Hoofdstuk 11

De nieuwe schoolweek brak aan. Het was voor de meeste bewoners van Zweinstein een doorsnee week. Geen feesten in het vooruitzicht, geen SLIJMBALlen of PUISTen in de nabije maanden, hoewel je dat bij het zien van sommige vijfde- en zevendejaars niet zou zeggen. Maar dat waren de leerlingen die ook in de tussenliggende jaren veel tijd tussen de boeken doorbrachten.

Hoewel Draco graag en goed leerde en zijn cijfers dat meestal bewezen, was hij niet zo'n studiebol als Griffel, die soms in de schoolbibliotheek leek te overnachten. Geen wonder dat Wemel op zoek was gegaan naar een meisje dat meer beschikbaar was, had hij spottend tegen zijn vrienden gezegd.

Dat had hem een gekwetste blik van Korzel en een elleboogstoot van Patty opgeleverd. Een stelletje Huffelpufs leken zijn vrienden tegenwoordig, hoewel hij dat niet hardop durfde te zeggen.

Sinds hun tocht terug naar Zweinstein met oom Sev, leek Patty het idee te hebben dat ze hem onder de duim had. Zodra hij iets zei of deed wat haar niet beviel, begon ze een gesprek over Zwerkballers en hun stoere kleding; maakte ze een opmerking over brillen die tegenwoordig helemaal sexy waren of liet haar blik even veelbetekenend tussen Draco en Potter heen en weer schieten. Hoewel hij niet geloofde dat ze hem zou vernederen ten overstaan van de andere afdelingen, zou het al rampzalig zijn als er binnen Zwadderich zou worden geroddeld.

Draco probeerde nog steeds die opmerking van Patty zaterdag als onzin weg te wuiven, maar als hij eerlijk was tegen zichzelf – niet echt een eigenschap die hij beheerste – dan wist hij dat er meer dan een beetje waarheid in zat.

Toch was Patty niet de reden dat hij steeds vaker de leerlingenkamer ontvluchtte en de stilte van de bibliotheek opzocht. Zij nam zijn gedachten niet in beslag als hij urenlang naar dezelfde pagina van een dik studieboek zat te staren. Dat deed zijn peetoom. Oom Sev, die de naam van de Heer van het Duister had genoemd met een gemak alsof hij dat dagelijks deed. Alsof hij nooit anders deed. 'Voldemort houdt niet echt rekening met het gezinsleven van zijn volgelingen.'

Terwijl zijn peetoom – en geen enkele andere Zwadderaar of volgeling van Jeweetwel – dat ooit gedaan had of zou doen.

De enige personen in de hele Toverwereld die dat deden, waren professor Perkamentus en Potter. Maar dat sloeg nergens op. Oom Sev was geen man die de gewoonten van anderen klakkeloos overnam.

Feit bleef dat oom Sev niet zichzelf leek sinds het ongeluk van Potter met de Wisseldrank. Maar het trekken van een conclusie die zo bizar was, daar wilde zijn hoofd niet aan. Hij hield zijn peetoom echter nog scherper in de gaten en de conclusie – hoe bizar ook – leek vaker bevestigd te worden dan tegengesproken.

Oh, het waren geen opvallende dingen die hij opmerkte. Hij vermoedde dat niemand verder iets vreemds merkte, maar hij kende de man al zeventien jaar en kende onbewust de karakteristieke uitdrukkingen en gebaartjes die een persoon eigen zijn. Hoewel hij het niet wilde geloven, begon hij daarna ook zijn aandacht op Potter te richten en stelde tot zijn gêne hetzelfde vast.

Het idee dat hij Potters kenmerkende manieren blijkbaar ook goed genoeg kende om een verschil te merken, was bepaald ontnuchterend. Voor de zoveelste keer was hij dankbaar dat oom Sev zich niets herinnerde van wat Patty allemaal gekakeld had. Want als oom Sev niet was wie hij dacht, dan had Patty zijn crush op Potter aan Potter openbaard!

