Dag en Nacht

Severus nam aan dat het een soort routine was, zij het een routine van waanzin.

Een week was gepasseerd sinds juffrouw Griffels eerste aanval van hallucinaties. Hij herinnerde zich vaag dat het hem verontrustte dat ze hem voor Malfidus aanzag, dat de hoeveelheid angst en paniek die ze getoond had hem bang hadden gemaakt.

Maar dat was niets vergeleken met waar ze de laatste zes dagen doorheen was gegaan.

Nadat ze die dag in slaap was gevallen, had hij zich in een stoel aan haar bedzijde geschaard. Hij had geprobeerd te lezen, maar was daar hopeloos in gefaald. Severus was altijd trots geweest op zijn vermogen om zich af te sluiten van alles en iedereen om hem heen. Om iets te geven, om je zorgen te maken, om de dingen die er echt toe deden te vergeten over iets kleins, waren fouten die je slechts eenmaal kon maken. De Dooddoeners zouden erop toezien dat je geen tijd had voor een tweede poging.

Jarenlang was hij een man zonder veel zwakheden geweest. Hij had zichzelf streng gescheiden van zijn omgeving, had geen vriendschappen of passies laten opbouwen. Maar de laatste maanden hadden hem zwak gemaakt, realiseerde hij terwijl hij vanuit zijn stoel naar haar naakte, onbeschermde gezicht staarde.

Toen zuchtte hij en verplaatste zich naar de haard. Een gefluisterd woord, en vlammen dansten vrolijk in het rond. Hij had niet de moeite genomen om zijn toverstok te gebruiken. Dat deed hij haast nooit in zijn eigen kamers.

Uit een van zijn verborgen zakken haalde hij een handvol Brandstof, en gooide het in het vuur. "Kantoor van het Schoolhoofd" sprak hij duidelijk en stak zijn hoofd door de vlammen. In tegenstelling tot wat hij juffrouw Griffel had verteld, waren zijn haarden wel degelijk verbonden met het Haardrooster, maar ze waren aan hem versleuteld en werkten slechts een kant uit. Niemand, behalve hij, kon succesvol verbinding verkrijgen, en niemand kon op deze manier zijn kamers binnenkomen. Deze verbinding was uiterst illegaal, verborgen door een aantal "magische turbulenties" in de muren van Zweinstein, jaren geleden ontworpen door Albus toen de Heer van het Duister terugkeerde.

"Albus" riep hij. Hij voelde hoe de vlammen zijn huid kietelden. "Een moment, alsjeblieft."

Het gezicht van de oude tovenaar verscheen voor de haard, zijn ogen verontrust en vermoeid.

"Ja, beste jongen" antwoordde hij rustig. "Ik ben er. Hoe is het met juffrouw Griffel?"

"Het is begonnen. Ze hallucineert. Albus, je moet mijn lessen van volgende week annuleren – ze kan niet alleen gelaten worden."

"Natuurlijk, Severus." Er veranderde iets in het gezicht van de oude tovenaar, zorgen verdiepten de lijnen en rimpels.

"Je hoeft dit niet alleen te doen, dat weet je toch?" vroeg hij. "Minerva en ik kunnen je helpen als je wat… vrije tijd nodig hebt."

"Nee, Albus" gromde Sneep zowat door de haard. "Ze is mijn verantwoordelijkheid. Je zei het zelf. Ik red het wel."

"Maar, Severus, je weet dat…"

"Ik moet gaan, Albus" kapte Severus hem af. "Ze kan wakker worden. Ik neem morgen opnieuw contact met je op."

Toen hij zijn hoofd terugtrok, merkte Severus dat juffrouw Griffel begon te bewegen en kronkelen in haar bed. Hij haastte zich terug naar zijn plaats aan haar zijde, en, alsof zijn aanwezigheid haar gekalmeerd had, lag ze plotseling weer stil.

"Juffrouw Griffel" fluisterde hij. Zijn zijdeachtige stem liefkoosde de stilte. "U drijft me over de rand."

