Chapter Eleven: The Werewolf And Carlisles Story
Zijn kleren waren doordrenkt door het vele bloed en plakten aan Harry's marmeren huid. Hij betwijfelde het of er nog een plekje te vinden was waar geen warm en vers dierenbloed aan kleefde. En het zat niet alleen in zijn kleren, maar ook zijn haar was besmeurd met dat rode spul. Op een lijstje dat hij al min of in zijn hoofd had opgesteld had hij nu ook tafelmanieren aanleren geschreven.
Hij schudde zijn hoofd heen en weer. De spetters vlogen alle kanten op. Rosalie gromde en sprong achteruit om de druppels te ontwijken. "Hé! Kijk eens uit!" klaagde ze.
De jongen rolde met zijn ogen. Van alle Cullens mocht hij de blondine het minst. Ze leek hem het type dat vooral aan haar eigen hachje dacht (en dat van haar chosen) en alles zou doen om haar doel te bereiken. Een echte Zwadderaar. De afdeling waar hij per definitie een hekel aan had.
Opeens hield de groep halt. De magier keek om zich heen en voelde zijn nervositeit weer toenemen. Waarom stoppen ze nu?
Carlisle keek naar zijn oudste zoon. Zou het veilig zijn om hem daar nu al mee te confronteren? Edward knikte. "Hij heeft onze geur al opgepikt. Binnen enkele minuten is hij hier. Misschien kun je het hem in de tussentijd uitleggen."
Nu was de dokter zijn beurt om te knikken en hij wendde zich tot de Nieuweling. "Harry?"
"Ja?"
"Er zijn nog een paar dingen die je moet weten. Het is niet de eerste keer dat mijn familie en ik in dit gebied zijn. Zeventig jaren geleden, lang voor dat de Europeanen hier toekwamen, waren we hier ook al eens. We hebben toentertijd een Verdrag met de plaatselijke indianenstam, de Quileutes, gesloten. Zij zouden zwijgen over onze identiteit en we mochten hier wonen als wij van hun grond, wat nu het reservaat is, zouden wegblijven en de mensen in dit gebied met rust zouden laten. Het is heel belangrijk dat je dat Verdrag niet schendt."
Harry keek een beetje verward. "Ik begrijp het niet. Waarom precies?"
"Kijk. De Quileutes zijn onze natuurlijke vijanden. En ze-"
"Weerwolven?" De ex-leerling herinnerde zich zijn lessen Verweer tegen Zwarte Kunsten over vampiers en weerwolven nog goed.
"Ja." Edward nam het over van zijn vader en ging verder: "Maar niet de soort die jij bedoelt. Alhoewel ze zich naar de 'Kinderen Van De Maan' noemen en zijn net als hun ons kunnen doden, zou 'Gedaanteveranderaars' een betere definitie zijn. Hun eigenschap om in gigantische wolven te veranderen wordt van genetisch van generatie op generatie doorgegeven. Ze hebben ook een hogere lichaamstemperatuur dan normale mensen en ze ruiken ook 'anders'."
"Wat bedoel je met 'anders'?" De vreemde toon bij dat woord was hem niet ontgaan.
"Zul je zo wel merken. Ik hoor hem al." Dat was het blondje. En ze had gelijk. Acht hoofden draaiden zich in de richting van het geluid van rennende voetstappen.
Uit de struiken kwam enkele tellen later een bruine wolf tevoorschijn. Hij was inderdaad gigantisch en ontblootte bij het zien van de Cullens zijn scherpe, witte tanden. Een diep gegrom steeg op vanuit zijn keel.
En toen rook Harry zijn geur. De stank van natte hond verspreidde zich door de lucht en deed hem bijna kokhalzen. Nooit in zijn leven of toch tenminste dat hij het zich kon herinneren, had hij zoiets smerigs geroken. Hij deinsde achteruit, grommend, zijn gezicht vertrokken van walging en Emmett en Jasper waren meteen op hun hoede om zijn verdere reactie af te wachten.
De wolf gromde nog harder toen hij onder het bloed zittende vampier in het oog kreeg. Edward kwam tussenbeide en richtte zich tot het 'dier'. "Hij is nog jong, maar we beloven dat we hem in toom zullen houden en het Verdrag niet zullen laten schenden."
