Hoofdstuk 10
Ik heb besloten Zane niet te confronteren over waartoe hij allemaal in staat is straks in de Arena. Ik wil het liever ook niet weten. Finnick was het niet met me eens, maar na lang discussiëren gaf hij de moed op en gingen we allebei snel slapen.
Ik sta in de glazen buis. Het gaat zo beginnen; ik ga de Arena in. Paloma staat aan de andere kant van de buis. Ze heeft me normale kleding gegeven, dus ik verwacht geen rare Arena.
Finnick gaf me vanochtend nog wat laatste tips, stap niet te vroeg van dat metalen ding af, pak snel wat je pakken kan en ga er dan vandoor, zoek water en probeer een vertrouwensband met mensen te sluiten. Aangezien mijn enige vrienden de mini's zijn hoop ik dat ze het bloedbad overleven.
De buis gaat omhoog en Paloma knikt nog even naar me. Zodra ik boven de grond kom moet ik wennen aan het licht. Ik knipper een paar keer met mijn ogen en kijk om me heen. Great, ik sta in het midden tussen de beroeps in, Zane staat helemaal links en de mini's rechts. Ik hoor Claudius Templesmith die omroept: "Dames en heren. Laat de zeventigste Hongerspelen beginnen!" Wat een afleiding is dit ook, als je niet wist van de zestig seconden zou je nu meteen van je metalen ding afspringen. Ik moet zeggen, ik ben teleurgesteld dat niemand het doet.
Recht voor ons is de Hoorn des Overvloeds. Ik zie rugzakken, eten, wapens. De omgeving bestaat uit oude vervallen gebouwen. Heel verderop zie ik bos, ik denk een kilometen of tien. Ik zie nergens zee, misschien is het er wel, misschien ook niet. Ik kijk achter me, het loopt berg afwaarts net als in ons dorp richting zee. Die kant wil ik op.
Nog dertig seconden. Wat ga ik doen? Ga ik de hoorn inrennen? Maar ik heb allemaal beroeps om me heen? Misschien ben ik sneller? Al die keren dat ik te laat was en moest rennen naar de haven... misschien ben ik wel snel? Waarom heb ik niet beter op ze gelet tijdens die stomme training?
Twintig seconden..
Ik moet wel, het is mijn enige kans! Straks vindt ik Zane of de mini's helemaal niet. Ik moet op z'n minst een rugzak pakken!
Tien seconden.
Ik ga in de starthouding staan op mijn metalen cirkel en focus me op de hoorn. Nog vijf, vier, drie, twee...
Ik hoor een klap links, ik kijk vluchtig en zie dat iemand te vroeg van zijn cirkel is afgesprongen. Iedereen is afgeleid. Ik neem aan dat die laatste seconde voorbij en maak gebruik van dit moment, stof en rook verspreid zich dus ik kan ongezien beginnen te rennen. Ik ren en ren. Om me heen hoor ik geschreeuw en verwarring. Maar ik moet door rennen. Na een paar seconden ben ik in de hoorn, ik grijp een rugzak een zak met messen en brood en ga er vandoor.
Het is begonnen, om me heen hoor ik kreten van pijn. Ik moet hier weg! Ik ren een kant op en zie dat de rook langzaam verdwijnt. Ik draai me even om, waar is Zane? Waar is Zane? Ik kijk en zie dat de beroeps hard bezig zijn, district 12 is zoals verwacht meteen gesneuveld, verder zie ik niet zoveel. Ik hoor mensen rennen rechts van me en pak snel een mes. Ik zie dat het Rosie en Selwyn zijn.
"Rosie!" schreeuw ik. Ze kijkt op.
"Deze kant!" schreeuw ik en ik wijst naar een verlaten straat die richting het bos gaat. De zee komt later wel.
Selwyin en Rosie knikken en we rennen met z'n drieën hebben allebei een rugzak maar geen wapens. Ik ren de longen uit mijn lijf. Selwyn en Rosie houden me met moeite bij.
Ik kijk achterom en zie Coyote en Theodone achter ons aan rennen.
"Kom op! Ze zitten vlak achter ons!" roep ik. Rosie en Selwyn kijken achterom. De angst is van hun gezichten af te lezen.
We moeten iets doen, Coyote en Theodone zijn veel sneller dan ons en halen ons binnen de kortste keren in. Ik begin na te denken en probeer de omgeving in me op te nemen. Gebouw na gebouw... het enige waar ik op kom is ons verstoppen.
"Daarheen!" roep ik. Ik wijs naar een zijstraat en neem de leiding. Ik ren de straat in en ren naar een groot flatgebouw, ik kijk achterom en zie Selwyn de bocht om komen rennen. Mooi, denk ik. Dan ziet hij waar ik naar binnen gaat en Rosie ziet waar hij naar binnen rent. Ik open de deur en ren naar binnen. Trap na trap ren ik naar boven en zie dat Selwyn vlak achter me zit. Na een paar verdiepingen wacht ik op Selwyn.
