Hoofdstuk 8 Minerva's Mintkikkers

Minerva begroette haar op de afgesproken tijd bij de hekken van Zweinstein. Ellen was verbijsterd door de ravage die zich voor haar zich uitstrekte. Het was decennia geleden dat ze voor het laatst hier geweest was – de Diploma-uitreiking van Severus, herinnerde ze zich – maar op haar netvlies stond nog altijd het beeld van dat kolossale, magische kasteel gebrand, zoals het eruit gezien had toen ze elf jaar oud was, en vol verwachting het Meer over was gestoken.

De uitdrukking op het gezicht van het nieuwe schoolhoofd liet zien dat ze wist wat er door Ellen heenging. Ze stapte op haar af en begroette haar kort, maar warm, door Ellens uitgestoken hand tussen die van haar te vast te pakken.

'Hallo Ellen. Het is goed je weer eens te zien, ondanks de omstandigheden.'

'Goedemorgen, Minerva.' Ellen stond nog steeds om zich heen te kijken. 'Het lijkt nauwelijks te repareren allemaal.'

Minerva glimlachte triest. 'Oh, het gaat ons wel lukken. Uiteindelijk. Maar de vraag is of we op tijd klaar zullen zijn voor het nieuwe schooljaar.' Ze rechtte haar schouders en vervolgde: 'Alles op zijn tijd! Zullen we?' Ze gebaarde met haar linkerhand naar het kasteel.

Ellen merkte nu pas de wandelstok op, waarop ze leunde.

'Een verwonding?' vroeg ze recht door zee. 'Of gebruikte je die al langer?'

De beide vrouwen liepen langzaam over het pad, oppassend om niet over de brokstukken te struikelen die her en der verspreid lagen.

'Het eerste,' antwoordde Minerva. 'Poppy Plijster zou het liefst zien dat ik voorlopig rust neem, maar dat is natuurlijk onmogelijk.'

Ellen knikte begrijpend. Naast het regelen van begrafenissen en de zorg rond de gewonden en hun familie, plus de opbouw en beveiliging van Zweinstein, had Minerva nu natuurlijk ook haar extra taken en verantwoordelijkheden als nieuw schoolhoofd.

'Het moet bij tijd en wijle overweldigend zijn,' zei ze. 'Heb je nog genoeg mensen binnen de staf beschikbaar?'

Het was een eufemistische manier om te vragen of er nog meer personeel gesneuveld was. Afgezien van Severus.

'Ja, er zijn een paar vacatures open, mochten we open gaan komend jaar, maar al met al zijn we redelijk ongeschonden uit de strijd gekomen. Behalve wat betreft Clotilde en Severus natuurlijk.'

Ze naderden de trappen bij de ingang. Minerva draaide zich een slag om en zei met een oprechte klank in haar stem: 'Het spijt me, Ellen. Het spijt me dat ik niet in hem geloofde zoals Albus deed. Het had zijn dood niet voorkomen – zijn einde was tragisch – maar misschien had het zijn tijd op Zweinstein kunnen vergemakkelijken als hij bij minder mensen zijn masker op had moeten houden.'

Ellen schudde lichtjes haar hoofd. 'Niemand kon zo goed vertrouwen schenken als Perkamentus, zei Severus altijd. Zelfs ik wist tot gisteren nauwelijks iets van wat hem bewoog, ook al wist ik waar zijn loyaliteit lag. Ik deed de verhalen in DeOchtendprofeet af als laster.'

'Ah,' zei Minerva, 'dat waren inderdaad volkomen onverwachtse onthullingen die Potter deed. Severus heeft het zichzelf nooit makkelijk gemaakt, is het niet?'

Ellen knikte instemmend. De vrouwen beklommen de treden en liepen naar de deur die uitnodigend open leek te staan.. Toen ze dichterbij kwamen, zag Ellen echter dat de deur scheef in de sponningen hing en hoogstwaarschijnlijk niet sloot.

'Filius zou er vanmiddag naar kijken,' zei Minerva, die haar blik gevolgd had. 'Heb je eerst zin in een kopje thee of wil je gelijk … ?'

'Thee lijkt me heerlijk,' antwoordde Ellen gelijk. Het zien van het kasteel, zo gehavend, had haar onverwachts heftig geraakt. Ze wilde even zitten voor ze geconfronteerd werd met het lichaam van haar zoon. Bovendien was het fijn om Minerva na al die jaren weer te spreken. Ze volgde de ander door de gangen van het gewonde gebouw en de trappen op naar Minerva's nieuwe kantoor.

