Hoofdstuk 11

"Zo, dat was dat."

Compleet opgedoft stonden Valerian en ik voor de spiegel. We probeerde, met de nadruk op probeerden, onze gezichten in de plooi te houden terwijl we naar ons eigen spiegelbeeld keken. Ik hield het niet meer en barstte in lachen uit waarna Valerian het ook uitgierde van de pret. We zagen er werkelijk absurd uit.

Mijn haren waren licht paars als de kleur van bloeiende lavendelstruiken. Voor de rest was mijn make-up ook gebaseerd op het lavendel thema en had ik allemaal sierlijke lijnen op mijn gezicht.

Valerian daarentegen had kobaltblauw haar en fel opgemaakte ogen waardoor de ijsblauwe kleur nog beter uitkwam. In tegenstelling tot mij zag hij er nog wel redelijk uit. Voor capitool proporties dan.

Nog even bestudeerden we elkaar in de spiegel totdat Valerian naar de deur marcheerde. Blijkbaar kon hij niet wachten om te gaan, want hij stond te springen voor de deur als een jong hondje dat uitgelaten wilde worden. "En hoe zie ik eruit?" Valerian tuitte zijn lippen en keek me zwoel aan. Ik klapte bijna dubbel van het lachen. "Werkelijk fantastisch mevrouw Seabroke." Zei ik met een geniepige grijns.

"Ooooh! Dat neem je terug!"

Valerian kwam op me afgerend en begon me te kietelen. Wanhopig probeerde ik te roepen of hij wilde stoppen, maar het had gewoonweg geen zin. Ik moest té hard lachen om er ook maar één woord uit te krijgen. Waarom zei ik zo'n dingen toch ook altijd?

We stonden voor de deur en waren klaar om te gaan. Valerian had op zijn horloge (die hij in zijn kast gevonden had) een alarm aangezet dat af zou gaan wanneer het tijd was om terug te keren. "Klaar?" Valerian keek me serieus aan terwijl hij zijn hand al op de deurknop had liggen.

"Helemaal klaar."

"Oké, let's go." Valerian duwde de deur open en zette hem op een kiertje. Voorzichtig stak hij zijn hoofd naar buiten en keek of er niemand in de buurt was. Toen hij met zijn hand een wuivend gebaar maakte, wist ik dat de kust veilig was. Hij maakte de deur nu volledig open en samen liepen we naar buiten. Op de gang was het doodstil en er was geen enkele levende ziel te bekennen. Nog voor ik iets kon zeggen had Valerian de deur dicht gedaan en was hij al op weg naar de lift.

Snel huppelde ik achter hem aan terwijl ik nog zachtjes fluisterde: Hé, wacht op mij!

Ook bij de lift was er weer niemand te bekennen. We drukten op het knopje en vurig hoopte ik dat Ambrose niet toevallig uit de lift zou stappen, die nu op weg naar boven was. We hoorden een zachte pling en de metalen deuren schoven open. Leeg. Gelukkig maar. Opgelucht stapten we de lift in. Ik zocht plaats achter in de rechter hoek terwijl Valerian de knop met de juiste verdieping in drukte. Toen hij klaar was kwam hij naast me staan zodat we samen konden genieten van het zenuwachtige muziekje dat in de lift draaide. Het voelde een beetje vreemd om zo te staan met Valerian zo dicht naast me.

Zijn arm zat half tegen de mijne aangedrukt en onze handen hingen bijna tegen elkaar aan. Het voelde een beetje vreemd allemaal. Alsof deze twee minuten anders waren dan de momenten die we normaal samen hadden. Ach, misschien was het wel het nerveuze muziekje in combinatie met onze zenuwen die zo langzamerhand op hol sloegen.

We stapten de lift uit toen we op de begane grond waren aangekomen. De lift hadden we gelukkig overleefd zonder Ambrose tegen te komen, maar nu kwam het andere moeilijke gedeelte. We moesten door de drukke lobby heen zien te komen zonder dat het op zou vallen dat we hier eigenlijk helemaal niet thuis hoorden. En dat zou nog een hele klus gaan worden. Zo rustig als we konden, stapten we de drukke lobby in.

Het was een grote ronde ruimte met in het midden een ronde balie waar een vrouw met een oor telefoontje druk aan het praten was. Naast de balie stond een bord met informatie boekjes, een tijdschriftenrek en een zithoek waar een paar mensen zaten te lezen. Het leek meer op de wachtkamer van een dokter of tandarts dan een trainingscentrum voor moordlustige kinderen.

Plotseling kuchte Valerian even. Ik keek gewoon verder totdat hij nog eens kuchte en ik me realiseerde dat de kuch aan mij gericht was. Ik keek op en zag dat hij zijn arm naar me uitstak. Zonder enige twijfel haakte ik mijn arm in die van hem. Daar gingen we dan. Door het hol van de leeuw.