"Waar is Rosie?" vraag ik als hij bij me is.
"Ze struikelde," zegt Selwyn, "en ze zei dat ik door moest rennen. Maar nu weet ik niet... Ik denk dat ze..." Selwyn's onderlip begint te trillen.
"Ssst. Oké, we moeten nu stil zijn en ons verstoppen want ik denk dat Coyote en Theodone ons volgen. Oké?" zeg ik.
Selwyn knikt en ik open zachtjes de deur van de vijfde verdieping. Ik hoor Coyote en Theodone beneden de flat binnenkomen.
"We vinden je wel," kirt Coyote.
Selwyn en ik lopen zachtjes door de deur heen en ik probeer de deur zo zachtjes mogelijk dicht te doen. De kamer is zo goed als leeg, er staan twee banken, een oude tv, wat kleine voorraadkastjes en achterin staat grote kledingkast, half verscholen achter een gordijn. Ik wijs naar de kledingkast, Selwyn knikt en we verstoppen ons erin. Als het moet blijf ik hier de rest van de dag in zitten.
Zodra ik de deur dichtdoe van de kast zie ik dat er een klein gaatje zit waardoor de deur goed in de gaten kan houden. Ik kan de kast van binnen op een haakje doen, maar sterk is het niet.
Ik hoor Coyote en Theodone die elke afdeling grondig doorzoeken.
"Rubie?" fluistert Selwyn.
"Ja?"
"Sorry als je nu door mij dood gaat," zegt hij met een pruil lipje.
"Ah, doe niet zo gek," fluister ik.
Ik gebaar dat we weer stil moeten zijn. Ik hoor de stemmen zich vermenigvuldigen. Ik denk dat Poppie en Lyndon zich bij het gezelschap hebben gevoegd. Mijn hart bonkt in mijn keel.
"Hier dan?" roept Poppie
De deur naar onze kamer gaat open. Ik doe mijn best om niet te huilen. Mijn einde is in zicht. Dit was het. Ik kijk naar Selwyn. De tranen stromen over zijn wangen. Ik heb me nog nooit zo schuldig gevoelt, door mij zit hij hier in de kast. Hij is nog maar twaalf jaar.
Poppie en Theodone komen binnen. Theodone loopt op de kleine voorraadkastjes af, opzoek naar eten. Poppie loopt langzaam op onze kast af. Ik voel mijn hart zo hard bonken dat ik bang ben dat Poppie het hoort. Ze komt steeds dichterbij en staart intens naar de kast. Kan ze me zien door dit kleine gaatje? Alsjeblieft niet! Haar hand bevindt zich nu op de knop en trekt zachtjes aan de deur. Het haakje houdt de deur dicht. Ze kijkt verward naar de kast.
"Hey Poppie! Ik zie die kleuters van district drie!" roept Coyote.
"Wat doen we met die andere twee?" roept Poppie terug.
"Die pakken we later wel," roept Lyndon.
Ja, ga maar gauw! Denk ik.
Poppie geeft de kast nog één laatste blik en verlaat de kamer met Theodone. Ik hoor ze allemaal de trap aflopen.
Selwyn wil de deur opendoen maar ik grijp zijn hand en schud nee. Ik blijf hier op z'n minst nog een half uur zitten.
Na een paar minuten beginnen de kanonschoten, één, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven, acht, negen... daarna is het stil. Negen... Dat is best weinig. Na een paar minuten kan ik weer helder nadenken en begin me af te vragen wie het zijn. Ik heb Zane niet meer gezien sinds één van die mijnen afging. Hij zal toch niet... Nee, hij is slim en sterk genoeg. Ik ga mezelf niet gek maken nu, vanavond weet ik het.
Het komende half uur gaat tergend langzaam voorbij, maar ik wacht liever nu een half uur dan dat ik pijnlijk word vermoord.
Ik schrik even later wakker van een kanonschot, ik sta nog steeds in de kast en Selwyn leunt tegen me aan. Hij slaapt.
Ik kijk door het gat in de kast en zie niemand. Ik luister nog even goed of ik niemand in het gebouw hoor en uiteindelijk schud ik Selwyn zachtjes wakker.
"Waar ben ik?" vraagt Selwyn in paniek.
"In een kast in de Arena," antwoord ik.
Ik haal de deur van het haakje af, dit haakje heeft mijn leven gered, en stap uit kast. Het schemert buiten en ik vraag me af hoe lang we hebben geslapen. Ik ga op één van de banken zitten en pak mijn rugzak erbij.
"Laten we even kijken wat we hebben," zeg ik tegen Selwyn. Hij knikt en opent zijn rugzak.
"Een waterfles... leeg," zucht ik.
"Ik heb ook een lege waterfles, een zakmes, slaapzak, lucifers en twee appels," zegt Selwyn.
"Kijk in je voorvak," zegt ik.
"Oh en jodiumdruppels," zegt Selwyn met een blij gezicht.
"Jodiumwattes?" vraag ik.
"Die zuiveren het water," legt Selwyn uit.
