HOOFDSTUK 13: ONDERGRONDS
Nog voordat Messalla uitgesproken is, beent Fulvia met grote passen naar het raam. Aan één blik door de kier van de gordijnen heeft ze genoeg om de situatie in te schatten.
"Pak snel jullie spullen," commandeert ze. "We gaan onmiddellijk weg."
Iedereen begint haastig zijn zakken en jassen bij elkaar te zoeken, terwijl Fulvia al haar notities in haar handtas propt. Opeens ben ik zo nerveus dat ik me niet meteen kan herinneren waar ik mijn rugzak heb neergezet. Tot nu toe ben ik met mijn spionnenwerk eigenlijk nog nooit echt zwaar in de problemen geraakt - behalve het incident met de blaffende hond misschien. Maar deze keer is het ernst, en ik moet mijn uiterste best doen om de opkomende paniek te onderdrukken. Ik dwing mezelf om goed na te denken. Waar heb ik die rugzak gelaten? Dan zie ik hem staan, gewoon naast de stoel waar ik daarnet nog op zat. Snel gris ik het ding van de grond en hang het op mijn buik. Als je op de vlucht slaat, dan mag je nooit zo'n duidelijk bewijsstuk achterlaten.
Ik ren de lege woonkamer uit, naar de onderhoudsruimte met de toegang tot de tunnels. Daar is bijna iedereen al naar beneden gegaan. Als voorlaatste laat ik me in de buis zakken, terwijl Messalla op zijn knieën bij het luik zit en zegt dat ik moet opschieten. Mijn voeten vinden grip op de rubberen antisliplaag van de ladder. Ik verplaats net mijn handen van de vloer naar de bovenste sport wanneer er plotseling luid op de voordeur van Messalla's appartement gebonsd wordt, gevolgd door een barse stem die beveelt om onmiddellijk open te doen.
In een recordtempo daal ik de ladder af, met een speciale techniek die we in het Verzet geleerd hebben en waar we tijdens onze oefentochten door de tunnels meermaals op hebben getraind. Messalla volgt als laatste. Ik kijk snel omhoog en zie hoe hij het luik met een klap dichtslaat en de houten wig tussen het sluitingsmechanisme duwt. We weten allebei dat de vredebewakers de deur zullen inbeuken als niemand hen binnen laat. Vanaf de straat konden ze achter Messalla's gordijnen licht zien branden, dus ze weten dat we er zijn. Wanneer ik bij het tussenplatform ben, hoor ik één verdieping lager hoe Fulvia ons allemaal telt om zeker te weten dat we niemand missen.
"Zeven, acht …"
Messalla en ik komen onderaan de laatste ladder en steken het bruggetje over dat naar de richel aan de andere kant van het hoofdriool leidt.
"… negen, tien! Iedereen is er," bevestigt Fulvia. "Volg me!"
We hollen achter haar aan over de richel die er gelukkig vrij droog bij ligt. Het geluid van onze schoenen op de grond weerkaatst tegen de wanden van de tunnel, ook al doen we ons best om zo stil mogelijk te zijn. Goed dat ik vandaag geen hoge hakken draag - ik wist immers dat ik ondergronds moest om tot in Messalla's flat te geraken. Eigenlijk vind ik het nogal eng om in looppas over zo'n smalle strook beton te rennen, want er is geen reling en het rioolwater is dreigend zwart. Hier en daar drijven zelfs grote vlokken grijs schuim. Maar omdat er drie mensen achter me aan sprinten, heb ik geen andere keuze dan gewoon het tempo van de groep aan te houden.
Zodra we bij het eerste kruispunt komen, slaat Fulvia samen met drie anderen rechtsaf. Zonder te vertragen volg ik Messalla en Doran die de linkerschacht nemen. Degenen die achter ons kwamen, blijven gewoon rechtdoor rennen. We hoeven hier niet over na te denken. In de spionnenopleiding hebben we allemaal geleerd hoe belangrijk het is om je bij een vlucht in groep zo snel mogelijk te verspreiden. Messalla sprint tot aan de eerste tussengang die het hoofdriool met de Transfer verbindt en blijft enkele seconden staan om zijn Holo tevoorschijn te halen en in te schakelen. Misschien verbeeld ik het me, maar hoor ik voetstappen in de richting van waar we gekomen zijn?
