Ik had me genesteld op de zwarte fluwelen dekens van het grote bed. Mijn hoofd had zich gevuld met egoïstische gedachten. Als ik net zo diep in de put zat, waarom zou ik alles dan moeten riskeren om Robert te helpen? En wat als Romee nu gewoon in het appartement zat, zich zorgen te maken over Robert en mij, terwijl het juist dankzij haar was dat wij-, nee... Dat ik haar was gaan zoeken, zo in de problemen geraakt was, dat Robert had geprobeerd me te helpen, wat jammerlijk mislukt was. Ik vroeg me af of hij wist wat hij riskeerde. Ik wist het niet.
Deze lui leken me meer dan menselijk. Volgens mij waren ze ontzettend machtig, op meerdere manieren. Ze vermoordden mensen, hadden een geheim hoofdkwartier, diep onder een oude stad... En als je de feiten over hun uiterlijk op een rijtje zette; rode irissen, bleke huid... Volgens mij hadden zelfs albino's niet zulke felrode irissen. Daar kwam nog bij dat hun huid ijskoud had aangevoeld telkens als ze me aanraakten, bij sommigen zelfs door de leren handschoenden heen. Het was me ook opgevallen dat de meesten (de mannen dan, niet dat Emelyn-gebeuren en die andere Gothica) hetzelfde pak droegen, alsof het een soort uniform was. Vormden ze soms een soort supermenselijke, supergeheime organisatie?
Ik moest toegeven dat ik het ergens best spannend vond.
Maar waarom hadden ze die mensen in het vliegtuig dan vermoord? Ik rilde bij het aanzicht van de met bloed bespatte muren, en de levenloze, maar toch doodsbange gezichten toen ik het vliegtuig uit werd geduwd. Misschien moest iedereen dood die ze in levende lijve gezien had? Dat herkende ik uit een film waarover een jongen uit mijn klas een keer verteld had. Een moordenaar was onvoorzichtig geweest en moest om niet opgepakt te worden één voor één al zijn ooggetuigen vermoorden. Natuurlijk hadden Roo en ik veel beter geluisterd als de roodharige jongen het niet met de nodige agressieve armbewegingen en rondvliegende speekselklodders verteld had...
Voor het eerst sinds ik in dit hele gedoe terecht was gekomen dwaalden mijn gedachten af naar thuis. Mijn klas, die nu over de wereld verspreid van de vakantie zat te genieten, mijn school, waar nu geen leraar te bekennen was maar de schoonmakers jaloers op de afwezige leerlingen braaf de zomerschoonmaak hielden. En natuurlijk mijn familie, mijn gezin. Mijn moeder, vader en kleine broertje van zeven zaten nu ergens in de Ardèche. Opeens miste ik ze heel erg en kreeg ik ontzettende spijt dat Romee en ik niet mee waren gegaan met hen. Maar wij verkozen Rob's moderne appartementje, de ouderloze vrijheid en de romantische oude stad boven drie weken in een zweterige tent zitten. Die keuze hadden we snel gemaakt. We hadden er weliswaar wel ontzettend lang voor moeten zeuren, maar nu wist ik wel beter.
Goed, ik zat niet meer in die kelder waar Robert mij gisteren uitgehaald had, maar in plaats daarvan zat ik eenzaam in de mooiste kamer waar ik ooit in zou overnachten.
Terug naar mijn familie; als ik goed had geluisterd naar wat vooral Mastercreep en Emelyn hadden gezegd had ik meer geluk dan de passagiers uit het vliegtuig, maar twijfelde ik sterk of ik ooit nog terug zou keren naar mijn gezin. Ik probeerde de brok in mijn keel weg te slikken.
Aan de andere kant van de deur klonk het gerinkel van sleutels die tegen elkaar aan kwamen. De deur werd open gemaakt en degene die binnenkwam... was wel de laaste die ik verwacht had.
"Euh... Hallo..." Mompelde ik zachtjes tewijl ik snel rechtop ging zitten.
"Mens..." Groette(?) hij me. Zijn stem leek anders dan de lichte, haast rinkelende stemmen van de andere "wezens".
"...Je vraag je af waarom juist ik hier sta, is het niet?" Zijn gepolijste, maar toch licht geplooide gezicht keek me aan zoals ik hem alleen nog maar gezien had; rustig, droevig maar toch hard en meedogenloos.
Ik knikte voorzichtig en probeerde het onderbuik gevoel te negeren. Wat moest hij van me?
De man deed enkele stappen naar voren. Zijn lange, zwarte mantel sleepte over de marmeren vloer. Hij leek wel te zweven als een spook. Zijn hoofd hing wat naar voren en achterovergekamd, donkerbruin, golvend haar viel perfect langs zijn gezicht. Het was moeilijk te oordelen of hij knap was. Eerlijk gezegd zag hij er meer uit als een oude, vermoeide man uit dan de "supermodellen" die ik had zien langskomen, de afgelopen paar uren. Ik vermoedde dat dat echter aan zijn gezichtsuitdrukking en lichaamstaal lag.
"Omdat ik doe en laat wat ik wil, mens, zonder daarvan de consequenties te moeten... voelen."
Zijn gezicht leek even om te plooien tot een glimlach, maar die was zo snel weer verdwenen dat ik moeilijk kon oordelen of het echt of een illusie was.
"Omdat je hier nu tegen je wil zit... Voor een lange tijd... is er toch iets dat je moet weten."
Ik liet mijn schouders hangen. Ik was een geroerd. De man sprak langzaam, haast voorzichtig de woorden uit. Het leek op hij me wilde helpen, of hij begreep hoe machteloos en verward ik was. Hij zou de eerste zijn.
Hij keek me opeens heel indringend aan.
"Mens... Lisette... Weet jij wat wij zijn?"
Volgens mij was het moment aangekomen dat ik de antwoorden kreeg waar om ik al een anderhalve dag op gewacht had.
Sorry, ik was 4 weken op vakantie en nam daarna ook niet gelijk de moeite om te schrijven. En nu ís er een update, en nu is hij zo kort! Weetje =P
Soms zeggen korte chapters nou net wat meer dan eentje die heel lang is. Naar mijn idee wekt het in twee hakken van een stuk een bepaald soort spanning op. Is het niet?
nouja, ik zal proberen snel weer een stuk te schrijven.
Bedankt voor het lezen!