"Oké..." misschien had ik toch wat beter op moeten letten bij overlevingstechnieken... "Ik heb mijn messen, zak met brood, plastic zijl, touw en vuurstenen," zeg ik met een lach.
"En nu?" vraagt Selwyn.
"Ja... nu wachten we? Ik wil eerst weten wie er nog allemaal zijn," antwoord ik.
"Misschien kunnen we even kijken wat er nog meer in het gebouw is?" vraagt Selwyn.
Ik knik en stop alle spullen weer terug in mijn rugzak. Daarna verlaten we de kamer. We luisteren eerst een paar minuten om er zeker van te zijn dat iedereen weg is. We gaan een verdieping naar beneden en openen één van de deuren.
We komen in een lange gang terecht met veel ramen.
"Nu moeten we voorzichtig zijn, als iemand ons ziet door de ramen dan is het gebeurd met ons. Ik denk niet dat we nog een keer zoveel geluk hebben," zeg ik.
Selwyn knikt en begint te kruipen. Daar had ik nog niet eens aan gedacht. Ik volg zijn voorbeeld en we kruipen naar de andere kant. We gaan bij nummer 204 naar binnen en sluiten snel de deur.
"Help eens," zeg ik tegen Selwyn.
Er staat een kast in de gang van dit huis en ik wil hem voor de deur schuiven. We maken veel lawaai, dus ik hoop dat niemand in de buurt is. We inspecteren het huis en vinden wat nootjes, en een flesje water. Verder staan er twee banken en een lamp.
"Ik kijk wel even wat er boven is," zeg ik tegen Selwyn.
"Oké," zegt hij en hij gaat op de bank zitten.
Boven zie ik dat het dak mist en er ligt een oude vieze deken. Die ga ik niet gebruiken. Ik hoor beneden wat gerommel en hoop dat het Selwyn is. Ik ga voorzichtig om de hoek van een muurtje staan zodat ik over de Arena heen uit kan kijken. Het word al aardig donker, we moeten zo maar omstebeurt gaan slapen.
Het volkslied begint, dat betekend dat we zo te zien krijgen wie er allemaal gestorven zijn. Ik zie het embleen van het Capitool hoog in de lucht. Daar komen zo de foto's. Het volklied eindigt en het embleen verdwijnt. Daarna komen de foto's in de lucht. De jongen uit District 3, dat laatste kanonschot was dus helaas geen beroeps... Nu de foto van Rosie, wat aan de ene kant een grote opluchting is want dat betekend dat Zane nog leeft. Maar ik voel toch een traan opkomen. Het meisje uit District 6, de jongen uit District 8, beide uit 9, de jongen uit 10, het meisje uit 11 en beide uit 12.
De lucht word weer donker en ik loop naar beneden.
"SELWYN? WAT DOE JE?" roep ik. Ik sprint van de trap af en ren naar hem toe.
"Ik heb de lamp aangekregen, het was niet zo heel moeilijk. In district 5 moeten we vaak lampen repareren..." legt hij uit.
Ik trek de stekker uit het stopcontact en gooi de lamp in de hoek.
"Heb je enig idee wat je gedaan hebt?" roep ik.
"Ik.. uh...," zegt Selwyn.
"Wat nou als iemand dit heeft gezien? Nou?" Ik merk dat ik schreeuw maar ik had niet verwacht hij zoiets doms zou doen.
"Sorry Rubie, ik dacht niet na, ik..."
"Nee dat dacht je zeker niet!" bijt ik hem toe, "inpakken je spullen, we moeten gaan."
Selwyn pakt langzaam zijn rugzak in en loopt sjokkend achter me aan. We duwen de kast weg voor de deur en rennen snel de lange gang door. Ik ga er niet vanuit dat iemand ons kan zien, het is erg donker. De rest van de weg negeer ik Selwyn, hij zal het vast niet zo bedoeld hebben maar dit soort fouten kunnen we niet maken. Niet in de Arena.
"Rubie?" vraagt Selwyn.
"Niet nu," zeg ik terwijl ik om de hoek van een gebouw kijk om te kijken of de kust veilig is.
"Het spijt me."
"Denk de volgende keer gewoon even na voordat je iets doet, oké?" zeg ik chagrijnig.
"Sorry, ik zal voortaan nadenken," zegt Selwyn.
"Mooi. Nu moeten we stil zijn. Dit is de hoofdweg langs de hoorn," zeg ik terwijl ik naar de weg wijs, "daar wil ik niet heen. Ik weet niet wie daar is of dat er iets gebeurd is maar ik vind het voor nu te gevaarlijk. Ik wil naar de zee, aan de andere kant van de hoorn."
"Is er zee dan?" vraagt Selwyn.
"Ik weet het niet, ik denk het," zeg ik met een fronsend gezicht, "maar goed, blijf goed achter me en zeg niks behalve als je iets verdachts ziet, oké?"
Selwyn knikt.
Ik haal diep adem en ren de hoofdweg op, laat er alsjeblieft niemand in de buurt zijn.
