Hoofdstuk 9
Final battle
Angstig kijk ik op in de ogen van de vier onbekende vampiers. Ze zagen er zo anders uit dan de Kaulitzen. Hun harren waren warriger en zaten vol takjes en twijgjes. Hun kleren hadden meer scheuren en ze liepen op blote voeten. Toch waren ze beeldschone goden. Twee mannen en twee vrouwen. De vrouw aan mijn linkerkant was lang en beeldschoon. Haar lange golvende bruine haren hingen om haar gezicht en haar vuurrode ogen keken honger naar me. Naast haar stond een man, die een kop kleiner was dan haar. Zijn korte koperen haar zat vol met bladeren en sierden zo zijn kapsel. Zijn ogen keken niet zo hongerig als de vrouw maar eerder wantrouwig.
Naast de man staat er nog een man. Hij is heel lang en zijn ogen zijn vol bloedlust gevuld. Met zijn lange zwarte haar in een staart gebonden leek hij zo goed op de karikatuur van Dracula. Naast Dracula staat dan nog een vrouw, met kort wit haar.
Dit alles viel me op in slechts enkele seconden. Angst vulde me razendsnel. Had Bill me nu zonet verraden? Met grote blauwe ogen zoek ik naar Bill, die nergens meer te vinden is.
Hij had hen gewoon naar hier geleidt.
Het was allemaal een val geweest.
Ze omringen me en ik lijk bevroren op de zetel te zitten. Er kwamen geen enkele woorden uit de monden van de vampiers, enkel onsamenhangend gegrom.
Het volgende ogenblik springt er 1 van de vampiers op me af. Het was de langste van alle vier.
Eindelijk lijken mijn bevroren spieren terug te kunnen bewegen. In een fractie van een seconde tuimel ik achterover de zetel. Zo snel dat zelf de lange vampier me mist. Hij grolt iets onsamenhangend en ik hoor de anderen lachen terwijl ik op mijn benen kruip en wegsprint. Zinloos eigenlijk. Alsof ik een vampier kan ontlopen.
Ik sta nog maar op mijn benen wanneer ik een ruk aan mijn haar voel. Met een smak val ik achteruit met mijn hoofd recht tegen de muur. De klap beneemt me even de adem en ik voel vocht uit mijn hoofd lopen.
Nee, geen vocht. Besef ik terwijl ik verdwaasd met mijn hand achter mijn hoofd voel. Bloed.
Geschokt staar ik naar mijn hand en kijk dan op in de ogen van vier plotseling (nog meer) moordlustige vampieren.
De langste – die blijkbaar de leider is – komt terug op me af. Het volgende moment is alles wazig. Mijn zicht verzwakt en wordt zwart aan de randen. Bill springt de kamer binnen en valt de lange man aan, voor hij me kan bereiken. Vechtend brengt hij hem naar de andere kant van me. Verbaasd en nog steeds met mijn bloedend hand omhoog staar ik naar Bill. Maar mijn aandacht wordt terug naar de andere vampiers getrokken. Edith gevolgd door Alison nemen het elk op de tegen een vrouw. Marissa is het volgende ogenblik binnen en staat onmiddellijk bij me.
"Gaat het Lies?" Hoor ik vaag haar stem.
Verward staar ik even in Marissa haar gouden ogen voor alles stilaan zwart wordt. Het enige wat ik nog zien is Georg en Gustav snel te hulp komen schieten.
Waar is Tom? En wat is er in hemelsnaam aan de hand.
Duisternis omringd me. Het troost me. Het vult me helemaal en maakt me helemaal warm en voelde zo comfortabel aan.
Ik had me in geen weken meer zo gevoeld. Rust – stilte – warmte - … hemel. Ik was dood. Daarvan was ik me negenennegentig komma negenennegentig procent zeker. Er was maar nul komma nul één procentje kans dat ik niet in hemel was.
Nee wacht. Iets klopt niet, iets slaat helemaal nergens op.
Hoe kon ik nu in de hemel zijn wanneer hij er niet was?
Kalmte weg.
Rust weg.
Ik vecht nu tegen de duisternis. Het was zinloos het zwarte was dik, onbuigzaam. Je kon evengoed vechten tegen een muur.
Ik heb geen idee hoe lang ik bleef vechten, vechten voor licht. Zonder idee waar ik me bevond. Geen greintje geluid, geen enkel gevoel.
Enkel warmte.
Plots een doorbraak. Terwijl ik me onzichtbare vuisten op de stalen muur beuk klinkt het net alsof iemand een deur heeft geopend. Geluid stroomt binnen. Te luid, te fel. Waarom riep iedereen nu?
"Lies! Kun je me horen?"
De stem klonk zo bekend maar toch zo onbereikbaar.
Gevoel keert samen met mijn geluid terug. Ik staak mijn beuken op de duisternis.
Koude handen op mijn gezicht die ongeduldig onzichtbare haren naar achteren kammen.
"Lies!" Klinkt het terug wanhopig.
"Ze is in orde Tom. Kijk ze ademt." Komt een andere stem, maar toch zo gelijkend van mijn andere kant.
Stilaan wordt alles terug scherper en helderder.
Een grol weerklinkt. "Jij blijft uit haar buurt Bill."
"Maar Tom." Klinkt de smekende stem van Bill, wie ik nu herkende.
"Nee! Ik had gezegd neen. En toch moest jij je plan uitvoeren." Tom klinkt woedend. Een nog onmenselijke grol volgt.
"Tom we deden allemaal mee. Het is niet enkel Bill zijn schuld." Het zijn duizenden belletjes. Even later herken ik de stem van Edith.
Tom grolt nogmaals. Zijn grol was nu zo een duidelijk geluid voor mij als zijn stem. "Jullie blijven allen uit haar buurt."
Mijn gevoelens keren terug. Een bonkend dof gevoel aan mijn hoofd wat zorgde voor een verschrikkelijke hoofdpijn.
Een pijnlijke kreun ontsnapt mijn lippen, terwijl de werkelijkheid steeds tot me terug dringt.
"Lies?" Opluchting klinkt door in de stem van Tom.
"Tom." Bevestig ik.
"Alles oké?" Zijn opgeluchte lach weerklinkt door in zijn stem.
"Niet echt." Geef ik toe.
"Geen nood, ik haal je hier weg."
Onmiddellijk voel ik zijn armen om me heen en de grond onder me verdwijnen.
"Tom? Moet ze niet naar een dokter?" Ik knipper met mijn ogen en zie Edith verschijnen. Ze blijft op een veilige afstand van Tom.
"Houd je erbuiten Edith!" Klinkt de grol van Tom.
En het volgende moment zie ik bomen rond me heen vliegen. En ik knijp mijn ogen dicht.
AN:
Hopelijk heb ik nog wat lezers over ^^.
Het kost me veel moeite te kiezen welk einde dit hoofdstuk zou hebben. Ik had eerst een compleet ander geschreven. Maar heb dan toch besloten voor deze te gaan.
Het verhaal is bijna ten einde ^^.
Review please…