Er is geen tijd om nog langer te treuzelen. Doran en ik volgen Messalla in de zijgang, die geleidelijk naar boven helt. Wanneer we aan het andere uiteinde komen en de ijzeren deur achter ons laten dichtvallen, staan we op het plaveisel van de Transfer. Messalla werpt een snelle blik op zijn Holo en zonder pauzeren rennen we meteen weer verder. Ik let er op dat ik bij Doran in de buurt blijf, want met zijn manke voet komt hij natuurlijk niet zo snel vooruit als de meeste mensen. En zelf ben ik eigenlijk ook nooit een echte hardloper geweest.
Nu we niet meer over een smalle richel moeten lopen, komen we een stuk sneller vooruit. De schemerige tunnel is volledig verlaten. Het dichtstbijzijnde station is dan ook bijna een kilometer van hier. Toch is er genoeg licht om te kunnen zien waar we onze voeten zetten. We slaan linksaf bij het eerste kruispunt en blijven verder rennen totdat we opeens in de verte twee hele felle lampen zien naderen.
"Een shuttle!" schreeuw ik in paniek.
Messalla sprint tien meter verder naar de eerstvolgende verbindingsschacht en rukt de deur open. Gelukkig weet ook hij precies hoe dat vergrendelingssysteem werkt. We verdwijnen net op tijd in de zijgang om buiten het lichtschijnsel van de koplampen te blijven. Terwijl we door de betonnen buis terug naar het hoofdrol kruipen, hoor ik achter mijn rug de bus aan hoge snelheid voorbij rijden. Ik denk niet dat de chauffeur ons gezien heeft. In die donkere tunnel had hij ons net zo goed omver kunnen rijden. Eigenlijk dom van mij om te schreeuwen, want tijdens een achtervolging moet je juist zo stil mogelijk zijn. Maar ik schrok daarnet gewoon zo erg dat ik mezelf even niet in de hand had. Hopelijk heeft niemand het gehoord.
We vluchten verder, door rioolbuizen, langs trappen, via ongebruikte schachten die ons op plaatsen brengen waar we nog nooit eerder zijn geweest. Gelukkig staat Messalla bekend als een goede kaartlezer en kunnen we hem met een Holo blindelings vertrouwen. Hij neemt zo veel mogelijk bochten en verandert regelmatig van verdieping, om onze achtervolgers op een dwaalspoor te brengen. Ik weet dat hij zich hierop moet concentreren als hij ons niet per ongeluk in een wijde boog terug naar ons vertrekpunt wil sturen. Toch heb ik de indruk dat we geleidelijk aan dieper en dieper onder de grond gaan.
We dalen een ladder af waarbij ik ruw met mijn rechterbeen tegen een uitsteeksel in de muur stoot, vlak boven de knie. Ik klem mijn tanden op elkaar om de pijn te verbijten. Maar er is geen tijd om te kijken. We hollen achter Messalla aan die alweer in de volgende zijtunnel verdwijnt. De angst voor de vredebewakers houdt me op de been, hoewel de steken in mijn zij steeds feller worden. Ik zie dat ook Doran erger begint te hinken dan normaal en besef dat zijn kreupele voet stilaan overbelast geraakt.
Een smalle trap brengt ons naar een nog lagere verdieping. Blijkbaar ligt één van de vloertegels los - we komen stilaan in het echt diepe gedeelte van het ondergrondse netwerk, waar ook een aantal oudere en weinig gebruikte tunnels liggen. Het ding schuift rinkelend een paar treden naar beneden, gelukkig zonder te barsten. Onderaan de trap draait Messalla zich om en gebaart dat ik even halt moet houden. Zonder hem te vragen waarom, snap ik al wat hij wil. Ik raap de tegel op en leg hem snel weer op zijn plaats. Bij een achtervolging moet je eventuele sporen zo veel mogelijk uitwissen. Ik hoor nu geen voetstappen meer, maar je weet nooit.
Zo snel als we durven, steken we een wankel bruggetje over een smalle riool over. Bijna glijd ik uit op het natte beton. Maar Doran kan nog net op tijd voorkomen dat ik tegen de vlakte ga. We klimmen een niet meer gebruikte ventilatieschacht in en kruipen op handen en voeten verder. Minstens twee keer moet ik de spinnenwebben uit mijn gezicht slaan. Net wanneer ik me begin af te vragen waar Messalla ons heen brengt, komen we uit in een oude onderhoudstunnel en blijven we alle drie staan om op adem te komen.
"Volgens mij zijn we ze nu wel kwijt," hijgt Messalla.
Met mijn hand in mijn stekende rechterzij gedrukt probeer ik te luisteren of ik geluiden van achtervolgers hoor. Maar alles blijft stil, op onze moeizame ademhaling en het gebons van mijn hart in mijn borstkas na.