Hoe graag hij van haar af zou willen zijn! Haar dokter spelen weerhield hem niet alleen van het lesgeven, maar ook van onderzoeken met Remus, van zijn eigen projecten en van zijn plichten als Afdelingshoofd van Zwadderich. Geen wandelingen in de herfstzon, geen maaltijden in de Grote Zaal, geen afspraken met Minerva.

Maar haar uit zijn vizier verliezen hield een risico in. In haar huidige staat, kon juffrouw Griffel niet haar gewoonlijke controle en discipline volhouden, en hij kon Albus niet laten weten wat hij, Severus, wist. Hoewel hij er niet zeker meer van was wat hij over haar wist. Hij wist niets meer zeker.

En ze zou het verschrikkelijk vinden om in zo'n staat gezien te worden, fluisterde een stemmetje in zijn hoofd. Hij haalde geïrriteerd zijn neus op en verbande die gedachte naar de verste hoek van zijn geest.

Het duurde nog uren voor ze weer wakker werd, uren vol nachtmerries en gefluisterde smeekbeden, van rusteloze bewegingen en stille snikken. Toen ze haar ogen weer openden, bevatten ze een nieuwe uitdrukking, een ongezonde helderheid.

"Ik heb bedacht, professor" kondigde ze langzaam aan. Hebzucht en nervositeit weerklonken in haar stem. "Het is beter voor ons beiden als we er nu mee stoppen. U kunt me de toverdrank geven! Ik beloof dat ik Perkamentus niets zal vertellen. We kunnen gewoon net doen alsof ik nog aan het afkicken ben, ik kan in mijn kamer blijven en zal u niet storen!"

Severus had hierop gewacht, maar moest zichzelf nog steeds harden tegen wat er nu zeker zou volgen.

"Nee, juffrouw Griffel" antwoordde hij koeltjes. "Dat behoort niet tot de mogelijkheden."

"Maar het maakt voor u toch niets uit, professor!" argumenteerde ze verhit. "U zou uw verantwoordelijkheid verliezen. Denk er eens over na! Het maakt voor u niet uit of ik leef of sterf. Ik heb u verraden! U moet me daarom wel haten, dus waarom zou u zich met mij belasten? Geef me de toverdrank! Het is de beste manier!"

"Nee. En ik zal deze nonsens niet langer aanhoren. Het is de verslaving die praat, niet u."

Ze ging rechtop in bed zitten en beantwoordde zijn ijzige blik met haar vastberaden bruine ogen.

"U zult mij de toverdrank geven!"

"Mijn laatste woord, juffrouw Griffel. Nee."

Met een gil die meer op die van een kat leek, lanceerde ze zich op hem. Hun gedeelde gewicht maakte dat de stoel achterover tuimelde, en Severus had de meest onplezierige ervaring dat hij hulpeloos op zijn rug lag, zijn benen wezen de lucht in, met een krabbende en bijtende Hermelien Griffel op zijn schoot.

"Ik vermoord je!" gilde ze. "Geef me die drank! Geef het me!"

Met een boze grauw greep hij haar beide polsen, en bracht ze naar zijn linkerhand. De ruwe behandeling zou blauwe plekken veroorzaken, maar dat maakte hem op dit moment niet uit. Met een niet bepaald gracieuze manoeuvre, kreeg hij het voor elkaar om weer te gaan staan en sleepte het vechtende en schreeuwende meisje op haar rug.

"Ik vind het heel vervelend om dit te doen, juffrouw Griffel" legde hij uit terwijl hij met zijn rechterhand zijn toverstok trok. "Maar u laat me geen keus. Dit is voor uw eigen veiligheid."

Snel sprak hij de Verstijvingsvloek uit, zodat ze geen arm of been meer kon bewegen. Alleen haar ogen dartten wild van zijn gezicht naar zijn toverstokhand, paniek verving woede. Nog een zwiep van zijn stok deed vier leren boeien verschijnen die aan het bed vastzaten, vlakbij haar handen en voeten. Voorzichtig bond hij haar aan het bed, terwijl hij de horror in haar gezicht zag toenemen.