De gedachte was onverdraaglijk. Hij moest zekerheid hebben. Hij overwoog even om zijn peetoom (bij gebrek aan een benaming) met zijn vermoedens te confronteren, maar hij was geen Griffoendor.

Daarom zat hij hier in een afgelegen nis met alle boeken die hij over Wisseldrank kon vinden. Eerst feiten – bewijzen – verzamelen, dan pas confronteren.

o~0~O~0~o

Behoedzaam stapte Severus door de rood met goudgekleurde leerlingenkamer en ontsnapte via het portretgat voor iemand hem zou zien. Dat hij met 'iemand' Hermelien Griffel bedoelde zou hij ten stelligste ontkennen. Net zoals hij elke dag sinds zondagavond ontkende dat die kus hem ook maar iets gedaan had. Dat die speciaal was. Een leven als Dooddoener en spion was nou eenmaal niet geschikt om erg veel met dames te zoenen. Dus mocht er al iets bijzonders zijn geweest dan kwam het vast daardoor. Het was Griffel, nota bene. Die bemoeizuchtige weetal. Een studente!

Voor het gemak vergat hij even dat Hermelien Griffel niet de enige en ook niet de eerste studente was waar hij die avond een kus mee had uitgewisseld. Het kussen van een studente was dan ook niet echt wat hem hoog zat. Het was immers iets wat nodig was om niet door de mand te vallen. Als het er op aankwam, verschilde dat weinig met het moeten martelen op last van de Heer van het Duister, dacht hij cynisch.

Maar hoewel beide gebeurtenissen had zo nu en dan wakker hadden gehouden, had het martelen meer invloed op zijn geweten, terwijl bij het kussen zijn gevoelens onverwachts betrokken waren geraakt. In de afgelopen dagen was de ijskorst die zijn hart gevangen hield, langzaam gaan smelten. Er waren hier en daar wat barstjes in gekomen, maar niet onoverkomelijk. De kus van Hermelien had er echter voor gezorgd dat die bevroren muur begon af te brokkelen.

Hij had die muur met veel zorg opgebouwd; de eerste steentjes al in zijn jeugd toen hij amper oud genoeg was om te weten wat het gevolg zou zijn van een verkild hart. Maar hij had bescherming nodig gehad. Tegen het huiselijk geweld waarin hij opgroeide, en later tegen de pesterijen van zijn medeleerlingen. De afwijzing van Lily, en haar dood niet veel later, hadden er voor gezorgd dat die ijskoude wal zo hoog was geworden, dat weinig hem meer raakte.

Er was niets in zijn leven warm genoeg geweest om het ijs te doen smelten tot hij Hermeliens armen om zich heen had gevoeld. Plotseling ervoer hij weer hoe snel een hart kon kloppen, hoe warmte zich kon verspreiden tot zijn vingers tintelden, en hoe hij geen verwarmende spreuk nodig had voor zijn eeuwig koude voeten.

De gangen lagen er verlaten bij, net als tijdens de meeste avonden. Over ruim een uur was het weer tijd om door Potter op de hoogte gebracht te worden en tot die tijd wilde hij wat oplossingen testen. Deze situatie moest zo snel mogelijk omgekeerd worden. Er waren te veel risico's, onzekere factoren. Gelukkig was de Heer momenteel bezig met het rekruteren van nieuwe volgelingen. Severus had de opdracht gekregen om Zwadderaars te ronselen en een nieuwe toverdrank uit te vinden, dat als geheim wapen ingezet kon worden. De ironie!

De kans dat Potter gesommeerd werd, was dus klein, maar niet onwaarschijnlijk. Hij was Potter de laatste dagen met andere ogen gaan bekijken; Niet dat het nu opeens zijn favoriete leerling was geworden – hij deed sowieso niet aan favorieten, vond hij zelf – maar zag wel in dat Harry Potter niet zomaar een kloon was van James. Hij bleek meer van Lily te hebben dan alleen die groene ogen die Severus nu steeds in de spiegel zag. De eerste paar dagen was zijn hart telkens onrustbarend snel gaan kloppen. Toch raakte het hem minder dan hij had kunnen bedenken. Hij zou altijd met een warm gevoel aan Lily en haar prachtige ogen blijven denken, maar de afgelopen nachten speelden hazelnootkleurige ogen een rol in zijn dromen.

