HOOFDSTUK 12: DE CONFRONTATIE

De voordeur van onze flat valt met een klap achter me dicht. Ik gooi mijn handtas neer in een hoek van de gang, schop mijn schoenen uit zonder de veters los te maken en been met grote passen naar mijn slaapkamer. Gelukkig zijn mijn ouders voor een paar uur met een bevriend koppel de stad in en is het huispersoneel er ook niet. Anders zouden ze meteen aan mijn gezicht gezien hebben dat er iets helemaal mis is. Ik ga op bed zitten, trek mijn benen op en sla mijn armen rond mijn knieën. Dan komen eindelijk de tranen.

Het is nu ongeveer een half jaar geleden dat ik stiekem bij de Garage ben beginnen werken. Ik werd er vrij snel in de groep opgenomen, ook al was het vanaf het begin al duidelijk dat ikzelf en de anderen grondig van mening verschilden wanneer het over de Hongerspelen ging. Tot nu toe heb ik dat opgelost door het onderwerp zo veel mogelijk uit de weg te gaan, en tijdens de 73ste editie was ik er nog niet. Maar nu het zomer is en de Spelen weer begonnen zijn, kon je voelen dat de sfeer steeds meer gespannen werd. En daarstraks is het uiteindelijk helemaal fout gelopen.

Deze namiddag ben ik opnieuw naar de Garage gegaan, omdat ik alleen thuis zat en toch niets anders te doen had. Toen ik er binnen kwam, belandde ik per ongeluk midden in een discussie over de Spelen die blijkbaar al een tijdje aan de gang was. Doran, Leandro en een paar andere zwervers vonden het een schande dat de kinderen in de arena 's nachts in de bittere kou moesten slapen en weinig of niets hadden om hun wonden mee te verzorgen. Ze zeiden tegen elkaar dat ze maar al te goed wisten hoe dit voelde omdat ze het zelf al zo vaak hadden meegemaakt.

Opeens vroeg Leandro rechtstreeks aan mij of het me nu écht niets kon schelen. Waarop ik antwoordde dat zulke dingen nu eenmaal bij de Hongerspelen hoorden en dat de Spelen zelfs helemaal niet spannend meer zouden zijn moesten de tributen alles zomaar in de schoot geworpen krijgen. Toen kreeg ik te horen dat niemand het verdient om zo slecht behandeld te worden en dat de tributen er ook niets aan kunnen doen dat ze in een district geboren zijn en niet in het Capitool.

Natuurlijk heb ik de anderen er toen meteen op gewezen dat het wel degelijk de districten zijn die de Donkere Dagen in gang gezet hebben, en niet wij. Als zij die stomme oorlog niet begonnen waren, dan had de regering geen maatregelen moeten nemen en dan zouden ze hun kinderen nu niet naar de Spelen moeten sturen. "Trouwens," heb ik er nog aan toegevoegd, "willen jullie nu echt beweren dat het hele Capitool - en iedereen die er woont - elk jaar opnieuw in de ban is van een evenement dat dus blijkbaar misdadig zou zijn?"

Alcyone probeerde de boel te sussen en begon mij rustig uit te leggen dat zijzelf, Dennis en ook de meeste anderen van de Garage denken dat de districten destijds wel degelijk hun redenen hadden om in opstand te komen. Dat niemand zomaar een burgeroorlog begint. En dat de meeste capitoolinwoners, die de Spelen als vermaak beschouwen, er alleen maar zo over denken omdat ze er van jongs af aan mee zijn opgegroeid en omdat zowel de regering als de Spelmakers alles onschuldiger voorstellen dan het in werkelijkheid is.