"Nee" hoorde hij haar kreunen. "Alsjeblieft, doe dit niet! Ik kan niet…"

"U hebt me zelf gewaarschuwd, juffrouw Griffel" legde hij vermoeid uit. "Ik kan het risico niet nemen dat u zichzelf pijn doet."

"Alsjeblieft! Ik beloof dat ik lief zal zijn! Ik zal me niet verzetten… U kunt met me doen wat u maar wilt, professor" smeekte ze. "Wat u maar wilt! Maak me gewoon los en geef me die toverdrank!"

"Ik ga hier niet met u over discussiëren, juffrouw Griffel. Stribbel niet tegen, dan doen de boeien u niets. Maar ze zullen niet verwijderd worden tot u weer uzelf bent."

"Neeee!" Met het beetje kracht wat ze nog bezat, trok het meisje aan de boeien, haar lichaamsgewicht gebruikend om er tegen te vechten, maar het had geen zin.

Langzaam was Severus weer terug naar zijn stoel gegaan, zette hem bij het bed en ging weer zitten.

Hij verliet hem nauwelijks de laatste vijf dagen, terwijl hij toezag op haar strijd tegen de toverdrank, de boeien en haar eigen waanzin. Het had niet lang geduurd voor de hallucinaties terugkwamen. En wanneer zij verschenen, verdween daarmee enig gevoel voor de echte wereld.

Soms geloofde ze dat ze zijn gevangene was, soms nam ze hem voor een Dooddoener en probeerde mee te spelen, soms dacht ze dat ze haar geheim ontdekt hadden. Ze smeekte hem om medelijden, om redding, om de dood. Op een bepaalde manier leken de drie dingen hetzelfde voor haar.

Het was goed dat geen geluid zijn kamers kon verlaten, bedacht hij nu, terwijl hij langzaam van zijn middagthee nipte. De hele tijd onderzocht hij haar bleke, zwetende gezicht. Anders was hij nu zeker al gearresteerd voor marteling en moord. Ze had gegild en gegild, totdat haar stem niets meer was dan een schorre fluistering. Toch bleef ze doorgillen, haar schreeuwen om hulp niets dan een stomme, verwrongen mond met wijdopen, bloedende lippen.

Hij kon haar niets geven tegen de pijn. Niet tegen de fysieke pijn die haar lichaam deed schokken en stuiptrekken als een kapotte machine, en niet tegen de mentale pijn, die verschrikkelijke beelden die haar tot waanzin dreven. Geen drank die gemaakt was van kruiden en niet-magische ingrediënten was sterk genoeg om haar symptomen te verlichten, en de magische toverdranken zouden haar eerder doden dan de afkickverschijnselen.

Hij kon haar niet helpen. Hij kon haar niet ondersteunen in haar gevecht tegen de resten van de toverdrank in haar bloed. Maar hij kon zichzelf er ook niet toe brengen haar alleen te laten. Sinds hij haar aan het bed gebonden had, was ze volledig afhankelijk van hem. Hij kon haar niet alleen laten.

Dus zat hij uren aan haar bed, hij keek naar haar, hij veegde het zweet van haar voorhoofd, hij bracht genezende zalven aan op haar bebloede, pijnlijke polsen die kronkelden in de leren boeien. En de hele tijd broedde hij op het mysterie dat Hermelien Griffel heette, terwijl hij hoopte dat ze zou overleven wat hem een levende hel leek.

Soms verliet de waanzin haar een tijdje. Hij keek dan op van het boek dat hij las, en daar waren haar ogen, hem aanstarend, terwijl haar mond woorden probeerde te vormen. Hij zei haar welke dag het was en hoeveel tijd er verstreken was. En altijd, vroeg ze hem met een klein, bang stemmetje of ze "iets gezegd" had. Ze vroeg nergens anders om.