Hij vloekte zachtjes omdat zijn gedachten toch weer afgedreven waren naar degene die hij probeerde te ontwijken. Aangekomen bij zijn leslokaal opende hij de deur en begon methodisch een aantal basisingrediënten neer te zetten. Hij hoopte nog een paar proeven te kunnen doen met ongezeefde Wolfsmelk voor Potter kwam. Als de resultaten gunstig waren, dan zou hij morgen misschien aan een tegendrank kunnen beginnen.

o~0~O~0~o

Harry was deze week meer met toverdranken bezig dan ooit tevoren. Hij begon een beetje nerveus te worden over de hoeveelheid werk die hij zou moeten inhalen als dit allemaal achter de rug was. Enkel over Toverdranken zou hij zich weinig zorgen hoeven te maken als de SLIJMBALlen begonnen. Hoewel hij de studenten zo veel mogelijk theorielessen gaf, stak hij ongemerkt meer op dan zowel hij als Sneep ooit verwacht hadden. De voorbereidingen op de lessen die hij elke avond met Sneep doornam, droegen daar zeker toe bij.

Sneep gedroeg zich de laatste dagen iets minder hatelijk dan Harry gewend was. Het verbaasde Harry tot hij zich realiseerde dat de man waarschijnlijk benauwd was dat Harry eerder uit zijn rol zou vallen als Sneep hem te veel zou tarten.

Het in stand houden van zijn rol was doodvermoeiend. Sommige momenten ging het hem prima af om Sneep te imiteren, maar dan werd hij opeens geconfronteerd met een onverwachte vraag of opmerking, en moest hij weer alle zeilen bijzetten om niet door de mand te vallen. De maaltijden waren tegenwoordig dan ook zijn minst favoriete momenten van de dag. Hij moest sociaal doen met de leraren, onder het oog van de studenten en tot overmaat van ramp was daar Malfidus, die hem als een nieuw soort Fabeldiertje onder een vergrootglas leek te bekijken.

Het maakte Harry extra nerveus. Maakte Malfidus zich echt zo bezorgd om zijn peetoom? Of viel Harry zo vaak uit zijn rol dat hij argwaan opwekte?

Als het hem binnen Zweinstein al niet lukte om zijn rol in stand te houden, hoe moest dat dan als Sneep – hij dus – opgeroepen werd voor een Dooddoenersbijeenkomst? Onbewust wreef hij steeds vaker over zijn linkeronderarm, alsof het een bezwering was waarmee hij een oproep van Voldemort kon blokkeren.

Het kostte hem elke dag meer moeite om zich natuurlijk – nou ja, als Sneep – te gedragen in Malfidus' nabijheid. De Zwadderaar had er een gewoonte van gemaakt om 's avonds langs te komen. Als er op de deur geklopt werd, was hij degene die als eerste overeind sprong en hij was nu degene die de jongerejaars te woord stond. Het voordeel was dat Harry geen bezoek meer had gekregen van Margriet Bullemans, en verassend genoeg zag hij ook de andere meisjes uit het zesde en zevende jaar een stuk minder. Daar stond tegenover dat de extra tijd die hij met Malfidus spendeerde hem danig in verwarring bracht nu hij de blonde jongen van zo'n heel andere kant leerde kennen. De grijze ogen die af en toe zo bezorgd naar hem keken, zijn sarcasme dat best humoristisch was nu het niet tegen Harry of diens vrienden was gericht. Maar wat Harry vooral met andere ogen naar Malfidus liet kijken, was de manier waarop zijn gezicht veranderde als hij zich op zijn gemak leek te voelen. Zo ontspannen en ongedwongen; hij had zich nooit gerealiseerd dat er nog een heel ander persoon zat achter de façade die Malfidus liet zien.