Met z'n tweeën marcheerden we gestaag de kamer door en probeerden we zo snel als mogelijk bij de deur aan de andere kant te komen. We waren al langs de informatie balie toen we ineens een kreet hoorden vanuit de zithoek. "Norman, ben jij dat?" Een wat oudere man stond op van zijn draaistoel en liep naar ons toe. Hij stak zijn hand uit naar Valerian. Valerian aarzelde even en stak toen toch zijn hand uit.

"Um, sorry mijnheer, maar wat zei u zojuist?" De man moest lachen en ik zag dat hij een gouden voortand had met een miniscuul robijntje erin.

Terwijl ik me bedacht hoe lang we in district negen zouden kunnen leven van die tand, was Valerian een leuk gesprekje begonnen met de wildvreemde man. "Nooit gedacht dat ik jou hier nog zou tegenkomen Norman! Maar je bent wel wat veranderd joh! Beetje minder rimpels en een andere neus. Maarja hier zijn we allemaal wel naar onze plastische vrienden geweest hè!" De man barstte uit van het lachen. Beleefd lachtte Valerian mee en ik glimlachte een beetje om niet raar of opvallend over te komen.

"U bedoelt vast mijn oom!" Zei Valerian met een blije glimlach en vol overtuiging.

"Ik werk namelijk als journalist en heb zojuist een interview afgelegd met de mentor van district negen. Dit was namelijk het vijf en twintigste jaar dat ze bezig was en dat vond onze redactie wel de moeite waard om een column over te schrijven."

"Aha!" De man knikte.

"Voor welk blad werk je dan?" Snel keek ik naar het tijdschriften rek dat gelukkig nog redelijk dicht bij ons in de buurt stond.

"De districten unie." Antwoordde ik snel met een glimlach.

"Zo? En wie is dit als ik vragen mag?" De man richtte zich nu volledig op mij en bekeek me eens van top tot teen.

"Is dit je vriendin?" Hij knikte naar mijn arm die ik nog steeds in Valerian's arm gehaakt had. Ik voelde mezelf rood worden. Waarom nu, dacht ik bij mezelf. Waarom nu?

"Eigenlijk is dit mijn verloofde en zakenpartner Avila." Zei Valerian met een uiterst serieus gezicht. "Gefeliciteerd!" Zei de man en hij gaf ons beiden een hand waardoor ik Valerian's arm los moest laten. Het leek net alsof de man nog wat wilde gaan vragen toen de telefoniste iets tegen de man riep.

"Zo te zien ben ik aan de beurt. Nou, doe je oom de groeten van me en nog een mooie bruiloft toegewenst!"

De man zwaaide nog een keer en liep toen naar de balie toe.

"Oké dat was..." Valerian snoerde me snel de mond en legde een arm om me heen. Hij boog zijn gezicht naar mijn hoofd en fluisterde zachtjes iets tegen me.

"Pas op, hij houdt ons nog steeds in de gaten."

Alsof mijn hersenen gelijk wisten waar Valerian het over had, sloeg ik een arm om zijn middel en samen liepen we naar de deur. Nog een paar meter en dan waren we er. De vrijheid was zó dichtbij, maar ook zo ver weg. Stel je voor dat er weer iemand hier zou zijn die ons dacht te herkennen. Of nog erger, misschien kwam die man wel terug wanneer hij klaar was bij ds telefoniste. Ik versnelde mijn pas een beetje en samen beenden Valerian en ik, zo snel als mogelijk het trainingscentrum uit.

Het was bijna alsof je de vrijheid kon voelen. Ik ademde diep in en rook frisse buiten lucht. De wind blies in mijn gezicht en ik zag witte wolkjes die boven me voorbij dreven. Vrijheid was fijn. Ik keek naar rechts en zag dat Valerian naar de lucht keek. Zijn ogen hadden een aparte uitdrukking.

Voor het eerst sinds tijden leek hij weer compleet ontspannen. Misschien was dit nog helemaal niet zo'n slecht idee geweest. Zo te zien deed een beetje vrijheid ons beiden goed. "Heerlijk dat gevoel. De wind in je haren, de zon op je gezicht, de geur van een heerlijke zomerdag. Voor eventjes voel ik me volkomen vrij. Net zoals zij." Valerian wees omhoog naar een groepje vogels dat voorbij vloog. Waren we maar vogels, dacht ik bij mezelf. Dan konden we nu gaan en staan waar we wilden. Dan konden we nu weg vliegen van deze plek en terug gaan naar waar we thuis hoorden.