Ze leek niets anders te vrezen dan haar controle te verliezen, geheimen te vertellen waar hij niets over mocht weten. Dus loog hij tegen haar. Vertelde haar niet dat ze gilde om hulp, dat haar dromen hem meer vertelden over haar lijden dan haar wakkere geest ooit zou doen.

Dat ze hem, eens te meer, compleet versteld deed staan. Hij wist niet meer wat hij van haar moest maken, hoe hij haar gedrag moest verklaren. De twijfel die hem een week geleden gegrepen had, was gegroeid. Er was iets mis met de beelden die hij in haar geest gezien had. Ze klopten niet. Niet met de dingen die haar hallucinaties en nachtmerries onthuld hadden.

En, als hij zichzelf toestond eerlijk genoeg te zijn om deze gedachte uit te spreken, klopten ze ook niet met de Hermelien Griffel die hij had leren kennen en respecteren door de jaren heen. Ja, ze was een leerling, een Griffoendor en vriendin van een paar van de meest onverdraagzame idioten die hij ooit het ongenoegen had les te moeten geven, maar haar geest was helder en scherp, haar moed had hem meer dan eens verbaasd, en ze had altijd een achting en tederheid jegens andere mensen vertoond die zeldzaam was onder vrouwen zo jong als zij.

Rechtvaardigheid en eerlijkheid waren altijd haar twee belangrijkste drijfveren geweest. Natuurlijk had hij gespot met haar belachelijke kleine SHIT, samen met de rest van de Zwadderaars, maar op een spitsvondige, vreemde manier had haar campagne een punt gehad.

Ze was er niet een om snel op te geven, of het nu om mensen of wat abstractere doelen ging. Ze had, bijvoorbeeld, nooit met zoveel haat en walging op hem gereageerd als haar vrienden zo volmondig deden. Hij had haar meer dan eens het leven zuur gemaakt, en nog steeds toonde ze hem dezelfde beleefde achting als Professor Banning, een van de meest geliefde leraren van de school.

Maar dat bewees natuurlijk niets. Marten Vilijn zelf was niet ongelijk aan Hermelien Griffel geweest tijdens zijn schooljaren: haalde altijd uitmuntende cijfers, gehoorzaamde de schoolregels altijd minutieus, werkte en leerde gepassioneerd. Hij toonde respect, zelfs bewondering voor de Professors waar hij stiekem een hekel aan had. Niemand had slechts één gezicht. Niemand kon door anderen compleet doorgrond worden. De meeste mensen kenden zichzelf niet eens!

Er was een duisternis in de ziel, een sluimerend kwaad dat zich in schaduwen hulde en nooit van buiten waarneembaar was. Een diepe verrukking in het misleiden van iedereen om je heen, een gevoel van superioriteit en macht die kwamen met deceptie en verraad en sterker kon zijn dan elk gevoel van loyaliteit of vriendschap. Severus wist dit goed genoeg. Hij had de zoetheid van die gevoelens geproefd. En misschien, had juffrouw Griffel ook geproefd, en besloten de kop tot de laatste druppel te legen.

En hij had Dooddoeners zien kronkelen in dezelfde angsten die juffrouw Griffel nu bevingen. Gewonde of stervende mannen en vrouwen die monsters waren geweest, meedogenloos, wreed en uit op bloed. Hij had diezelfde Dooddoeners plotseling zien huilen als kinderen, ze hadden spijt van alles wat ze gedaan hadden en vreesden de wraak van hun slachtoffers. Hij had Lucius Malfidus zo gezien, eenmaal, na een wel heel bloederige avond die van hen allen zijn tol geëist had. Lucius had zich toen niet als een monster gedragen. Slechts als een vermoeide man die teveel gezien had en waar de horror ervan hem achtervolgde.