"Dat denk ik ook," bevestigt Doran, die op één been steun zoekt tegen de bakstenen muur van de tunnel. "Wat doen we nu?"
Messalla gebaart dat we moeten meekomen en we volgen hem stapvoets totdat hij een dertigtal meter verder stopt bij een ladder die loodrecht naar beneden gaat. De geverfde markeringen aan de rand geven aan dat deze schacht uitkomt in de allerlaagste verdieping van het hele netwerk onder het Capitool. De tunnels voor de goederentreinen.
Eén voor één dalen we de ladder af, Messalla voorop. De antisliplaag van de sporten is op sommige plaatsen afgesleten. Hier en daar voelt de wand van de schacht vochtig aan. Onderaan de ladder blijven we even staan om naar de seinlichten te kijken. Ze staan beiden op rood, wat volgens Amalthea wil zeggen dat we de eerste paar minuten geen treinen hoeven te verwachten. Toch voel ik me niet echt op mijn gemak wanneer we de ijzeren sporen op lopen. De treinen rijden hier sneller dan je zou denken, en de tunnel is zo smal dat je niet gewoon opzij kan springen. Daarom zijn er om de twintig meter vluchtnissen voorzien: doodlopende inhammen in de muur waar de avoxen die hier instaan voor het onderhoud kunnen schuilen als er een trein passeert.
Messalla haast zich tot bij de eerste nis en besluit dan om nog even door te lopen. Maar zodra we de tweede inham bereiken, is het duidelijk dat Doran en ik niet verder kunnen. Hij sleept zijn manke voet achter zich aan en ik ben volledig buiten adem. We gaan tegen de achterwand van de vluchtnis zitten, op veilige afstand van de sporen. Verlichting hangt hier niet. Maar gelukkig hebben we onze zaklampjes bij. Alles blijft rustig en na een paar minuten zijn we er helemaal zeker van dat we onze achtervolgers definitief kwijt zijn.
"Wie zou ons verraden hebben, denk je?" vraagt Doran aan Messalla. Ik ben er zeker van dat het niet verwijtend bedoeld is. Het is gewoon belangrijk om dit soort dingen te weten. Voor zover we er ooit achter kunnen komen.
"Geen idee," zucht Messalla. "Eerlijk gezegd ben ik er vrij zeker van dat het niet Anthony is, ook al zit hij nog maar pas in onze groep. Plutarch en Fulvia zijn altijd heel erg zorgvuldig met het toelaten van nieuwe mensen. Misschien hebben de vredebewakers een tip van een premiejager gekregen?"
Daar zou hij weleens gelijk in kunnen hebben. Hoewel de leden van het Verzet niet langs de inkomhal gingen, kan je nooit helemaal verbergen dat er in een flat veel mensen tegelijk bij elkaar komen. Natuurlijk deden we allemaal ons best om tijdens de vergaderingen zo weinig mogelijk lawaai te maken. Maar af en toe moet het geroezemoes van onze stemmen toch tot op de gang hoorbaar geweest zijn. Als er in Messalla's appartementsgebouw - dat best wel groot is - inderdaad iemand woont die verdachte zaken doorgeeft aan de regering en zich daarvoor laat betalen, dan zal hij of zij zoiets zeker gemeld hebben. We zullen inderdaad altijd voorzichtig moeten blijven. Precies zoals Plutarch al zei toen hij ons waarschuwde voor Snows systeem van premiejagers.
Terwijl ik langzaam weer op adem kom, trekt Doran zijn schoen en kous uit om zijn manke voet wat te ontlasten. Hij wrijft er een paar minuten over en dan gaat hij opnieuw zitten met zijn been voor zich uit gestrekt.
"Hé, heb jij tatoeages op je voeten?" vraag ik verbaasd. Zoals alle daklozen draagt Doran altijd stevige gesloten schoenen. Dit is eigenlijk de eerste keer dat ik zijn blote voeten zie.
"Die heb ik een jaar of twintig geleden laten zetten, toen ik nog in een appartement woonde en geld genoeg had," legt hij uit. "Iedereen liet toen zijn voeten tatoeëren."
