Hoofdstuk 11: Zoektocht.

I want to be an eagle soaring high
Sign my name across the sky
I gotta break free befor i die
Before another day goes by

Textausschnitt aus dem Lied Another day goes by von Dakota Moon

Hagrid maakte zich klaar voor de reis. Hij zou zijn beloofde nakomen. Het was reeds enkele dagen sinds de Potters de dood hadden gevonden. Sneep was nog steeds niet opgedoken. Hagrid had gehoopt, ja, bijna verwacht, dat de dooddoener plotseling voor Zweinstein zou staan en op de laatste bevelen zou wachten. Die hoop was niet vervuld. Perkamentus stond onder de stress, voor hem was nu de taak alles te ordenen en met rustige tijden in het vooruitzicht. Met een droevige lach tilde Hagrid de foto van James, Lily en de kleine Harry op. Ja, zij hadden het hem cadeau gegeven, om ook hem aan hun vreugde deel te kunnen laten nemen. Harry was in veiligheid gebracht, Perkamentus had aangegeven, dat hij nog verdere voorbereidingen had getroffen, hij had de jongen die leefde niet zomaar aan zijn familie overgelaten.

Wat precies dat was wou zelfs Hagrid niet weten, voor hem voldeed het weten, dat daar nog iets was. Thoa liet hij achter bij mevrouw Spruit. De heks, die kruidenkunde gaf, ze speelde graag de hondesitter. Ze stelde ook geen lastige vragen, maar nam het gewoon aan, dat Hagrid voor een paar dagen op reis moest. Een laatste keer aaide hij zijn hond over de kop en ging op pad. Hij liet zijn bezem op de verstopplaats en nam in de plaats daarvan een hele rij via via's mee. Die ongelofelijke dingen konden hem overal in Engeland brengen, zo snel als het licht!

Voordat hij deze gebruikte wilde hij een laatste keer in het dalletje gaan kijken. Hagrid deed de grote rugzak op zijn rug, hij had zoveel te transporteren, via via's, dekens, iets om zich om te kleden en zelfs een noodapotheek van mevrouw Pleister had hij bij zich.

Hij ging naar de rand van het dalletje toe, maar zag niets. Op dat moment knakte er iets achterhem en de halfreus draaide zich verschrikt om.

"FIRENZE!" Riep hij uit. "Wurgende waterspuwer! Jij hebt me laten schrikken!"

De centaur liet zijn hoofd lichtjes zakken. "Het spijt me Hagrid, ik wilde je niet laten schrikken."

Hagrid greep naar zijn hart en haalde een paar keer diep adem. Het wezen stelde zich op aan zijn zij en keek ook naar het dalletje. Een tijdje stonden ze daar, zwijgend, ze schenen op iets te wachten.

"Hij is niet gekomen", fluisterde Firenze.

"Nee, is hij niet," zei Hagrid niet minder zacht.

"Het zijn meer dan zeven dagen vergaan Hagrid." Firenze keek de terreinknecht nu aan.

"Dat klopt," en Hagrid had daarom een vreselijk slecht geweten.

Firenze wierp een blik naar de wonderbare blauwe hemel, de zon stond hoog en verlichte het kleurenspel van het bos.

"Ik weet niet eens of hij nog leeft," zei Hagrid bedrukt.

Toen lachte de centaur zachtjes en schraapte met zijn hoeven. "Oh hij leeft."

"Werkelijk?" De halfreus keek in wonderbare blauwe ogen van de centaur.

"Hij leeft NOG! Ga Hagrid, zoek hem, breng hem terug naar het licht!" Met deze woorden liet Firenze hem staan en verdween weer zo snel als hij gekomen was.

Hagrid trok de eerste via via tevoorschijn, een oude tennisbal. Aan de rand van het dalletje stond plotseling niemand meer en de wind blies de bonte bladeren over de bosgrond. Het was als een laatste bonte dans, voordat de kleurenpracht voorgoed verdween.

Hagrid dook weer op in de buurt van een burchtmuur. Hij stond voor de ruïne en dacht even na. In deze omgeving waren er drie, misschien zelfs vier plaatsen waar men een tovenaar kon laten verdwijnen. Zijn lijst, die hij in gedachten met zich mee droeg, was lang en hij maakte geen fouten in de hoop Sneep snel te vinden. Terwijl hij op de ruïne toestampte keek hij met wakend oog om zich heen. De afgelopen dagen was de hel in de toverwereld losgebroken. Verschillende dooddoenersgroepen bezorgden de schouwers hoofdpijn en weer andere hadden niets beters te doen dan zo snel mogelijk naar de andere kant snellen.

'Angsthazen!' Dacht Hagrid.

Niemand van hen wist hoe het was om een wereldwandelaar te zijn, niemand van hen kon ook maar raden hoe het was, om nergens zeker van te zijn. Hagrid liep op een donker gat af, terwijl hij onderzoekend het muurwerk bekeek, tastte hij naar de lamp die aan zijn rugzak hing. Zodra hij deze in zijn handen hield, lichtte het op, de lamp had een aangenaam geel licht en scheen in een half verweerde gang.

"Daar gaat ie," mompelde Hagrid en hij tastte voorzichtig in de gang. Het gevaar bij zulke oude muren was, dat ze snel en zonder waarschuwing instortten. Dreuzels meden ze wegens dit gevaar, maar voor volledig afgestudeerde tovenaars was dit geen probleem. Ze spraken een simpele, tijdelijk begrensde bindspreuk uit en stabiliseerden zo de oude muren. Hagrid was geen volledig afgestudeerde tovenaar. Het was dan voor hem niet mogelijk, om op deze voorzorgsmaatregel terug te vallen. Hij moest op zijn ervaring en gevoel vertrouwen.