Hij was er zeker van dat hij de gevoelens die met die beelden kwamen niet verkeerd geïnterpreteerd had. Daar waren ze veel te duidelijk, te ondubbelzinnig voor geweest. Ze had waarlijk getriomfeerd, had diepe en oprechte haat voor haar 'vrienden' op school gevoeld. Haar lust en plezier in de pijn was veel echter en intenser geweest dan alles wat hijzelf in jaren gevoeld had. Haar opwinding was diep en wild geweest.

Als dat niet haar ware gevoelens waren, was er maar een uitleg voor wat er gebeurd was – ze had ze daar opzettelijk geplaatst. Maar om beelden van zulk een scherpte, gevoelens van zo'n realistische kwaliteit te creëren, moest ze wel een Meester Occlumens zijn.

En er was geen enkele manier waarop ze dat geleerd zou kunnen hebben. Niemand had haar onderwezen, daar was hij zeker van. Slechts twee personen op Zweinstein waren zo goed in Legilimentie en Occlumentie dat ze het andere mensen konden aanleren – hijzelf en Albus Perkamentus. Albus zou het hem verteld hebben, hij wist goed genoeg hoe belangrijk het was om de Occlumensen in de Tovenaarswereld in de gaten te houden. En hijzelf had haar zeker niets geleerd. Dat had hij wel onthouden.

Dat bracht hem terug naar de vraag die hij al dagen overpeinsde – zou hij zijn Legilimentie-vaardigheid vertrouwen, of de waarheid die in haar waanzin verborgen zou kunnen liggen?

--

De dag ging voorbij in wachten en zuchten. Zijn vragende ogen verlieten haar alleen als hij naar de badkamer of iets eten moest. Hij had niet in de gaten dat de avond viel. Hij was zo verloren in zijn gedachten dat het plotselinge geluid van juffrouw Griffels stem hem wild deed opschrikken.

"Het is zo donker" fluisterde ze, verdwaald en bang als een klein kind.

"Laat me de kaarsen aansteken" antwoordde hij vlug en stond op uit zijn stoel.

"Professor!" Haar ogen schoten wijd open en verontrusting weerklonk in haar stem. "Hebben ze u ook gevangen? Ik hoopte dat ik de enige was…"

"Niemand heeft ons gevangen, juffrouw Griffel" probeerde hij haar te overtuigen. Maar hij wist dat het geen zin had. Ze waren hier zo vaak overheen geweest dat hij de routine inmiddels kende. "U bent in mijn kamers, veilig en wel."

"Dat is wat ze je willen laten geloven" antwoordde ze bitter. "En op het moment dat je je veilig voelt, pakken ze je. Het is altijd al zo geweest – een moment van onvoorzichtigheid, en alles is verloren."

Onwillig was hij het met haar eens. Wees waakzaam, spotte de stem van Dwaaloog Dolleman.

"Ze krijgen u hier niet te pakken, juffrouw Griffel. Dat beloof ik."

"Hebben ze het met u ook gedaan?" vroeg ze plotseling. Haar ogen waren in een waanzinnige blik op zijn gezicht gevestigd. "Hebben ze u in de Donkere Kamer gebracht?"

"Ik… weet niet wat u bedoelt" antwoordde hij koud. "U moet nu rusten, juffrouw Griffel. U moet op krachten blijven."

"Ze doen vreselijke dingen met je in de Donkere Kamer" fluisterde ze terwijl haar ogen zwaar werden. Ze vocht om ze open te houden, maar haar woorden werden steeds minder verstaanbaar van de vermoeidheid. "En je weet nooit wanneer de klap valt. Dat is het ergst…"

Ze dommelde weer weg voordat ze haar zin kon afmaken. Maar Severus hield haar bijna een half uur scherp in de gaten voordat hij eindelijk de kaarsen aanstak, alsof hij verwachtte dat ze meer zou zeggen. Toen zuchtte hij uitgeput en pakte zijn boek weer op.