Ik snap wat hij bedoelt. Uit de modemagazines van mijn moeder weet ik dat het destijds inderdaad een heel populaire trend was om schoenen gemaakt van een soort doorzichtige kunststof te dragen. En dan moesten je voeten natuurlijk ook toonbaar zijn. Dat Doran nu nog altijd met die tekeningen rondloopt, verwondert me eigenlijk niet. Sommige schoonheidbehandelingen zijn nu eenmaal moeilijk ongedaan te maken. Geen enkele van onze klanten in de Garage hecht nog veel belang aan dingen zoals mode en make-up. Maar sommigen van hen dragen nog steeds de lichaamsversieringen die ze ooit lieten zetten. Ze hebben het geld niet meer om die te laten verwijderen, en daarom beschouwen ze het vooral als een soort van herinnering aan hun vroegere leven.
Een paar minuten blijven we zwijgend zitten. Waarschijnlijk wil Messalla hier wachten totdat hij helemaal zeker weet dat de vredebewakers hun zoektocht opgegeven hebben. De tunnels voor de goederentreinen zijn echt wel de laagste verdieping van het ondergrondse netwerk, dieper kunnen we niet gaan. En dankzij de informatie van Pollux weten we dat hier geen enkele vaste camera hangt. Deze spoorwegen worden gecontroleerd met de camera's die vooraan op de treinstellen gemonteerd zijn. Zelfs de avoxen komen hier enkel als het echt moet, dus die maatregel is ruim voldoende. Wat betekent dat dit best wel een goede plek is voor drie spionnen die van hun vlucht willen bekomen.
"Waarom heb je ons eigenlijk naar beneden gebracht?" vraagt Doran uiteindelijk. "Ik weet dat je niet dom bent, maar vroeg of laat moeten we toch terug omhoog?"
"Dat klopt," geeft Messalla meteen toe. "Maar jullie weten dat Plutarch en Fulvia daarover van mening verschillen. Zij zegt altijd dat je bij een vlucht door de tunnels best zo snel mogelijk naar boven gaat, omdat je dan op straat in de massa kan verdwijnen."
"Terwijl Plutarch blijft volhouden dat het soms juist beter is om naar beneden te vluchten. Omdat we hier het voordeel van onze terreinkennis hebben. En omdat de vredebewakers altijd een extra patrouillewagen sturen naar een wijk waar er problemen zijn," vul ik spontaan aan.
Ik zie dat Doran en Messalla een beetje moeten grinniken omdat ik Plutarch zo letterlijk kan citeren. Maar ik heb het hem al zo vaak horen herhalen in zijn discussies met Fulvia.
"Vraag me niet wie er gelijk heeft. Volgens mij hangt het toch ook een beetje van de situatie af," voeg ik er nog aan toe.
"Dat denk ik dus ook," antwoordt Messalla. "Mijn appartement ligt in een rustige woonwijk waar 's avonds weinig mensen op straat rondlopen. Ze zijn daar nu vast en zeker al aan het patrouilleren in de hoop om ons terug te vinden. Dat was eigenlijk de belangrijkste reden waarom ik deze keer het idee van Plutarch heb gevolgd. Maar er is nog iets," voegt hij er aan toe terwijl hij voorover buigt om één van zijn schoenveters weer stevig vast te strikken. "We zijn ergens rond kwart voor tien uit mijn flat vertrokken. De vredebewakers zullen dus denken dat we zo snel mogelijk naar boven zijn gegaan om op tijd uit de riolen te zijn. Ze weten niet dat we onze Holo's nog maar pas bijgewerkt hebben."
Bij het horen van de woorden 'kwart voor tien' slaat mijn hart een slag over. Om tien uur stipt schakelt men alle pods in en worden de ondergrondse tunnels levensgevaarlijk. Als het waarschuwingssignaal van onze Holo's is afgegaan terwijl we aan het rennen waren, dan hebben we het waarschijnlijk niet gehoord omdat we geen tijd hadden om daarop te letten. Snel werp ik een blik op mijn horloge. Vijf minuten over tien. We zitten in de val.
Even voel ik een vlaag van totale paniek, maar dan besef ik dat Messalla alweer gelijk heeft. De gegevens die nu in onze Holo's zitten, zijn amper een paar uur oud. In zo'n korte tijd kunnen er onmogelijk nieuwe tunnels of pods bijgemaakt zijn. Als we niet overhaast te werk gaan en het hologram goed lezen, dan lopen we eigenlijk helemaal geen gevaar. Zeker omdat de vredebewakers waarschijnlijk inderdaad denken dat we daarnet zo snel mogelijk richting straat zijn gegaan. Hier beneden zullen ze ons na tien uur 's avonds in ieder geval niet zo snel komen zoeken.