De stenen knarsten onder zijn voeten en de wanden waren met klimop begroeid. Zijn doel lag ongeveer 20 meter onder de oppervlakte, want daar vertakte de gang zich plotseling en daar bevond men zich weer in een grote natuurlijke grot. Hagrid wist uit oude vertellingen dat in deze grot vroeger een zwarte magiër zijn vrienden gevangen had gehouden. Maar deze magiër was al lang dood en de mogelijke beschermspreuken waren al een eeuwigheid inactief. Maar desondanks alles wierp de terreinknecht een blik op zijn zakhorloge, het was geen gewoon horloge. Er was maar een wijzer op afgebeeld en liet mogelijke magische vallen of vloeken zien. De wijzer wees rustig in de groene zone en met een zucht van opluchting ging hij verder. Na enkele minuten kwam Hagrid eindelijk in de grot aan. Hij tilde de lamp hoog boven zijn hoofd en belichtte de grot.

Als de halfreus niet op zo een belangrijke missie was geweest, had hij zeker nog een paar minuten om zich heen gekeken, de grot was mooi de stalactieten en stalagmieten vormden wonderbaarlijke patronen. Deze patronen werden helaas door oude roestende kettingen en ijzeren ringen uit de muren onderbroken en Hagrid hield zijn adem in. Voor de zekerheid keek hij nog een keer rond, nu kon hij nog meer ijzeren ringen in de muren zien en donkere vlekken op de gladde kalkgrond lieten zien waar pas gevallen kettingen moesten hebben gelegen. Niets liet hij aan het toeval over hij keek naar elke al waren ze nog zo kleine opening aan en ontdekte zelfs een gebroken toverstaf die al half onder de klaksteen lag. Geen spoor van Sneep.

Vastbesloten keerde hij de grot de rug toe en begon weer aan zijn tocht naar boven, nu moest hij een oud landgoed doorzoeken. Het gezicht van de terreinknecht vertrok, daar leefden nog tovenaars. Of zij het hem gewoonweg zo toelieten, hun huis op de kop te zetten. Zo niet, dan zou dat verdacht zijn, misschien hielp Perkamentus hem dan.

Bedrukt schudde hij zijn hoofd, nee, de directeur van Zweinstein had daarvoor werkelijk geen tijd. De leraren op school beklaagden zich er al over, dat Albus Perkamentus zich bijna niet meer liet zien en ware zwermen van uilen vlogen voor de ramen, die in zijn kantoor zaten.

Dacht de directeur nog aan Sneep? Hagrid bleef als door de bliksem getroffen staan, het einde van de tunnel was al te zien. Eigenlijk had Perkamentus de laatste dagen geen woord over Sneep gezegd! Hagrid schudde zijn hoofd en noemde zich in gedachten zelf een domkop! Dat zou voor Sneep veel te gevaarlijk zijn geweest. Zeker klauterde hij de gang uit, naar buiten en wendde zich naar het landhuis, hij was van zichzelf geschrokken. Hoe kon hij aan Perkamentus twijfelen?

'Hoe gemakkelijk ik nog steeds over mensen oordeel', dacht Hagrid bedrukt.

Het landhuis lag iets verder van de burchtruïne af. Terwijl hij een veldweggetje volgde, rekende hij na. Enkele verstopplaatsen waren voor hem gemakkelijk te bereiken en ook snel te doorzoeken, andere weer niet. Hij gromde wat voor zich uit en gebruikte bijna zijn vingers om op te rekenen. Als hij in dit tempo verder zou houden, dan zou hij vier tot zes verstopplaatsen per dag kunnen doorzoeken. Vertwijfeld keek hij naar de hemel. Het probleem was, dat er zoveel plaatsen bestonden, dat zijn vriend waarschijnlijk al dood was voordat hij hem zou vinden.

"Dan moet het maar sneller", mompelde hij en versnelde zijn passen.

Het landhuis kwam al in zicht en Hagrid probeerde de juiste zinnen te verzinnen. Hij klopte aan bij de indrukwekende ingangpoort en wachtte. Een oude heks opende de poort en keek de halfreus vragend aan.

"Ja? Hoe kan ik u helpen?" vroeg ze.

"Nou ja, ik zoek iemand en ik weet dat er hier in de buurt enkele oude kerkers zijn. Zou ik mij die mogen bekijken?" vroeg Hagrid terwijl hij lachte naar de heks.

"Waarom? Denkt u misschien, dat ik iemand verstop?" De oude heks was nu zeer septisch.

"Nee, nee, natuurlijk niet! Wurgende waterspuwer. Nou uhm, nou ja, hij kende vele verstopplaatsen en misschien weet u er zelf niets van?" zei Hagrid.

De oude heks fronste haar voorhoofd. "Nou goed, kijkt u maar na. Ik wil niet, dat het ministerie meent, dat ik iets te verbergen zou hebben! Die draaien op het moment sowieso al door!"

Met deze woorden ging ze twee stappen opzij en liet de terreinknecht binnen.

"Hartelijke dank ik zal opschieten!" verzekerde Hagrid haar snel.

"Ach, neemt u maar gerust tijd, ik krijg zelden bezoek! Alle jongeren trekken naar de grote stad! Ze willen meer!" De oude vrouw trok zich in een salon terug.