Hij las urenlang door. Zijn ogen werden moe en zijn rug deed pijn van de oncomfortabele houding in de stoel, maar hij ging toch niet naar bed en transfigureerde zijn stoel ook niet in iets comfortabelers. Hij had de laatste dagen erg weinig geslapen. Ja, hij moest voor het meisje zorgen, voorbereid zijn op haar aanvallen of nachtmerries.

Maar als hij eerlijk was tegen zichzelf, moest hij toegeven dat hij niet alleen daarom het slapen uitstelde.

Want zijn eigen dromen waren de laatste tijd minder dan plezierig geweest. Haar hallucinaties, haar nachtmerries en gefluisterde angsten brachten zijn eigen herinneringen terug, herinneringen die hij had weggestopt in de diepe grotten van zijn geest. Nu kwamen ze tevoorschijn uit de schaduwen als monsters, die het deel van zijn bewustzijn dat hij als zijn 'veilige zone' beschouwde probeerden te infiltreren.

Hebben ze u in de Donkere Kamer gebracht? Haar echo weerklonk in zijn geest. Hij wist waar ze over praatte. Hij herinnerde het zich maar al te goed.

Het was een uitvinding van Lucius geweest, deze 'Donkere Kamer', ontworpen om vijanden of Dooddoeners met teveel van een eigen mening tot overgave te dwingen. Een cel, compleet afgesloten van enige lichtbron, alleen koude, naakte steen. Geen geluid. De slachtoffers werden er geblinddoekt ingebracht, zodat ze geen verschil konden opmerken als de doek voor hun ogen verwijderd werd. Sommigen dachten dat ze blind waren geworden, maar anderen begrepen waarvoor de kamer bedoeld was.

Slim als Hermelien Griffel was, was hij er zeker van dat zij het nut ervan onmiddellijk ingezien had. De genade der illusies gingen niet samen met intelligentie.

Er waren openingen in de stenen muren, zo hoog boven de gevangenen dat ze er niet bij konden, openingen waaruit de Dooddoeners de gevangen konden bekijken, hun toestand in de gaten konden houden zonder dat de trillende slachtoffers het wisten. Isolatie en duisternis konden dagenlang doorgaan voordat de eerste klap viel. Gevangenen hadden de gewoonte alle besef van tijd te verliezen in de Donkere Kamer.

En dan, als de gevangenen zich hadden overgegeven aan de duisternis, zouden ze beginnen. Iemand, daarboven verborgen in de opening, zou een vloek uitspreken die schijnbaar uit het niets zou komen. Er was geen manier om je voor te bereiden op de pijn, geen manier waarop je het effect kon verzachten.

Terwijl Severus' ogen in slaap vielen en zijn hoofd opzij viel, herinnerde hij hoe hij daar stond, in het donker, neerkijkend op de knielende gevangene op de vloer. Een spreuk had zijn zicht verscherpt, en dus kon hij hem zien, hoewel de duisternis zo zwaar was als een zwartfluwelen deken. Hij zag de smekende handen geheven in een bede om medelijden, zag hoe de angst zijn gezicht verwrong tot iets nauwelijks menselijks.

Maar toen, in een moment van shock en verwarring, realiseerde Severus zich dat de gevangene daar beneden in de Donkere Kamer deze keer geen man was. Omringd door vuile, verwarde lokken, keken de ogen van Hermelien Griffel op naar hem, zijn ziel doorborend. Ze wist dat hij daarboven was.

Hij zag haar trillen onder de pijn van de beheksingen en vloeken die vanuit andere openingen naar haar geslingerd werden. Maar ze wendde haar ogen niet af, haar blik bleef op zijn gezicht gevestigd. Ze zag hem. En ze wist dat het allemaal zijn schuld was.