Dat vond ik eerlijk gezegd een behoorlijk vergezochte redenering - alsof iedereen in het Capitool tijdens zijn jeugd gehersenspoeld wordt - maar toen ik dat luidop zei, besloot Doran zich ermee te bemoeien. Hij vroeg mij op de man af waarom ik een manke zwerver zoals hij wél wilde helpen terwijl een manke tribuut me blijkbaar niet echt interesseerde. Dat was een vraag die me eerlijk gezegd toch eventjes van mijn stuk bracht. Want Kivo's deelname blijft mij om één of andere reden wel degelijk dwars zitten, ook al weet Doran dat blijkbaar niet. Maar omdat ik me intussen toch wel aan al hun kritiek op mij en de Spelen begon te ergeren, was ik niet van plan om dat zomaar toe te geven. Dus mompelde ik snel iets in de stijl van "Jij komt uit het Capitool terwijl Kivo slechts een districtsinwoner is, dus dat is toch iets anders".

Dat had ik blijkbaar beter niet gezegd, want Leandro en de rest tierden dat ik er werkelijk niets van had begrepen en dat ik toch echt wel oud genoeg was om eindelijk in te zien dat mijn houding enorm dubbelzinnig was. Enerzijds kwam ik speciaal naar de Garage om daklozen te helpen die het moeilijk hadden, en had ik wat dat betrof dus wél het lef om tegen de stroom in te gaan. Maar anderzijds zat ik gewoon samen met alle anderen voor mijn tv-scherm te juichen terwijl ruim twintig onschuldige kinderen gedwongen werden zich dood te vechten. Zelfs Rana zat toen instemmend te knikken.

Om één of andere reden schoten die laatste verwijten mij in het verkeerde keelgat, en dus werd ik natuurlijk zelf ook kwaad. Ik schreeuwde dat als ze de Spelen haatten, dit dan hun zaak was en dat ze moesten stoppen met mij altijd hun mening te willen opdringen. En dat ze beter gewoon op tv en in de kranten de Spelen zouden volgen, net zoals de rest van het Capitool dat doet. Daarna heb ik me omgedraaid en ben ik naar buiten gerend, en het scheelde geen haar of ik had Dennis, die net naar binnen wou komen, omvergelopen. Achter mijn rug hoorde ik iemand nog iets roepen dat klonk als "Wacht maar tot je nare dingen in het echt ziet in plaats van op een scherm", maar ik wilde er niet meer naar luisteren.

Ik stamelde snel tegen Dennis dat ik niet meer tegen al dat geruzie kon en dat ik beter naar huis kon gaan. Blijkbaar had hij door dat het geen enkele zin had om mij tegen te houden, want hij zei er niets over en hij leek zelfs een beetje te begrijpen dat ik nu liever alleen wilde zijn. Maar toen ik naar de uitgang van het parkeerterrein begon te lopen, riep hij me nog achterna dat ik altijd met hem mocht praten als ik daar behoefte aan had, desnoods bij hem thuis. Niet dat ik daar nog op geantwoord heb. Ik ben gewoon rechtstreeks naar het dichtstbijzijnde transferstation gewandeld en heb de eerste shuttle richting Centrum genomen. Gelukkig zat er niet al te veel volk op, want aan mij kan je het altijd nogal gemakkelijk zien wanneer ik overstuur ben. Toen we in het Centrum aankwamen, waren de ergste emoties al wat gezakt, en ik ben er zelfs in geslaagd om geen traan te laten. Tot nu dan.

Ik ben uit de garagebox weggelopen omdat heel dat geruzie mij echt te veel werd, maar wat moet ik zeggen als ik de volgende keer terug ga? Het is nu wel duidelijk dat we fundamenteel van mening verschillen en dat dit helaas ook zo zal blijven. Zelfs al zou ik mijn excuses aanbieden voor mijn gedrag van daarstraks, dan nog is er vandaag iets gebeurd dat niet zomaar ongedaan gemaakt kan worden.

Maar ik wil de Garage ook niet opgeven. Ik ben er het afgelopen half jaar altijd graag naartoe gegaan en nu besef ik dat ik het heel erg jammer zou vinden moest ik er nooit meer heen kunnen. Ik heb er mensen leren kennen die ik anders nooit ontmoet zou hebben, en ik heb er ook al heel wat interessante verhalen gehoord. Niet altijd even leuke verhalen, maar wel de moeite van het onthouden waard.

