons vandaan te zien staan. Ik zag iemand al zijn toverstok trekken en zonder er bij na te denken ging ik voor Sirius staan en voelde ik nog geen twee seconden later een hele pijnscheut door mijn lichaam heen en werd ik verwelkomt door de duisternis…

"Hoe is het met haar?"

"Ze is nog steeds warm…"
"Geen verbetering dan?"
"Jawel… Haar ademhaling is weer normaal geworden, en haar botbreuk is weer heel."

Ik hoorde verschillende stemmen in mijn hoofd, maar ik had teveel hoofdpijn om te gaan bedenken van wie de stemmen waren. Ik voelde hoe ik op iets zachts lag en iemand mijn haren uit mijn gezicht streek en iets nats en kouds op mijn voorhoofd legde.

"Dank je Poppy…' Zei een rustige stem, maar tegelijkertijd klonk die heel ongerust. Ik voelde hoe mijn keel brandde, er verschillende punten in mijn lichaam waren waarvan ik wilde dat ik ze niet zou voelen omdat ze zoveel pijn deden, en mijn ogen aan voelde als of ze dag licht wilde zien.

Ik besloot dat het dan ook tijd was om mijn ogen open te doen, tenminste, te proberen. Ik trok mijn spieren aan en voelde hoe ze langzaam open gingen. Ik knipperde een paar keer met mijn ogen en ik zag hoe er een gezicht over me heen boog. Het gezicht kreeg langzaam vorm en ik zag dat het Madam Plijster was. Ze had een warme glimlach op haar gezicht en ze ging naast me zitten.

"Hoe voel je je?" Vroeg ze zachtjes en ik fronste even voordat ik antwoord gaf.

" Als of er 12 dubbeldekkers over me heen zijn gereden ik daarna ben opgegeten door 13 kleine puppy's en in een mixer ben gemixt tot een roze smoothie…" Haar glimlach werd iets breder voordat ze zachtjes op mijn hand klopte.

"Je hebt bezoek…" Ze stond op en ik ging iets meer rechtop zitten. Hierdoor merkte ik dat mijn pols in het verband zat ik een snee had in mijn wang en mijn kleding was gescheurd op verschillende plekken.

Ik zag Remus en Layla in de deuropening staan en Layla grijnsde en Remus leek opgelucht te zijn. Ik streek de haren uit mijn gezicht en legde het natte washandje op het nachtkastje naast me.

"Waar zijn we?" Dat was de eerste vraag die in me opkwam omdat ik zeker wist dat dit niet bij Remus zijn huis hoorde. De kamer was namelijk met vooral zwarte en zo te zien dure meubels gevuld. Ik lag dan ook in een groot hemelbed en er hingen een paar grote schilderijen.

"Huize Zwarts." Antwoordde Remus rustig met een zucht en lachte opgelucht.

"En jouw huis dan?" Vroeg ik, de naam niet opmerkend.

"Dat was te klein, en dit huis is veel groter en een beter schuilplek…" Ik knikte begrijpend en opeens sprong Layla zowat op me af en lande op mijn bed met een enorme grijns. Ik keek haar aan met verbazing op mijn gezicht terwijl Remus grijnzend zijn hoofd schudde.

"We zijn zo ENORM van je geschrokken Jess! Wil je dat nooit meer doen?" Zei ze in een rap tempo en ik keek haar verward aan.

" Wat bedoel je?" Vroeg ik haar verbaast en ze hield haar hoofd iets schuin terwijl ze me onderzoekend aankeek.
"Weet je dat dan niet meer?" Ik schudde mijn hoofd terwijl Remus ook op een stoel ging zitten.

"Wel je sprong een soort van voor Sirius toen een schouwer een spreuk op hem afvuurde. Je werd vol geraakt en je viel op de grond en begon helemaal te schudden. Het zag er doodeng uit! Remus liep gelijk naar je toe en je stopte met shaken en je werd lijkbleek. Je pols lag in een rare hoek en je had een snee in je wang. Daarna hebben we een enorm gevecht gehad. Het ministerie dacht dat we dooddoeners waren omdat we ons snel hadden vermomd en we hebben Sirius mee kunnen smokkelen naar Remus zijn huis. Je bent drie dagen bewusteloos geweest. We dachten bijna dat je kerstmis zou missen! We zitten nu in Sirius zijn ouders huis wat hij voor ons te leen heeft gesteld." Ze haalde diep adem en ik keek haar bewonderend aan. Dat ze dat binnen 13 seconden kon zeggen!