"Volledig mee eens." Antwoordde ik terwijl ik hem aankeek. Hij wendde zijn blik af van de vogels en richtte nu zijn blik op mij. Hij keek me aan met zijn ijsblauwe ogen.

De wind blies mijn haren in mijn gezicht en hij moest lachen. Er was iets aparts aan dit moment. Een verandering in de atmosfeer. Een verandering van tijd en ruimte. Alles leek wel te verschuiven op dit moment behalve wij. Hopelijk zou het zo blijven.

"Trouwens, nog sorry van daarnet."

"Huh hoe bedoel je?" Ik keek hem raar aan.

Hij haalde zijn arm van mijn schouder af en vervolgde zijn verhaal.

"Ja, sorry van dat gedoe met die verloofde, maar dat was het eerste wat in me op kwam."

Nu ik er over nadacht had ik me nog minuut druk gemaakt over het feit dat Valerian me zijn verloofde had genoemd. Ik was allang blij dat hij een smoes verzonnen had, want als het op mij aangekomen was waren we niet veel verder gekomen dan de naam van het tijdschrift. "Geen probleem. Ik ben allang blij dat ik daar levend weg ben gekomen." Hij lachtte naar me en keek toen naar mijn arm die nog steeds om zijn middel hing. "Sorry.." snel haalde ik mijn arm weg en keek snel de andere kant op. Waarom kon ik hem niet recht aan kijken? Dit was inderdaad een beetje een gênant momentje, maar dan kon ik hem toch nog wel aankijken? Blijkbaar waren mijn hersenen het niet zo met me eens want, ik bleef stug de andere kant op kijken.

Met z'n tweeën liepen we de straat door richting het grote plein dat aan het einde van de straat te zien was. Ik moest toegeven dat het Capitool heel indrukwekkend was als je er zo als district bewoner door heen liep. De huizen waren gigantisch en de architectuur was gewoonweg prachtig.

Bijna op iedere vensterbank stonden wel bloembakken met bloemen in alle kleuren van de regenboog. De zon scheen op de witte huizen waardoor ze nog witter leken en de bloemen nog beter uitkwamen. Ik weet niet hoe de rest van het Capitool is, maar als dat ook zo prachtig is als dit gedeelte denk ik dat ik hier nooit meer weg ga.

We waren al bijna aan het einde van de straat aangekomen toen we het gigantische plein zagen liggen. Het plein had een doorsnede van ongeveer 35 meter en in het midden stond een indrukwekkende fontein met waterspuwende leeuwen. Het water fonkelde in het licht en overal liepen mensen met de meest rare kleding stukken rond. Het plein leek wel een bont circus. Aan Valerian zijn gezicht te zien was hij ook compleet overdonderd door het uitzicht.

"Ik had werkelijk nooit gedacht dat het Capitool zó mooi was."

"Ik ook niet."

Zei ik terwijl ik nog steeds moest bijkomen van alle prachtige dingen die ik zojuist in een korte tijd al gezien had.

"Kom, ik wil die fontein eens van dichterbij bekijken."

Valerian lachtte naar me terwijl hij alvast richting de fontein liep. "Niet zo snel jij! Wacht op mij!" Snel ging ik hem achterna. Ik wilde hier geen minuut van missen.

Ik stak mijn handen in het glinsterende water en voelde hoe de kou van het water zich over mijn handen heen verspreidde. Zachtjes vloeide het weer weg uit mijn handen en kwam het terecht in de fontein. Ik wist zeker dat deze herinnering me bij zou blijven. Dit gevoel en deze beelden zou ik niet meer vergeten. Het zou voor altijd in mijn geheugen gegrift staan. Misschien zou ik zelfs wel sterven met dit beeld voor mijn ogen. Het beeld van weg lopend water.

Zachtjes stromend uit mijn handen. Eigenlijk zou het wel mooi passen bij mijn dood. Het water stroomde rustig weg, net zo als mijn leven. Toen begon ik te lachen. Dit was best eng. Waarom dacht ik nu al na over mijn dood? Ik begon nu toch écht te twijfelen of er zeker weten niets mis met me was, want dit was gewoonweg angstaanjagend en gestoord. Vooral gestoord ja.

De rest van de middag sjeesden Valerian en ik het hele Capitool door. Of althans het leek alsof we het hele Capitool hadden gehad, maar ik durf te wedden dat we net een derde hadden gezien. Een derde of niet, ik had me zeker vermaakt deze middag. Eventjes voelde ik geen angst voor de dood die misschien al over drie dagen voor de deur stond. Brrrrrrr... Enge gedachte was dat. Vooral negeren dus.