De vraag is of ik er na die scène van vandaag nog welkom ben. Daarstraks leek Dennis niet echt van plan mij te verbieden om nog naar de Garage te komen, maar als het mij en de anderen niet lukt om onze ruzie uit te praten, dan kan ik misschien beter wegblijven.

Ik begin opnieuw te snikken. Ik voel me behoorlijk rot over wat er gebeurd is en er is niemand aan wie ik raad kan vragen. Niet aan mijn ouders en ook niet aan mijn vriendinnen. Zelfs niet aan het huispersoneel, want de Garage was mijn geheim. Wanneer ik eindelijk uitgehuild ben, zit ik nog een hele tijd somber voor mij uit te staren.


Ik kijk op wanneer er gestommel klinkt in de inkomhal van ons appartement. Dan hoor ik het geluid van voetstappen in de woonkamer en wordt de tv aangezet. Mijn ouders zijn weer thuis. Ik sta meteen op van het bed en draai de kraan van mijn wastafel open. Terwijl ik op warm water wacht, haal ik snel een potje reinigingscrème en een handdoekje uit de kast. Mam en pap mogen niet zien dat ik gehuild heb, want ik kan hen natuurlijk niet zeggen wat er aan de hand is. Ze zouden het nooit goed vinden dat hun dochter een plek als de Garage bezoekt en regelmatig met daklozen omgaat.

Ik heb net mijn gezicht schoongemaakt en nieuwe make-up aangebracht wanneer de deur van de slaapkamer opengaat en mijn moeder binnenkomt. Gelukkig is er van mijn huilbui van daarstraks nu niet zo veel meer te zien. Achter mijn rug verfrommel ik snel het natte handdoekje, waarna ik het in de lavabo laat vallen. Mam heeft het blijkbaar niet opgemerkt, want ze begint meteen over de Spelen.

"Aludra, kom snel kijken! Caesar wil ons iets belangrijks vertellen. Het was het eerste wat we hoorden toen we daarnet de televisie aanzetten."

Even blijf ik aarzelend staan, maar dan loop ik vastberaden naar de woonkamer. Mijn ouders zouden het raar vinden als ik nu in mijn kamer blijf zitten en ruzie of geen ruzie, als er een spectaculaire wending in de Hongerspelen op komst is dan wil ik die niet missen. Wat ze in de Garage ook mogen beweren over de Spelen, ik blijf ze gewoon volgen. Net zoals alle anderen hier in het Capitool.

Ik ga naast mijn ouders op de bank zitten en richt mijn aandacht op het scherm. Caesar Flickerman zit inderdaad in zijn studio met een micro in de hand. Hij legt uit dat de Spelmakers zich zorgen beginnen te maken over het verdere verloop van deze Spelen. De voorbije dagen hebben we heel wat actie gezien, maar nu lijkt het allemaal wat stil te vallen. Sinds de val van het bloedzoekersnest eergisterenochtend is het maar een saaie bedoening, daar is iedereen het over eens. Geen doden, zelfs helemaal geen gevechten. De Spelmakers zijn nu aan het vergaderen over de verschillende mogelijkheden om de Spelen opnieuw wat interessanter te maken. Volgens de laatste berichten is de beslissing over wat er moet gebeuren bijna gevallen.

Eigenlijk verbaast het bericht van Caesar me niet echt, want in bijna elke editie van de Hongerspelen zitten er een aantal dode momenten waarop er niets gebeurt. Maar gewoonlijk weten de Spelmakers daar wel een oplossing voor te vinden. Het is hun taak om er elk jaar opnieuw weer een memorabel evenement van te maken, en daar doen ze dan ook heel wat moeite voor. Dan reikt een assistente Caesar een dienblad aan waarop een zilverkleurige telefoon staat. Hij houdt de hoorn tegen zijn oor, luistert ingespannen en knikt met een tevreden gezicht.