Ellen herinnerde zich hoe indrukwekkend ze het had gevonden toen ze als zestienjarige Klassenoudste een incident tussen twee derdejaars Ravenklauwen en een vierdejaars Zwadderaar bij het schoolhoofd had moeten rapporteren. Nu was het om een andere reden indrukwekkend. Als volwassene had ze meer oog voor het verleden waarmee de muren doortrokken waren. De magie die door de trapportalen en nissen bewoog zodat het leek alsof het oude kasteel ademde, en, momenteel, kreunde onder het gewicht van zijn vele verwondingen.

Toen ze Minerva's kantoortje binnenstapte, gingen haar ogen automatisch naar het portret achter het grote bureau. De oude tovenaar sliep. Zijn kin rustte op zijn borst en zijn lange grijs-witte baard lag over zijn borst gedrapeerd. Het halvemaanbrilletje stond een beetje scheef op zijn neus. Het was waarschijnlijk maar goed dat hij niet wakker was, want Ellen Sneep had absoluut nog een appeltje met Albus Perkamentus te schillen.

Ze ging zitten in een van de fauteuils voor het raam, waar Minerva ondertussen instructies gaf aan een huis-elf.

Even later zaten ze in een vriendschappelijke stilte van hun thee te genieten.

'Geen citroenzuurtjes, Minerva?' vroeg Ellen, die zich Severus' afschuw voor de Dreuzelsnoepjes van Perkamentus herinnerde.

'Oh Merlijn, nee!' zei Minerva hartgrondig. 'Ik houd het maar op Mintkikkers.' Ze wees naar een grote glazen kom op haar bureau, die gevuld was met kleine witte snoepjes. Al zal over dertig jaar ook iedereen daarop uitgekeken zijn.'

Ze dronken thee, haalden herinneringen op aan het Zweinstein uit hun jeugd en hun favoriete vakken en leraren.

Ellen vond dat het gemakkelijk was om met de oudere heks te praten. Normaal gesproken keek ze altijd eerst de kat uit de boom voordat ze haar schild wat liet zakken; ze was te vaak gekwetst in het verleden.

Ze had eigenlijk nauwelijks familie en zeker geen vrienden, maar ze praatte met Minerva alsof ze haar al jaren kende. In zekere zin was dat ook zo, zij het indirect. Severus had het vaak over zijn collega's op Zweinstein gehad, ook al waren zijn verhalen alles behalve complimenteus geweest. Ze glimlachte inwendig; ze had haar zoon zelden positief gehoord over een medetovenaar of – heks, dus dat was niet zo veelzeggend.

Minerva schonk haar kopje bij en uitte ondertussen haar verontwaardiging over het slechte stukje roddeljournalistiek in DeOchtendprofeet van die morgen.

'Tja, was Rita ooit anders?' vroeg Ellen. Zelf was ze alleen blij dat ze geen details over Severus' dood in de krant had hoeven te lezen.

'Je schreef dat Severus door die slang - Nagini? – ' Ze huiverde licht. 'Severus vertelde vorig jaar hoe Jeweetwel iemand liet opeten door dat monster.' Ze keek Minerva aan, zich niet bewust van de wanhoop die ze uitstraalde.

Minerva schudde geruststellend haar hoofd. Vanuit haar ooghoek zag Ellen een oude man in zijn portret aandachtig mee luisteren.

'Nee, hij heeft enkel twee wondjes aan zijn hals waar hij gebeten is. Jeweetwel had de slang constant bij zich dus misschien daarom ...' Haar stem stierf weg.

Ellen ademde opgelucht uit. Ze had zich op het ergste proberen voor te bereiden, voor zover dat mogelijk was.

'Wil je naar beneden gaan?' vroeg Minerva en stond op toen ze knikte. 'Hij ligt in zijn eigen kamer in de kerkers opgebaard,' vertelde het schoolhoofd, 'we wilden niet dat nieuwsgierige mensen zich konden vergapen als ze hem bij toeval zouden vinden.' 'Mooi,' reageerde Ellen toen ze achter Minerva de wenteltrap afging. 'Hij was niet dol op het gezelschap van vreemden.' Hoewel ze het niet opzettelijk grappig bedoeld had, gaf Minerva haar een geamuseerde blik over haar schouder.

Tot het uiterste gespannen stond ze een paar minuten later voor de deur van Severus' voormalige privévertrekken.

Minerva legde een geruststellende hand op haar arm. 'Neem je tijd,' zei ze. 'Als je klaar bent, kun je me in de Grote Zaal vinden.'

Ellen knikte en wachtte tot de andere vrouw weggelopen was, voordat ze haar hand op de koude deurklink legde en duwde.

o~0~O~0~o

Filius kwam geagiteerd de Grote Zaal binnen. 'Ik vrees dat ik het probleem met die deuren niet opgelost krijg vandaag. Niet voordat we moeten vertrekken.' Hij keek Minerva vragend aan.

