Hoofdstuk 10
'Marco! Goed je weer te zien!'
Harry liep naar Marco Hilarius, die samen met Pieren en Bootsman een stapel papieren doorbladerde.
'Hoe gaat het nu met je?'
'Gaat wel' zei Hilarius, die antwoordde zonder van zijn werk op te kijken. 'Vader heeft een mooie begrafenis gehad.'
'Wat zijn jullie aan het doen?' vroeg Harry, die geïnteresseerd naar de stapel papieren keek.
'We lezen de dossiers van de Dooddoeners.' antwoordde Terry Bootsman. 'We hopen op die manier aanwijzingen te vinden over de identiteit van Neomort.'
Harry keek naar het dossier dat Terry vasthield. Een kalende, pokdalige man keen hem verveeld aan vanuit de verkleurde foto.
Augustus Ravenwoud
Veroordeeld wegens het doorgeven van geheimen van het ministerie van Toverkunst aan Hij Die Niet Genoemd Mag Worden, tweemaal ontsnappen uit Azkaban en inbraak in het Ministerie van Toverkunst.
Harry keek naar de andere dossiers. Overal zag hij bekende gezichten, voor eeuwig vastgelegd zoals ze waren voordat ze weg crepeerden in Azkaban.
Josef Arduin (een magere, bang uitziende man met lang, rood haar keek met grote ogen richting de camera)
Veroordeeld wegens het ontlopen van eerdere gevangenisstraffen doormiddel van leugens, inbraak in het Ministerie van Toverkunst en het uitspreken van de imperiusvloek op verschillende onschuldige slachtoffers.
Borit Jeegers (Harry zag het brute gezicht van Jeegers en dacht terug aan zijn inbraak in het Ministerie, jaren terug)
Veroordeeld wegens het ontlopen van eerdere gevangenisstraffen doormiddel van leugens en het martelen en vermoorden van onschuldige dreuzeltelgen.
Stefano Schoorvoet (Harry dacht terug aan zijn moeder, die Schoorvoet verachtte)
Veroordeeld wegens het uitspreken van de imperiusvloek op onschuldige mensen, inbraak op het Ministerie van Toverkunst, tweemaal ontsnappen uit Azkaban en de moord op verschillende onschuldige slachtoffers.
Harry's oog viel op de twee dossiers die Hilarius in zijn handen had. Een rilling ging over zijn rug: Bellatrix van Detta en Antonin Dolochov staarden hem aan vanuit de doffe foto's; Dolochov, met zijn verwrongen gelaat, keek smalend als altijd; Bellatrix leek jonger dan Harry haar ooit in leven had gezien, en leek nog het meest op de Bellatrix die hij eens in de hersenpan van Perkamentus had aanschouwd. Hij hoefde de beschrijvingen niet te lezen, hij wist wat ze gedaan hadden. Bellatrix en Dolochov waren verantwoordelijk geweest voor de dood van enkele goede vrienden van Harry, en hadden daarnaast nog aan vele anderen het leven gekost. Zonder verder nog iets te zeggen draaide Harry zich om, en liep naar buiten.
Aan het eind van de dag ging Harry vermoeid naar huis. Die middag was er weer een nieuw sterfgeval binnen gekomen: Dennis Krauwel was dood aangetroffen in zijn fotozaak, en wederom was er een lange man gehuld in een mantel met oude runen gesignaleerd. Het duizelde Harry in het hoofd: wie was die man? En waarom vermoorde hij al die mensen?
Toen Harry de deur van zijn huis in Goderic's Eind opendeed, zag hij dat er een grote groep mensen in zijn woonkamer aanwezig was. Hugo en James stonden in een hoek van de kamer te praten met hun oom George, Lily voerde een geanimeerd gesprek met Dedalus Diggel en Ginny praatte met Albus en een knappe, blonde jongen die Harry niet kende.
'Hoi pap!' Lily zwaaide naar hem. 'Ken je Jean-Paul al?'
De blonde jongen lachte naar hem. Naast hem schoof Albus een beetje ongemakkelijk met zijn voeten.
'Aangenaam!' De jongen liep nar Harry toe en gaf hem een hand. 'Jean-Paul Arsenault!'
'Harry Potter' zei Harry, maar hij lette niet echt op Jean-Paul. In plaats daarvan keek hij naar Albus, die hem niet aan durfde te kijken.
'Wie is dit, Al?'
Ginny keek hem afkeurend aan, maar Harry besteedde geen aandacht aan haar. In plaats daarvan keek hij nog altijd naar zijn jongste zoon. Voordat die iets kon zeggen, sprong James er echter tussen.
'Dit, pa, is je nieuwe schoonzoon!'
Jean-Paul lachte een beetje ongemakkelijk naar Harry, en Albus keek hem nog altijd niet aan.
'Is dat zo, Al?'
Albus tilde zijn hoofd op en keek zijn vader vastberaden aan. Harry zag de ogen van zijn zoon, de ogen die zo sprekend op de zijne leken. Was het waar? Viel Albus echt op mannen? Hoelang wist hij dit al? En waarom had hij niets verteld? Maakte het eigenlijk iets uit? Zolang hij maar gelukkig was, toch? En die Jean-Paul zag er aardig uit.
Harry zuchtte diep, en zei toen: 'Welkom in de familie, Jean-Paul!'
Albus zei nog steeds niets, maar keek zijn vader dankbaar aan. Harry gaf hem een knipoog, en wendde zich toen tot Ginny.
'Wat schaft de pot?'