Messalla stelt voor om nog tot half elf te wachten voordat we aan de tocht naar buiten beginnen. Dan liggen alle avoxen zeker in hun slaapcompartimenten en is de kans heel klein dat we ondergronds nog iemand tegenkomen. Doran en ik gaan meteen akkoord. Ik zoek een wat gemakkelijkere houding en leun met gesloten ogen tegen de betonnen achterwand van de vluchtnis. Voor het eerst sinds Messalla vanuit zijn raam de arrestatiewagen zag staan, voel ik me eindelijk weer min of meer rustig worden. Een paar minuten lang blijven we zo zitten. Het enige wat ik hoor, is het geluid van onze ademhaling en het zachte geruis van het ventilatiesysteem.
"Waar ga je straks eigenlijk naartoe?" vraag Doran uiteindelijk aan Messalla. "Ik denk niet dat je nu nog terug naar je appartement kan. De vredebewakers zullen alles doorzoeken."
"Ze zullen niets vinden," antwoord Messalla, "zelfs niet in de geheime bergkast achter de spiegel in mijn slaapkamer. Ik heb nooit dingen van het Verzet in huis bewaard. Maar in plaats van de vredebewakers gewoon binnen te laten, zijn we allemaal door de riool gevlucht."
"Wat bewijst dat we schuldig zijn. Als je teruggaat, zullen ze je zeker arresteren."
"Dat wordt inderdaad onderduiken, vrees ik," zucht Messalla. "Fulvia is nu waarschijnlijk al onderweg naar het kantoor van Plutarch om hem te vertellen wat er gebeurd is. En als ze niet opdaagt omdat ze haar groepje toch opgepakt hebben - wat ik trouwens niet geloof, daar is ze veel te slim voor - dan zal hij ook wel snappen dat er iets mis is gegaan in mijn appartement."
"Dus?" dring ik aan.
"Plutarch en ik hebben duidelijke afspraken gemaakt toen ik akkoord ging om mijn flat als vergaderplaats te laten gebruiken," gaat Messalla verder. "Straks moet ik naar het grote park achter de Nocturna gaan. Daar zal een team klaarstaan dat me naar mijn onderduikadres zal brengen. Die mensen blijven minstens vier uur in de buurt, zodat ik genoeg tijd heb om te komen."
Dat is min of meer het antwoord dat ik had verwacht. Plutarch en Fulvia hebben voor elke persoon die in hun verzetsgroep zit een geheim adres buiten het Capitool voorzien, waar we heen kunnen als we ooit ontmaskerd worden. Ik weet dat ze ook voor mij zo'n verblijfplaats geregeld hebben. Al heb ik er geen idee van of die midden in de wildernis dan wel in één van de twaalf districten ligt. Om veiligheidsredenen mag niemand op voorhand zijn of haar eigen onderduikadres kennen. Gelukkig weten de vredebewakers niet wie er allemaal bij Messalla in het appartement was, en is hij dus de enige die vanavond uit het Capitool zal moeten vertrekken. Doran en ik kunnen gewoon blijven. Wij worden op dit moment nog nergens van verdacht.
"Heb je er enig idee van waar ze je naartoe zullen sturen?" Waarschijnlijk is het een zinloze vraag, maar ik ben gewoon te nieuwsgierig.
"Plutarch heeft me ooit verteld dat de rebellen zeker een paar mensen uit de tv-wereld kunnen gebruiken. Vorig jaar ben ik afgestudeerd als assistent-regisseur, dus misschien laat hij me nu wel naar district 13 gaan. Zodat ik daar tijdens de opstand mee kan helpen met het draaien en monteren van propagandafilmpjes."
"District 13? Dat is toch helemaal platgebombardeerd?"
Meteen nadat ik dat gezegd heb, slaat Messalla verschikt zijn hand voor zijn mond. Enkele seconden blijft het doodstil. Maar dan beseft Messalla dat hij toch een antwoord zal moeten geven.
"Aludra," vraagt hij ernstig, "hoe lang ben jij nu al lid van het Capitoolverzet?"
"Sinds eind augustus vorig jaar. Eens denken … ongeveer acht maanden en twee weken dus."
Opeens zie ik het verband, en vallen de puzzelstukjes op hun plaats.
"Is dat nu die geheime informatie waarvoor jullie mij altijd de kamer uitsturen?" gooi ik eruit. "Dat district 13 eigenlijk nog altijd bestaat?"