Ze overdacht snel de situatie. 'Hagrid gaat niet mee, heeft hij gezegd, misschien kan hij een oogje in het zeil houden. Je weet hoe nerveus Poppy en Irma worden van het idee dat het kasteel niet afgesloten kan worden.'

Filius schudde zijn hoofd en zei: 'De gaten in de kasteelmuren zijn op sommige plaatsen beduidend groter dan die van een open kasteelpoort, en meerdere gangen missen een plafond. Maar ik zal het hem wel even vragen. Dan kan ik gelijk Pomona waarschuwen. Je weet hoe ze is als ze eenmaal met haar handen in de grond zit.' Hij liep verder mompelend de zaal uit.

Minerva zuchtte en nam een slok thee. Ze rilde toen ze ontdekte dat hij koud was, maar de huis-elfen hadden momenteel genoeg werk om ook nog eens nieuwe thee te gaan zetten voor een vergeetachtig schoolhoofd. Ze keek naar de tijd en hoopte dat Potter zoals gewoonlijk aan de late kant zou zijn. Ze verwachtte dat Ellen zo wel zou komen.

Gesommeerd door haar gedachten verscheen Ellen een minuut later in de deuropening. Minerva begreep dat ze op dit moment liever niet tussen vreemden ging zitten, dus stond ze op en liep in de richting van de hal. Ellen leek kalm en beheerst, maar ze zag dat haar ogen roodomrand waren.

'Gaat het?' vroeg ze op zachte toon om niet de aandacht op hen te vestigen van de werkmannen die aan de muren van de hal werkten.

Ellen knikte: 'Het zag er minder eng uit dan ik gevreesd had, dankzij Poppy. Bedank haar daarvoor, alsjeblieft? Maar het was moeilijk om hem zo ... zo te zien.'

Het moest vreselijk zijn voor een ouder om je kind te overleven. Minerva dacht aan Molly, Andromeda, de ouders van Kasper en van al die andere leerlingen die niet terug zouden keren naar Zweinstein. Zwijgend begeleidde ze Ellen naar buiten.

Zelf had ze het vreemd gevonden om Severus te zien liggen, nadat Poppy hem verzorgd had. Hij had zijn beste gewaad aan en zelfs zijn haren hadden geglansd in het licht van de kandelaars. Maar het meest vreemde was de uitdrukking op zijn gezicht geweest. Verdwenen was de overbekende sneer en de gesloten ogen verborgen de vaak neerbuigende blik. Hij had er jonger uit gezien dan hij was geworden. Of misschien had hij er eindelijk uit gezien als de achtendertigjarige man die hij was geweest. Zijn gelaatstrekken waren ontspannen geweest en hadden zijn gezicht verzacht. Zijn mondhoeken waren licht naar boven geplooid, alsof hij sliep en een mooie droom had. Of – maar dat was niet mogelijk – alsof hij in zijn laatste ogenblikken iets moois of dierbaars had aanschouwd.

'Hij wordt morgenochtend overgebracht,' vervolgde Minerva. 'Laat je me weten wanneer de begrafenis is? Ik begrijp dat je geen publiciteit wil, maar er zijn een aantal collega's die zouden willen komen.' Ellen knikte. 'Ik zal je tevens laten weten wanneer we zijn spullen kunnen versturen, als dat uitkomt.'

Ze wendde zich tot Ellen en in een opwelling omarmde ze haar kort met haar linkerarm. Ellen verstijfde even, maar liet toen een langgerekte zucht ontsnappen. Ze stapte achteruit, gaf Minerva een blik die moest uitdrukken wat ze blijkbaar niet kon zeggen en liep toen de trap af naar het grindpad.

In de verte zag Minerva Harry aan komen lopen. Hij passeerde Ellen halverwege het pad en hoewel hij haar groette in het voorbijgaan, liep Ellen met gebogen hoofd naar de uitgang van het terrein om daar te Verdwijnselen.

o~0~O~0~o

Juvie stond voor een raadsel. Ze staarde naar het gewaad van mevrouw Mallie – Malfies – ach, eigenlijk zei ze stiekem Narcis, want bloemen kon Juvie veel makkelijker onthouden.

Narcis had gevraagd of ze het donkerblauwe gewaad wilde strijken. Het was één van de vele taken die Juvie nog nooit had uitgevoerd en ze had verwacht dat het heel moeilijk zou zijn. Tenslotte had ze vaak genoeg huis-elfen gezien met vingers die in het verband zaten vanhetstrijken, dus ze was voorbereid.