De weerwolf kalmeerde, maar bleef Harry nog steeds in de gaten houden. Alsof hij verwachtte dat hij ieder moment kon aanvallen. Maar de jongen was niet gek, en met de uitleg van Carlisle en Edward in zijn achterhoofd probeerde hij zichzelf te vermanen en de gedaanteveranderaar geen reden te geven om hem aan stukken te scheuren. Het lukte de rest blijkbaar wel om zich onder controle te houden met die afgrijselijke stank in de lucht.
Na enkele pogingen was hij gekalmeerd en besloot dat het beter was om in de buurt van de wolf zijn adem in te houden. Prettig was het niet, vanwege zijn dan afwezige reukvermogen, waardoor zijn nervositeit even weer de kop op stak, maar het was in elk geval aangenamer dan die weerwolvenstank.
Uiteindelijk gingen ze terug op weg door het woud en algauw arriveerden ze weer bij het grote witte huis. De magiër bekeek zijn spiegelbeeld in de grote glazen schuifdeur van de woonkamer. De weerwolf had alle recht gehad om hem bedreigend te vinden. Hij zag er nog erger uit dan hij had gedacht en vroeg zich af of dat bloed ooit nog uit die kleren, die eruit zagen of iemand – net als de rest van zijn lichaam – ze in een soort van rode verf had gedoopt, zou geraken.
Hij wreef over de laag opgedroogde vloeistof in een poging het eraf te krijgen, wat niet echt lukte. De dokter wenkte hem. Harry volgde hem en probeerde niet te veel de vloer te besmeuren. Ze liepen een trap op die uitgaf op een gang.
Harry stopte. Hij keek vol verbazing naar het voorwerp dat tegen de muur hing. Het was een groot houten kruis en moest al eeuwen oud zijn. Hij vroeg zich af wat het in een huis vol vampieren deed, al was het eerder het bijgeloof waarmee hij bij de Dreuzels was opgegroeid dat de verbazing veroorzaakte. Carlisle glimlachte en legde het uit toen Harry hem vragend aankeek: "Het is nog van mijn vader geweest."
"Uw vader?" Harry begreep het even niet, maar realiseerde zich daarna dat de oude vampier over zijn mensenleven bezig was. Nieuwsgierigheid maakte zich van hem meester om meer over de spoedarts en zijn clan te weten te komen.
Carlisle knikte en liep toen weer door de gang. De ex-Griffoendor besefte dat het nog niet voor vandaag zou zijn. Hij volgde hem en de clanleider wees de verschillende 'slaapkamers' aan en zijn werkkamer. Tenslotte stopten ze voor een deur.
Carlisle gaf hem een teken dat hij naar binnen mocht gaan. Zijn eigen kamer. Harry duwde voorzichtig de klink naar beneden.
Het zag eruit als een doodgewone logeerkamer, Geschilderd –net als de rest van het huis – in lichte kleuren. De ramen reikten van de vloer tot het plafond en boden zo een prachtig uitzicht op de bergen. Op zijn bed lag een doos en zijn geliefde Vuurflits. Harry liep er naar toe, nam zijn bezemsteel in zijn hand en een vertrouwd gevoel ging door hem heen. Wat zou hij nu graag erop willen klimmen en buiten gaan vliegen.
Maar er waren zaken die meer voorrang vroegen, besefte hij toen hij de verleidelijke geur van het bloed dat in zijn kleren en zijn haar zat, rook. Hij keek de kamer rond en hoopte half en half dat er een privé-badkamer was. Carlisle, die in de deuropening was blijven staan, leek wel even zijn gedachten te raden en wees hem de badkamer aan. Van daaruit kon je een grote inloopkast betreden (die ook bereikbaar was vanuit de kamer).
Harry was meer dan verbaasd toen hij talloze kleren zag, om maar te zwijgen van de peperdure merken.
"Dit alles hebben jullie toch niet alleen voor mij gedaan, hé?" Mompelde hij ongemakkelijk. Na vijf jaar was hij nog steeds niet gewoon om geschenken te krijgen, een gevolg van de vele jaren verwaarlozing van de Duffelingen.