"Heel juist," geeft Messalla toe terwijl ik naast hem Doran zie knikken. "Ik was vergeten dat je nog net geen negen maanden in onze groep zit. Je doet je werk prima, en daardoor lijkt het voor mij soms alsof je al veel langer bij ons bent. Eigenlijk had ik nu dus nog niets mogen zeggen. Maar Fulvia zou het je over een tweetal weken hoe dan ook zelf uitgelegd hebben. District 13 bestaat inderdaad nog altijd. Het is zelfs nooit helemaal vernietigd geweest, en het is groter dan je zou denken."
Terwijl Doran en Messalla me uitgebreid over district 13 beginnen te vertellen, bedenk ik me dat deze vluchtnis misschien wel één van de meest toepasselijke plaatsen is voor een verhaal als dit. We zitten hier op het laagste niveau van het hele tunnelnetwerk. Tientallen meters diep onder de grond. De kelder van het Capitool, heeft Amalthea ooit grinnikend tegen me gezegd. De ideale plek dus om ingewijd te worden in wat waarschijnlijk het grootste geheim van de rebellen is. Niemand kan ons afluisteren, want camera's of microfoons hangen hier niet. Deze treintunnels zijn geen plek voor voetgangers, en daarom heeft men hier zelfs nergens pods gebouwd. Dat zou trouwens niet eens kunnen. Goederen voor de grote ondergrondse opslagplaatsen worden gewoonlijk 's nachts geleverd, zodat de bestelwagens vanaf zes uur 's ochtends alles naar hun definitieve eindbestemming kunnen brengen.
Het verhaal van Doran en Messalla is behoorlijk lang, en het komt voor mij allemaal als een totale verrassing. Tot nu toe heb ik - net als alle andere inwoners van Panem - altijd rotsvast geloofd dat district 13 op het einde van de Donkere Dagen totaal verwoest werd. De regering wilde een voorbeeld stellen, zo hebben we al in de lagere school geleerd, en onze hovercrafts bombardeerden 13 totdat er echt niets meer van overbleef.
Maar district 13 hield zich bezig met kernenergie. Blijkbaar is dat hun redding geweest. Doran vertelt me over de verovering van de militaire kernrakettenbasis door de rebellen, en het akkoord dat de regering van het Capitool daardoor moest aanvaarden. De deal was dat men het district en zijn inwoners met rust zou laten, op voorwaarde dat ze letterlijk en figuurlijk ondergronds zouden gaan leven.
Daarna krijg ik te horen hoe het er nu, vijfenzeventig jaar later, in district 13 aan toe gaat. De mensen hebben er geen honger en ze zijn veilig voor de Spelen. Maar daarmee houdt iedere vergelijking met het Capitool eigenlijk op. Het huidige 13 is zo goed als volledig onder het aardoppervlak gebouwd. Woonappartementen, boerderijen, scholen, ziekenhuizen, … alles ligt onder de grond. Daarmee vergeleken stelt ons tunnelnetwerk niet zo veel voor. Omdat het district geen contact meer heeft met de buitenwereld, voorziet het in zijn eigen voedsel- en energieproductie. Het is een volledig op zichzelf staande gemeenschap die geleid wordt door een president met de naam Alma Coin.
Volgens Doran en Messalla hebben zij en haar voorganger een behoorlijk streng regime geïnstalleerd. De bewoners van district 13 leven volgens een strak georganiseerd dagritme. Eten en kleding worden strikt gerantsoeneerd. Iedereen krijgt wat hij nodig heeft, maar ook niet meer dan dat. Eigenlijk lijkt het allemaal nogal op het beeld dat ik vroeger van de andere twaalf districten had. Een sober leven zonder luxe. Maar geen honger en geen echt onaanvaardbare armoede. Wanneer ik vraag of de Hongerspelen ook in district 13 op tv komen, schudt Doran het hoofd.
"Hun kinderen hoeven er gelukkig niet aan mee te doen. En als vijand van Snows regering is 13 natuurlijk zelf ook tegen de Spelen. Het enige wat ze daar ooit uitgezonden hebben, zijn een paar fragmenten waar Katniss en Peeta in voorkomen. Plutarch heeft die opnames zelf naar ginder gestuurd. Als we van district 13 onze bondgenoot willen maken, dan moeten ze ook daar weten wie de Spotgaai is."