"Beste kijkers, ik heb hier net Hoofdspelmaker Seneca Crane zelf aan de lijn gehad. Hij zegt dat hij en zijn collega's morgenochtend actief zullen ingrijpen in de arena. Wat ze precies gaan doen wil hij nu nog niet vertellen om het spannend het houden, maar morgenvroeg mag ik het jullie zelf aankondigen. Dus vergeet morgenvroeg zeker niet om op tijd de tv aan te zetten. Het exacte uur wordt vanavond laat nog meegedeeld. "

Caesar legt de hoorn op de telefoon en de assistente brengt het dienblad weer weg. Daarna voegt hij er nog aan toe dat we straks live nachtbeelden van uit de arena zullen krijgen. Al denk ik niet dat ik daar naar ga kijken. Een paar dagen geleden ben ik al uren lang opgebleven om de drijfjacht te kunnen volgen, en er zal vannacht toch niets gebeuren. De Spelmakers zijn nu druk bezig met de voorbereidingen voor morgenochtend, dus in de arena zal het tot dan vrijwel zeker rustig blijven.

Mijn vader zet de televisie uit.

"We weten voorlopig wel genoeg en we moeten zo meteen vetrekken als we in dat ene restaurant hier om de hoek nog een vrij tafeltje willen vinden."

"Gaan we uit eten vanavond?" vraag ik.

"Je moeder en ik zijn wat langer weggebleven dan we gepland hadden, en we hebben nu geen tijd en geen zin meer om nog zelf te koken. Ga je maar snel klaarmaken."

Mijn handtas en schoenen liggen nog waar ik ze daarstraks heb neergegooid. Ik heb eigenlijk niet zoveel honger, maar het lijkt me beter om toch maar mee te gaan. Als ik thuis blijf zouden mijn ouders willen weten wat er scheelt en misschien zal het mijn gedachten ook een beetje verzetten. En dus ga ik mee.

Wanneer we 's avonds laat weer terug komen, schakelen mijn ouders nog eventjes de tv in totdat ze weten wanneer de Spelmakers in actie zullen komen. Zelf ben ik zo moe dat ik meteen naar bed ga en in een diepe slaap val.


De volgende ochtend maakt mijn moeder me kort voor zonsopkomst wakker. Met enige moeite kom ik mijn bed uit en trek een kamerjas aan over mijn nachtjapon. Ik ga nog snel even naar het toilet en haast me dan naar de tv, die al aan staat. De ruzie van gisteren ligt me nog steeds op de lever, maar als de Spelmakers iets speciaals gaan uitzenden dan wil ik het natuurlijk wel zien.

Mijn ouders zijn in hun eigen badkamer aan de andere kant van de gang om zich aan te kleden, ze zullen zo meteen wel klaar zijn. Ik gris snel een appel uit de fruitschaal en zet het volume wat harder. Dan verschijnt Caesar Flickerman in beeld. Hij wenst de kijkers een goedemorgen en deelt daarna eindelijk mee wat de Spelmakers gisterenavond besloten hebben.

Het voorval met de bloedzoekers was spectaculair, maar anderzijds heeft het er ook voor gezorgd dat ruim de helft van het deelnemersveld tijdelijk uitgeschakeld was. Bijgevolg hebben we al drie dagen lang geen enkel gevecht gezien. Met uitzondering van het pact tussen de meisjes uit 11 en 12 is er sinds de val van het nest letterlijk niets interessants meer gebeurd. Hoog tijd dus voor actie, en daar zullen de Spelmakers nu voor zorgen. Ze zijn van plan om een confrontatie tussen de Beroepsgroep en een andere tribuut uit te lokken die minstens één slachtoffer zal eisen. Ze hebben zelfs al bepaald wie dat gaat zijn. Een tribuut die tot nu toe niets wezenlijks heeft bijgedragen aan de Spelen, en die dat hoogstwaarschijnlijk ook nooit zal doen. Iemand die niet belangrijk is en ook niet erg interessant. Bovendien zou het nogal absurd zijn moest een jongen die al sinds dag één kreupel is uiteindelijk de eindwinnaar worden. Dat zou nog lachwekkender zijn dan de overwinning van een gestoord meisje dat toevallig het best kon zwemmen.