"Het was een kleine aanpassing. En beschouw het als een cadeau voor je zestiende verjaardag."
Er viel even stilte terwijl Harry het verwerkte. Voor altijd zestien.
Opeens, en hij besefte niet echt waarom, begon Carlisle te vertellen: "Ik was de zoon van een Anglicaanse priester en werd geboren in de jaren 1640 in Londen, gedurende een periode van veel religieuze opschudding. Mijn vader en andere priesters jaagden op heksen, weerwolven en vampiers en beschuldigden ook vaak onschuldige mensen ervan dit te zijn.
Toen mijn vader ouder werd, nam ik zijn werk over. Op een nacht werd ik aangevallen door een vampier, die me voor dood op straat achterliet. Hoewel ik zwaargewond was, besloot ik niet meer terug naar huis te gaan, omdat ik wist dat de maatschappij me nooit zou accepteren en mijn vader me hoogstwaarschijnlijk zou doden.
Ik verborg zich drie dagen onder een berg rottende aardappelen en onderging de pijnlijke transformatie tot vampier helemaal in mijn eentje.
Ik vond het vreselijk wat ik was geworden en probeerde ontelbare keren zelfmoord te plegen, wat telkens mislukte door zijn kracht. Ook zwom ik naar Frankrijk in de hoop te verdrinken. Ik was bang dat hij zijn dorst naar bloed op een dag niet meer zou kunnen beheersen, en dat ik dan onschuldige mensen zou doden. Dit wilde ik niet, dus ik vastte.
Ik werd hierdoor echter steeds zwakker: op een nacht kon ik mezelf niet meer bedwingen, er kwam een groep herten langs zijn schuilplaats en zonder na te denken viel ik aan. Zo ontdekte ik dat er een alternatief was en dat ik me niet hoefde te voeden met mensenbloed. Daarna besloot ik mezelf te leren zijn dorst naar mensenbloed te beheersen en een dokter te worden.
Ik leefde korte tijd bij de Volturi, een vampierengroep in Italië, die me wou overtuigen om weer mensenbloed te drinken. Uiteindelijk vertrok ik naar Amerika, waar ik aan het werk ging als dokter.
Omdat ik tot dan toe de enige vampier was die principieel weigerde mensenbloed te drinken, voelde ik me erg eenzaam."
Harry had tijdens het verhaal geen woord gezegd en de vampier laten praten. Nu was het enige wat hij kon uitbrengen: "Wauw."
Carlisle grinnikte zachtjes.
"En de rest?"
De dokter keek hem begripvol aan. "Je hebt hier nog een lange tijd te gaan, Harry. Je zult het nog wel eens horen."
En met die woorden liep Carlisle naar de deur. "Oh, wil je die kleren aan Esmé geven zodat ze hen kan wassen?"
Harry keek er bedenkelijk naar en fronste zijn wenkbrauwen.
"Krijg je dat er dan ooit nog uit?"
"Bleekwater kan wonderen doen, jongen." En met die woorden was hij de kamer uit.
Voor ik het vergeet: broodjeaapverhaal.
Titel: De vakkundige zakkenroller
Een jong stel is op bezoek bij een bevriend koppel in een grote stad. Het stel gaat een middagje winkelen. Ze krijgen de waarschuwing mee om hun portemonnee niet in handtas of kontzak te stoppen omdat het zakkenrollersgilde nogal actief is.
De man wil niet erg geloven dat iemand ongemerkt zijn portemonnee zou kunnen rollen, maar hij laat zich toch overtuigen en stopt zijn geld ergens anders. Om toch te protesteren, stopt hij een oude portemonnee in zijn kontzak met daarin een briefje: "Lekker mis".
Als de man aan het einde van de middag terugkomt bij zijn vrienden, trekt hij zijn beurs uit zijn achterzak om aan te tonen dat het allemaal wel meevalt. Wie schetst zijn verbijstering als blijkt dat er op het briefje iets is bijgeschreven: "Verdorie. Dat is balen".
R&R? (staat voor Review & Revieuw. Als jullie reageren op mijn verhaal, reageer ik ook de van jullie! Heb ik van het Dreuzelsforum.)
Happy Greets: Florreke