Dat brengt ons meteen bij het belangrijkste wat Messalla en Doran mij te vertellen hebben. President Coin heeft het wapenarsenaal onderhouden en zelfs uitgebreid. Alle burgers die in goede gezondheid verkeren, hebben een heel aantal jaren dienstplicht. District 13 is een echte militaire grootmacht, die sterk genoeg is om de strijd met ons regeringsleger aan te gaan. Zonder hen kunnen we het Capitool van Snow nooit omverwerpen. Als we willen dat Panem een land wordt waar alle inwoners gelijk zijn en er geen kinderen sterven in de Spelen, dan hebben we de hulp van district 13 nodig. Zodra de Kwartskwelling afgelopen is en de revolutie kan beginnen, zullen Plutarch en Fulvia samen met de uit de arena gehaalde winnaars naar 13 vluchten. Van daaruit zullen ze de opstand tegen Snow en zijn regering leiden.
Het is een heleboel informatie die tegelijk op me afkomt, en we blijven een tijdje stil zodat ik de kans krijg om alles te verwerken. Ik had me al een paar keer afgevraagd hoe de rebellen in de districten ooit aan echte wapens moesten komen. Nu ken ik eindelijk het antwoord. Met de hulp van een district zoals 13 zullen onze kansen om deze oorlog te winnen inderdaad veel groter worden. Toch is er nog iets dat me op één of andere vage manier een beetje dwars blijft zitten. Toen Doran en Messalla spraken over het dagelijkse leven in 13 kreeg ik af en toe het gevoel dat ze zelf toch ook een paar twijfels hebben. Dat ze het allemaal misschien net iets te dictatoriaal vinden. Met dat dagrooster, die strikt afgewogen maaltijden en al die andere regeltjes. Maar ik weet dat ze dit waarschijnlijk niet zo snel openlijk aan mij zullen toegeven, en dat ik als lid van het Capitoolverzet eigenlijk heel blij moet zijn met een sterke bondgenoot als deze. Dus verdring ik mijn wantrouwige gedachten naar de achtergrond. Plutarch en Fulvia zullen ongetwijfeld wel weten waar ze mee bezig zijn. En district 13 is tegen de Hongerspelen, net als wij. Ze behandelen hun inwoners in ieder geval beter dan de regering van Snow doet met de bevolking in de andere twaalf districten.
"Fulvia zou het me binnenkort zelf wel verteld hebben. Maar toch ben ik blij dat ik jullie geheim nu al ken," zeg ik om de discussie af te ronden. "Ik geef eerlijk toe dat ik vreselijk nieuwsgierig was."
"Ben je altijd al geweest," antwoord Doran spontaan. "Anders zou je nooit bij de Garage of het Verzet beland zijn."
Messalla heeft moeite om zijn lach in te houden. Zelf moet ik er ook een beetje om grinniken. Doran bedoelt het niet negatief, en het is ook gewoon waar wat hij zegt.
Tot nu toe is het stil geweest in de tunnel - op ons gepraat en het zachte geruis van de ventilatie na - maar heel in de verte hoor ik een soort zwaar gedreun. We zwijgen een paar seconden terwijl het geluid steeds sterker lijkt te worden.
"Een trein," concludeert Messalla. "En hij rijdt deze kant uit."
Meteen besef ik dat hij het bij het rechte eind heeft. Daarstraks stonden de seinlichten allebei nog op rood. Maar hoe lang zijn we hier eigenlijk al? We blijven roerloos zitten, terwijl we de trein dichterbij horen komen. Mij is altijd verteld dat onze goederentreinen een stille motor hebben, en in de riolen of de Transfer hoor je ze inderdaad bijna niet wanneer ze een paar verdiepingen lager voorbijrijden. Maar nu liggen de sporen amper een paar meter bij ons vandaan. Het gedreun van de naderende trein vult de hele tunnel en ook de ijzeren rails beginnen een zoemend geluid te maken.
Met moeite onderdruk ik de neiging om op te springen en er vandoor te gaan. Het is veel enger dan ik dacht om in een smalle, doodlopende inham te zitten terwijl er een loodzware trein in je richting komt denderen. Maar met mijn verstand weet ik dat ik in deze vluchtnis volkomen veilig ben, en dat ik met wegrennen juist mijn eigen doodvonnis zal tekenen. Dus dwing ik mezelf om niet te bewegen. Ik knijp mijn ogen dicht tegen het felle licht wanneer ik om de hoek van de nis het schijnsel van de koplampen zie naderen. Dan komt de goederentrein ons met donderend geraas voorbij gereden. Het kan hoogstens een halve minuut duren. Maar het lijkt veel langer. Wanneer de laatste wagon ons passeert en ik het geluid in de verte hoor wegsterven, haal ik opgelucht adem.
Messalla komt overeind en schakelt zijn Holo weer in.
"We kunnen best nu vertrekken," fluistert hij zachtjes. "Amalthea zegt dat er nooit twee treinen vlak na elkaar komen. En het is al na half elf."