Maar nu hing de jurk netjes op, en van een afstandje vielen die bobbeltjes helemaal niet op. En dat zwarte plekje op de achterkant had ze mooi verstopt onder een strik. Zo moeilijk was dat strijken dus niet! Ze knikte tevreden en inspecteerde haar middelvinger. Ze had maar één vinger verbrand; niet slecht voor een eerste keer. Nadat de jurk netjes opgehangen was in de grote kledingkast plakte Juvie een pleister rond haar middelvinger. Eentje met een Ukkepulk erop, dat waren haar lievelingspleisters. Daarna verdween ze naar de keuken om te kijken wat ze voor de avondmaaltijd klaar kon maken.

Tijdens het schoonmaken van de spruitjes overdacht ze hoe goed ze zich kon redden in haar eentje in dit grote huis.

Toen haar vorige meester haar en Toby, haar mentor-elf, had meegenomen naar dit grote huis, was ze eerst bang geweest. Er waren zoveel mensen en de meesten waren niet aardig voor huis-elfen. Er waren meer huis-elfen dan Juvie ooit in haar leven gezien had, maar blijkbaar had iedereen zijn huis-elf mee moeten brengen van Trix, de zus van Narcis. Ze hadden allemaal afschuwelijke verhalen verteld over de straffen die tovenaars aan huis-elfen konden geven, maar Juvie had daar nauwelijks naar geluisterd. Zelf had ze uitgekeken naar het moment dat Toby haar alles zou leren wat een jonge huis-elf moest weten, zodat ze er klaar voor zou zijn als de tijd gekomen was om haar mentor op te volgen.

Ze vermoedde dat die tijd gekomen was. Maar klaar was ze nog niet. Ze was zelfs nog niet begonnen met leren. En niet alleen zat ze zonder mentorelf, ze had ook geen Meester meer gehad. Ze herinnerde zich nog goed hoe het gebeurd was.

Er was een hoop tumult uitgebroken en er klonk een hoop geschreeuw.

'De Heer … Potter! Naar Zweinstein!'

De meeste tovenaars droegen eng uitziende maskers met een soort tralietjes erin. Juvie was zo bang geworden dat ze haar vitrage in haar handen had gepakt en naar de keuken was gevlucht. Ze bleek niet de enige; het leek alsof alle huis-elfen die hier verbleven zich in de keuken verscholen hadden. In elkaar gedoken hadden ze gewacht tot de storm overgetrokken zou zijn. Juvie was afgeleid door iets blauws dat ze in de kier tussen de kast en de muur zag. Was dat het Smekkie dat ze gisteren had laten vallen? Plichtsgetrouw en ook nieuwsgierig drukte ze haar lijfje plat tegen de muur en schoof opzij achter de kast. Ze had net op de tast iets kleins en glads gevonden met haar tenen, toen er plotseling iemand de keuken binnen kwam vallen.

De sfeer in de ruimte veranderde plotseling van angstig naar dreigend. Vanuit haar ooghoek kon ze een paar elven zien die naast haar bij de muur hadden gestaan. Zelf was ze helemaal uit het zicht achter de kast geraakt.

De andere elven verstijfden. Juvie hoorde hen in de verte zacht jammeren en bange kreetjes uiten. Een barse stem kwam uit het niets en riep: 'Avada Kedavra'. In het groene licht dat volgde, zag ze een oude elf vallen. Juvie's kreet van ontzetting werd overstemd door diezelfde stem en diezelfde woorden. Het groene licht was nu zwakker. Ze zag de reflectie in het keukenraam. Er klonk een hatelijke lach voordat het proces zich herhaalde; Avada Kedavra, het groene licht, een bons, honend gelach en dan weer opnieuw en opnieuw, steeds sneller en sneller tot het groene licht de keuken bleef verlichten en de woorden van die vreselijke vloek in elkaar leken over te vloeien.

Juvie stond met ingehouden adem achter de kast, haar nagels vormden kleine rode halvemaantjes in haar handpalmen en afwezig vroeg ze zich af waarom ze bloed proefde. Het leek een eeuwigheid te duren voor de stem van de man stopte. Ze hoorde voetstappen door de keuken gaan die af en toe gevolgd werden door het geluid alsof er tegen iets geschopt werd. Toen stierven de voetstappen weg en werd alles stil. Doodstil. Geen geschuifel, geen getik van een klok en geen ademhaling. Helemaal geen enkele ademhaling.

Juvie bleef achter de kast geklemd staan, terwijl het licht dat achter de kast reikte langzaam van heldergroen naar bijna zwart vervaagde.

o~0~O~0~o

Volgende week hoofdstuk 9: Een Onverwacht Geschenk