Hij gromde, zijn tanden ontbloot in een grimas van haat, en richtte zijn toverstok op haar. De pijn raakte haar in haar zij en met een kreun viel ze om. Haar handen waren samengebonden zodat ze de val niet kon vermijden en haar gezicht landde op de koude stenen met een hoorbare krak. Hij zag hoe bloed haar bleke huid verdonkeren, zag het krampachtige stuiptrekken van haar lichaam onder de Cruciatusvloek. En hij lachte, lachte maar door en door, het schorre geblaf verdronk in het geluid van haar gepijnigde gillen…

Met een gesmoorde kreet kwam hij bij en hijgde naar adem. Het was een droom. Alleen een droom. Zijn schokkerige adem klonk luid in zijn eigen oren. Grijs licht vulde de kamer. De ochtend gloorde op Zweinstein en hij had alleen maar gedroomd. Hij was niet in de Donkere Kamer, hij was veilig…

Severus' blik viel op de voeten van juffrouw Griffel, secuur omsloten door de leren boeien. Zijn zoekende ogen gleden over haar roerloze lichaam omhoog waar ze plotseling twee bruine, wijdopen ogen ontmoetten, die hem nerveus aankeken.

"Juffrouw Griffel" sprak hij bondig. Zijn stem was nog schor van de slaap. "Weet u wie ik ben?"

"Een vreemde vraag, Professor" antwoordde ze. "Was het zo erg?"

Het kostte hem even voor hij zich realiseerde dat ze het over haar ziekte had. Stom, schold hij tegen zichzelf, natuurlijk weet ze niet waar je over gedroomd hebt! Ze realiseerde zich waarschijnlijk niet eens dat je een nachtmerrie had!

"Erger. Hoe voel je je nu?"

Ze fronste, terwijl ze even nadacht. "Versleten" zei ze toen. "En teer. Als een herfstblad."

"Nou, als je in staat bent poëtische metaforen te produceren, moet je je wel beter voelen" antwoordde hij droog. Hij zag haar wenkbrauwen omhoog schieten. Ze had duidelijk geen grapje van hem verwacht.

"Heb ik me… vreemd gedragen? Rare dingen gezegd? Gehallucineerd?" vroeg ze aarzelend. Iets aan de manier waarop haar handen trilden, draaiden en wrongen in de boeien, vertelde hem hoe belangrijk zijn antwoord voor haar was.

"Je probeerde me te vermoorden om aan de Toverdrank te komen" zei hij. "Daarom moest ik de leren boeien gebruiken. Laat me je nu losmaken."

"Sorry daarvoor, Professor." Ze glimlachte zwakjes, maar toen schoot er weer een vlaag van nervositeit over haar gezicht. "Denkt u dat het al veilig is?"

Hij was al een diagnosespreuk op haar begonnen, en voor de eerste keer in twee weken waren de resultaten bevredigend.

"Ik verwachtte het einde van de terugtrekkingsverschijnselen nu al twee dagen" legde hij uit. "Je lichaamswaarden bevestigen mijn verwachting dat je over het ergste heen bent. Hallucinaties en koorts zouden nu moeten zijn afgelopen. Je zult je, nochtans, nog wel een tijdje zwak voelen. Je magie heeft tijd nodig om terug te keren, en je mag jezelf niet overbelasten tot je er klaar voor bent."

Met een vlugge zwaai van zijn staf verdwenen de boeien, en ze zuchtte in opluchting. Langzaam ging ze rechtovereind zitten en masseerde voorzichtig haar polsen. Donkerblauwe plekken en restjes gedroogd bloed lieten zien waar ze tegen weerhouding gevochten had.

"U ziet er vermoeid uit" zei ze plotseling, hem eens te meer verrassend. "Waar hebt u over gedroomd, Professor?"

Verbaasd door de openhartigheid van haar vraag, ontmoette zijn blik haar ogen, donker door vermoeidheid en pijn, en Severus wist dat ze het wist.

"Daar hebt u niets mee te maken, juffrouw Griffel" snauwde hij, boos dat ze genoeg gezien had om zijn nachtmerrie correct te interpreteren. "Uw nieuwsgierigheid en slechte manieren zijn hier niet gewild."

Ze deinsde terug alsof hij haar geslagen had, en hij vervloekte zijn verdedigingen die ten gronde lagen aan zijn ruwe woorden.