Gelukkig zijn mijn ouders nog steeds druk bezig in de badkamer, want voor ik het zelf door heb sla mijn handen voor mijn mond en doe twee stappen achteruit. Dit is het moment waar ik diep vanbinnen altijd bang voor ben geweest. In gedachten heb ik het onvermijdelijke altijd voor me uit geschoven, maar nu is het dan toch zover. Onze volgende dode heet Kivo.

Ik wil dit niet zien. Ik weet niet precies waarom, want ik heb al zo veel tributen zien sterven in de arena. Het enige dat ik wél weet, is dat Kivo's deelname mij al vanaf het begin niet lekker zat - het heeft geen enkele zin om dat nu nog te ontkennen - en dat ik echt niet wil toekijken hoe hij nu doelbewust door de Spelmakers de dood ingejaagd wordt. Alleen maar omdat hij een manke voet heeft.

Maar ik kan er niet onderuit. Ik kan dit toch moeilijk aan mijn ouders gaan uitleggen? Ze zouden zeker vragen waarom ik dit gevecht niet wil zien en alle vorige wel. En wat moet ik dan antwoorden? Dat ik bevriend ben met een groep daklozen waarvan er eentje ook kreupel is? Dat kan ik natuurlijk onmogelijk zeggen, en mijn ouders kunnen nu elk moment uit de badkamer komen. Dus ik zal wel moeten kijken. Maar ik wil het niet. De gedachte aan wat er nu met Kivo zal gebeuren maakt me tegelijk boos en verdrietig, ik moet er zelfs bijna van-

Wacht eens even. Dat is misschien een oplossing. Het is nogal vergezocht en ook een beetje riskant, maar ik ga het toch proberen. In ieder geval zal ik er niet van doodvallen, dat spul is per slot van rekening geen vergif. Zo meteen staan mijn ouders hier in de woonkamer en iets beters weet ik niet meteen te verzinnen, dus ik zal het hiermee moeten doen.

Ik haast me naar de keuken en begin in één van de voorraadkasten te rommelen. Hopelijk hoort niemand het. Daar, ergens helemaal achteraan, staat wat ik zoek: een grote fles vomito die is overgebleven van een feestje dat mijn moeder een paar weken geleden voor haar collega's heeft georganiseerd. Hij is nog voor ruim één derde gevuld. Precies wat ik nodig heb.

Tijd om een drinkbeker te zoeken heb ik niet, dus ik zet de fles meteen aan mijn lippen. Normaal gezien mag je maar één klein glaasje per keer drinken, maar ik ga gewoon door totdat de laatste druppel vomito verdwenen is. Met mijn hand veeg ik mijn mond af en dan laat ik de lege fles snel in een afvalkoker verdwijnen. Net op tijd, want mijn vader verschijnt in de deuropening.

"Kom je kijken? Ze zijn net overgegaan op rechtstreekse beelden uit de arena, dus het begint nu."

"Ik zou wel willen, pap, maar ik voel mij al sinds het opstaan niet zo lekker. Misschien heb ik iets verkeerds gegeten, want ik ben nogal misse-"

Nog voor ik mijn zin kan afmaken voel ik de krampen al opkomen. Ik ren naar de badkamer, laat daar mijn kamerjas op de vloer vallen en haal nog net op tijd het toilet. Terwijl ik op mijn knieën voor de WC zit, hoor ik in de woonkamer de bezorgde stem van mijn moeder die vraagt wat er aan de hand is. Mijn vader geeft antwoord, maar vanaf hier kan ik hem niet goed verstaan.