Ik lachte schaapachtig naar haar, en we bleven even praten totdat ik het besluit nam om op te staan. Eerst keken ze als of ze wilde protesteren, maar nadat ik ze waarschuwend aankeek lieten ze het toch toe. Ik ging naar de badkamer en kleedde me snel om in een simpele zwarte spijkerbroek en groene dunne coltrui. Toen ik uit de badkamer kwam waren Remus en Layla al weg dus had ik vrijspel. Ik glipte mijn kamer uit en zag hoe ik nu in een lange hal stond. Verschijnende deuren stonden open en bij eentje hoorde ik luid gevloekt uit komen. Het was een charmante diepe mooie mannen stemmen en zonder erbij na te denken liep ik naar de deur waar het geluid uit kwam.

Ik gluurde om de hoek van de deur en zag Sirius in de kamer staan met een mooi rood gewaad aan, gewassen, geschoren en wel alleen hing er een borstel in zijn haar wat nog steeds 1 klitte boel was.

"Stom Dreuzel ding! Ga. Uit. Mijn. Haar!" Zei hij tegen de borstel die in zijn haar bleef hangen hoe hard hij er ook aan trok. Ik kon een giechel niet onderdrukken en daardoor keek hij geschrokken om. Hij leek nog meer geschrokken toen hij me kennelijk herkende.

Terwijl hij de borstel in zijn haar los liet en me zowat schuldig aankeek, stapte ik de kamer in. Ik keek bedenkelijk naar de vele plaatjes aan de muur van dreuzel meisjes modellen en hij kuchte zacht.

"Dit is nogal een ongemakkelijke situatie om kennis te maken. Maar ik ben Sirius Zwarts…' Hij stak zijn hand beleefd uit en ik schudde hem lachend. Hij was wel zowat een kop groter dan mij maar ik moest nog steeds mijn best doen om niet te lachen bij de borstel die in zijn haar bungelde.

"Jessica Verlinden. Noem me maar Jess." Zei ik met een glimlach en gebaarde daarna met een grijns naar de borstel in zijn haar.

"Hulp Nodig?" Ik lachte opnieuw en ik kon bespeuren dat hij bijna bloosde. Hij mompelde wat terwijl ik een eenvoudige beweging maakte met mijn toverstok. Zijn haar was uit de klit de borstel lag op de grond en zijn haar was geknipt en kwam mooi krullend tot aan zijn schouders terwijl er een paar piekjes voor zijn ogen bungelde.

"Die spreuk moet je ook aan mij leren." Zei hij lachend en keek bewonderend in de spiegel.

"Misschien later. Ik moet weer gaan. Ik moet nog met iemand praten…" Ik zuchtte aan de gedachte van Severus en liep daarna de kamer uit op weg naar Remus om te vragen waar Severus zich bevond.

Na lang zoeken vond ik Severus in de bibliotheek, in een fauteuil aan het raam, verdiept in een dik zwart boek. Hij keek op toen ik binnenkwam.

"Moet jij niet in bed liggen?" Zijn stem was koud en afstandelijk.

"Ik ben genezen verklaard", antwoordde ik, gewend aan zijn stemmingswisselingen.

"Dat betwijfel ik ten zeerste. Door wie?"

"Door mezelf." Ik liet me op de arm van zijn fauteuil neervallen en keek over zijn schouder het boek in.

"Dodelijke giffen en hoe ze toe te passen? Wie heeft je nu weer beledigd?" Hij draaide zich om en keek me met ondoordringbare ogen aan.

"Moet jij niet de held gaat uithangen en de hele wereld redden van alle onheil?" Spotte hij met de woorden die ik eerder nog had gebruikt.

"Oké, wat is het probleem?"

"Waarom zou er een probleem zijn?"

"Severus, er is altijd een probleem. Zeg op."

"Wacht even… Bedoel je dat er een probleem is buiten dat je weigert naar me te luisteren als ik je opdraag thuis te blijven, je je leven riskeert voor de eerste de beste moordenaar en je dan van me verwacht dat ik bij je ziekenbed ga wachten met een tros druiven tot je weer wakker wordt? Ik zou het écht niet weten hoor… Verdorie, Jessica, dit is geen spel! Dit is de realiteit, en als die spreuk beter was gemikt dan was je dood geweest! Je krijgt geen herkansingen in dit vervloekte leven!" Tot zover Life according to Severus dacht ik bij mezelf. Hij was recht gesprongen en torende nu hoog boven me uit. Natuurlijk kon ik het daar niet bij laten.

"Alsjeblieft, overdrijf niet zo! Ik was nooit echt in gevaar, Sirius is geen moordenaar en ik hoef geen bevelen op te volgen! En al zeker niet van een dooddoener!" Ik wist dat het de verkeerde woorden waren toen het te laat was. Zijn uitdrukking van verveling was verandert in één van woede, en voor ik besefte wat er gebeurde, was zijn toverstok tussen mijn ogen gericht.

"Jij… Weet niks over mij!" Met een laatste razende blik verliet hij de bibliotheek, mij achterlatend met een geschrokken blik en een hoop schuldgevoelens…