De zon begon al bijna onder te gaan en ik begon me nu toch zorgen te maken. We moesten naar huis anders zouden we het avondeten missen en dan zouden Ambrose en Celsia zeker weten dat we weg waren. Ik trok aan Valerian's mouw en vertelde hem wat ik me zojuist bedacht had. "Je hebt gelijk." Hij knikte naar me en samen renden we terug door alle straatjes terug naar het trainingscentrum.

We zagen het gebouw al uit de verte naderen toen we ons iets opviel. Aan de voorkant van het gebouw stond een grote mensenmassa te wachten. We kwamen dichterbij en uiteindelijk kwamen we erachter dat het allemaal journalisten waren die met z'n allen voor de deur van het gebouw stonden te dringen. "Bij alle graankorrels van Panem, wat moet dit voorstellen?" Valerian keek met gefronste wenkbrauwen naar de groep journalisten.

"Wat zou er aan de hand zijn? Ik dacht dat ze later vanavond pas interviews zouden geven, omdat we eerst nog de parade hadden."

Daar zei Valerian wat. Normaal waren de journalisten zo gespannen voor de parade dat ze zich van te voren nauwelijks vertoonden bij het gebouw. Er moest wel wat aan de hand zijn dat er zo veel uitgerukt waren. Ik voelde mijn nieuwsgierigheid op komen borrelen en kreeg steeds meer de neiging om naar de groep journalisten toe te lopen. Op een gegeven moment hield ik het gewoon niet meer en liep ik vastberaden op het gebouw af. Ik moest en ik zou weten wat er aan de hand was.

Overal om me heen stonden verslag gevers van radio en tv die ingewikkelde apparatuur bij zich hadden. Het gonsde van de verschillende stemmen en iedereen leek wel tegelijkertijd uitslag te brengen van wat er gebeurd was. Ik barstte nu bijna uit elkaar van nieuwsgierigheid dus concentreerde ik me op een stem. Ik luisterde goed en koos de stem van een vrouw die links van me stond.

"Goedemiddag Panem! Ik breng hier rechtstreeks vanuit het Capitool het eerste nieuws over de tributen van dit jaar. We hebben zojuist te horen gekregen dat er wel een erg ongelukkige tribuut zich onder ons bevindt. De mannelijke tribuut van district 6 heeft zojuist geprobeerd om zelfmoord te plegen. Ja dames en heren, u hoort het goed. De jongeman was zo ongelukkig en geloofde niet in enige overleving tijdens de spelen dus besloot hij om zichzelf van het gebouw te gooien. Hij vergat echter dat het gebouw is beveiligd met een schild waardoor zelfdoding onmogelijk is. Ondanks dat het de jongeman niet gelukt is om een einde te maken aan zijn leven, heeft hij toch voor veel opschudding gezorgd binnen in het gebouw. Daarom gaan wij nu over naar onze speciale inside verslaggever Brasson die zich nu binnen in het gebouw bevindt. Hallo Brasson! Hoe is het daar?"

Ik wilde op het moment twee dingen doen. Een, de vrouwelijke verslaggever naar de keel vliegen, omdat het bijna leek alsof ze het grappig vond dat de jongen zelfmoord had willen plegen. Twee, compleet in paniek raken, omdat ik niet wist of iemand onze afwezigheid nu op zou vallen. Laat ik het zo stellen, ik viel bijna flauw van alle emoties.

"We moeten zo snel als mogelijk binnen zien te komen!" Valerian greep me vast bij mijn schouders voordat ik bijna compleet in paniek omkiepte. Hij sleurde me de mensen menigte door en schreeuwde om de haverklap iets naar de mensen die in de weg stonden.

"AAN DE KANT! PERSONEEL! DEZE VROUW STAAT OP HET PUNT OM OVER TE GEVEN!" Luid gatverdammend sprongen er mensen op zij terwijl ik een zo'n ziek mogelijk gezicht probeerde te trekken. Wat waren deze mensen goed gelovig zeg! Ach, wat verwachtte je anders van zo'n soort journalisten?

Ik werd door de deur heen gesleept richting de lift terwijl Valerian nog steeds hetzelfde bleef gillen naar iedereen die maar ook in onze buurt leek te komen. Zo kwamen we veilig aan in de lift en duwde Valerian snel op het knopje met verdieping negen. De lift schoot omhoog en nog voordat ik het doorhad stonden we op onze verdieping. "Dat was me het dagje wel zeg!" Valerian sleepte me de gang door richting onze kamers.

Ik wilde net antwoord geven toen ik plotseling eem luide hoest hoorde. "Zo, hebben jullie je vermaakt?" Ik voelde Valerian verstijven en mijn bloed veranderde in ijs. Misschien had het nu wel dezelfde kleur als de ogen van Valerian. Mijn hart bonkte luid toen ik me omdraaide en Celsia en Ambrose met hun armen over elkaar heen, in het gangpad zag staan.

Betrapt!