"Als u er zich goed genoeg voor voelt, zou u een kleine tocht naar de badkamer kunnen overwegen, juffrouw Griffel. Een warm bad zou u goed kunnen doen."

Ze knikte stil. Bewegend met de teerheid van een oude vrouw, plaatste ze voorzichtig haar voeten op de vloer en worstelde om omhoog te komen. In een hartenklop stond hij naast haar en hielp haar zachtjes omhoog. Hij bood haar een warme mantel aan, die ze dankbaar aannam, maar met een bedachtzame uitdrukking in haar gezicht. Ze verwachte duidelijk iets onaardigs van hem, maar hij bleef stil terwijl hij haar naar de badkamerdeur leidde.

"Zal het lukken?" vroeg hij haar neutraal. Het idee van een Professor Sneep die haar in een warm bad hielp leek haar duidelijk te shockeren, en ze knikte krachtig. Toch waren haar stappen stuntelig en onzeker, en ze moest even tegen de deurpost aanleunen voor ze de badkamerdeur achter haar kon sluiten.

Hij wachtte een tijdje, om te zien of ze om hulp zou roepen of weer zou verschijnen, toen liep hij naar haar kast en begon naar een nieuwe pyjama te zoeken. Maar een gesmoorde kreet vanuit de badkamer deed hem omwervelen en de kamer doorkruisen in lange passen. Hij rukte de deur open en vond haar languit op de vloer, handpalmen tegen de tegels aangedrukt. Ze ademde snel in en uit, en haar gezicht was bijna net zo wit als de badkamertegels.

"Wat is er gebeurd?" vroeg hij. Hij knielde naast haar neer. "Hier, laat me je omhoog helpen."

"Het was niets, Professor" weigerde ze zwakjes. "Het werd me gewoon even zwart voor de ogen. Ik wil u niet lastig vallen, het lukt me heus zelf wel!"

Ze wendde haar ogen af, en vocht zo hard als ze kon om zelf weer op te staan. Ze is bang dat ik haar weer zal beledigen, realiseerde hij zich ineens.

Maar de bijtende opmerking kwam nooit. In plaats daarvan voelde ze twee handen onder haar oksels, die haar zachtjes op en naar de rand van de badkuip hielpen.

"Ga gewoon even rustig zitten" adviseerde hij haar, terwijl hij de kamer verliet en binnen een seconde terugkeerde met de pyjama. "Ik heb je wat kleren gebracht zodat je je kunt omkleden. Neem je tijd en haast je niet. Je bent bijna een week niet uit bed geweest."

Pure verbijstering tekende zich af op haar gezicht terwijl ze hem een ogenblik aanstaarde, sprakeloos van verrassing. Toen kreeg ze zichzelf zichtbaar weer in de greep, en knikte.

"Heel erg bedankt, Professor" antwoordde ze uiteindelijk. "Als u het niet erg vindt, kunt u ondertussen contact opnemen met Professor Perkamentus. Nu het ergste achter de rug is, kan ik gemakkelijk in een logeerkamer intrekken en u niet verder storen…-"

"Dat zal niet nodig zijn" onderbrak hij haar. Hij bewoog zich weer richting de deur. "Je blijft net zolang hier als je herstel zal duren."

"Maar Professor, ik dacht dat u me weg wilde hebben…"

"Rust, juffrouw Griffel. Rust uit en herstel. We zullen later praten."

En daarmee sloot Severus Sneep de badkamerdeur, een ontzettend verwarde Hermelien achterlatend die hem nastaarde alsof ze een spook had gezien.


V/N: Bedankt voor de reviews! Ik weet dat dit hoofdstuk een beetje laat komt, maar ik hoop dat jullie me nog niet vergeten zijn!

Het volgende hoofdstuk wordt weer heel duister en angstig, maar daar heb ik, een nederige vertaalster, immers geen invloed over. Kijk uit naar Het Hart der Duisternis, deel II. En review!