Eén minuut later staan ze allebei in de badkamer. Het kost mij geen enkele moeite om hen er van te overtuigen dat ik ziek ben. Ik zeg dat ik het heel jammer vind om het gevecht tussen de Beroeps en de jongen uit district 10 te moeten missen, maar dat ik nu het liefst van al op bed wil gaan liggen met de deur dicht. Mijn ouders spreken me niet tegen, ze zien zelf ook wel dat ik nu geen tv kan kijken.

Mam gaat met me mee tot in mijn slaapkamer. Wanneer ze vraagt of ze de dokter moet bellen wimpel ik haar af en zeg ik dat ik eventjes met rust gelaten wil worden. Ze knikt en verlaat de kamer. Ik neem snel het plastieken emmertje dat onder de wastafel staat, want ik moet alweer overgeven, ook al zit er nu bijna niets meer in mijn maag. Dan zet ik de emmer naast mijn bed en kruip onder mijn deken.

De deur van mijn kamer is dicht, maar mijn ouders hebben de tv behoorlijk luid gezet. Ik hoor gekef en gejank, blijkbaar gebruiken de Spelmakers roedels mutilanten om Kivo en de Beroeps naar elkaar toe te drijven. Als ik mijn oren spits, kan ik zelfs een aantal flarden van Claudius Templesmith zijn commentaren verstaan.

"Zullen we inderdaad het spannende gevecht krijgen waar we allemaal op hopen, of is de jongen uit district 10 nu al een vogel voor de kat? De mutilanten beginnen hun tempo te vertragen, beste kijkers, want de drie Beroepstributen en hun tegenstander zijn nu vlak in elkaars buurt en kunnen elkaar elk moment in de gaten krijgen..."

De rest van wat hij zegt, versta ik niet. Want ik doe geen enkele moeite meer om er nog langer naar te luisteren. Zo meteen zal er een kanon afgaan, en er is niets dat ik kan doen. Enkele minuten later is het zo ver. En net zoals vier jaar geleden zie ik niets, maar hoor ik wel de knal van het schot.


En dat was hoofdstuk 12! Het schrijven ging niet zo vlot als anders, hopelijk vonden jullie het goed. Dus reviews blijven altijd welkom. Ik hoop ook dat jullie Aludra's laatste actie niet te onsmakelijk vonden (mijn proeflezer vond het alvast goed bedacht) maar ze moest natuurlijk snel-snel iets verzinnen. Het zal trouwens nog een bijkomend gevolg hebben, maar dat is voor een later hoofdstuk.

Misschien hadden sommigen van jullie verwacht dat ik de dood van Kivo uitgebreid zou beschrijven, maar ik denk dat deze verhaallijn - met Aludra die de beelden vermijdt - eigenlijk logischer is. In ieder geval weten we toch in grote lijnen wat er gebeurd is.

In het boek veronderstelde Katniss dat de Beroeps hem te pakken hadden gekregen, en de meeste fanfictieschrijvers volgen dit idee. Anderzijds staat er in het boek (ergens onmiddellijk na de vuurbalscène) ook dat 'de Spelmakers af en toe een tribuut doden, gewoon om aan de andere spelers te laten zien dat ze dit kunnen'. Om één of andere reden heb ik zelf altijd het gevoel gehad dat de manke jongen misschien op deze manier aan zijn einde gekomen is (dat was zelfs al zo voordat ik aan deze fanfic begon). En daarnaast past deze theorie natuurlijk ook heel goed in mijn verhaallijn. Uiteindelijk heb ik besloten om beide ideeën gewoon met elkaar te combineren, ik hoop dat jullie dit een goede keuze vinden.

In dit hoofdstuk staat trouwens één zin die ik min of meer rechtstreeks uit de originele boeken gehaald heb (omdat Suzanne Collins dit wel heel mooi verwoord had). Binnenkort zal ik die zin als citaat op mijn Tumblr zetten. Al vraag ik me eerlijk gezegd wel af of één van mijn lezers hem nu al teruggevonden heeft.