We sluipen alle drie voorzichtig de inham uit en keren over de sporen terug naar de verticale ladder waarlangs we gekomen zijn. Doran hinkt gelukkig helemaal niet zo erg meer. Blijkbaar heeft de rustpauze geholpen. Messalla gaat voorop terwijl hij aandachtig de Holo leest. De tunnels zijn volledig verlaten, alle avoxen liggen nu in hun slaapcompartimenten. We hoeven ons nu dus niet meer te haasten. En dat is maar goed ook, want alle pods zijn op dit moment ingeschakeld. Als we er per ongeluk één activeren, dan zijn we er geweest.
Maar dat gebeurt niet. Messalla's reputatie van goede kaartlezer is meer dan terecht. Ik denk dat alleen Pollux het nog beter kan. Die heeft zo lang als rioolarbeider gewerkt dat niemand aan zijn ervaring kan tippen. Als we in groep door de tunnels gaan en Pollux is erbij, dan neemt hij altijd de leiding. Het is zelfs grotendeels aan hem te danken dat Fulvia ons tijdens de spionnenopleiding zo veel kon vertellen over het ondergrondse netwerk.
Messalla leidt Doran en mij veilig langs alle valstrikken die we tegenkomen. Toch voel ik me allesbehalve op mijn gemak tijdens de tocht naar boven. Het is best wel een akelig idee om te weten dat één verkeerde stap je het leven kan kosten. Terwijl we zorgvuldig alle op de Holo gemarkeerde punten ontwijken, begint er zich in mijn hoofd een vreemde gedachte te vormen. Is dit nu wat de tributen voelen als ze in de arena zijn? Waar altijd en overal een tegenstander of een valstrik van de Spelmakers op de loer kan liggen? Ik weet het niet zeker, maar om één of andere reden ben ik er van overtuigd dat ik er niet zo ver naast zit. Finnick heeft vorige zomer tegen me gezegd dat de arena de hel op aarde is. Iets wat ik nu nog beter begin te begrijpen. Als ik dagenlang aan één stuk door op mijn hoede zou moeten zijn zoals nu het geval is, dan zou ik kapot gaan van de stress. We praten niet veel tijdens onze tocht, al herhaalt Messalla een paar keer dat we erg voorzichtig moeten zijn.
"Ik heb absoluut geen zin om per ongeluk in een pod te belanden," zegt hij tegen mij en Doran wanneer we een zijgang moeten nemen omdat we niet verder rechtdoor kunnen. "Ik ken wel gezelligere plaatsen om te sterven dan hier onder de grond."
Daar kan ik Messalla natuurlijk geen ongelijk in geven. Sommige pods zijn niet meer dan een automatisch geweer dat afgaat, maar er zitten ook heel gemene valstrikken tussen. Een paar weken geleden zou er volgens Plutarch zelfs eentje gebouwd zijn die 'de vleesmolen' heet. De naam zegt wat mij betreft genoeg, en eigenlijk wil ik liever niet weten wat het precies is. Laat staan wat er gebeurt als je dat ding activeert. Gelukkig leert een snelle blik op Messalla's Holo me dat de vleesmolen hier een heel eind vandaan is. Het is al tien voor elf wanneer we eindelijk halt houden bij een ladder die rechtstreeks naar een klein zijstraatje in een buitenwijk leidt.
"Klimmen jullie hier maar naar buiten," stelt Messalla voor. "Ik ga nog een eind verder door de riool totdat ik bijna bij het park achter de Nocturna ben. Ik wil daar geraken zonder dat iemand mij ziet."
Dat is waar ook, hij kan niet meer terug naar zijn appartement. De vredebewakers hebben daar ongetwijfeld een hinderlaag gelegd. We zullen hier afscheid moeten nemen.
Doran en ik wensen Messalla het allerbeste toe in district 13 - als dat inderdaad zijn onderduikadres zou worden - en voegen er nog aan toe dat we elkaar na de revolutie hopelijk zo snel mogelijk weer terug zullen zien. Hijzelf belooft dat hij nog vaak aan mij en Doran zal denken, maar dat hij om veiligheidsredenen onze namen nooit luidop zal noemen tenzij het echt nodig is. Doran en ik blijven staan totdat Messalla bij de eerstvolgende kruising komt. Daar draait hij zich nog even naar ons om en maakt een gebaar van de rebellen - drie vingers in de lucht - waarna hij achter de hoek verdwijnt. Natuurlijk was dit geen definitief afscheid. Maar we weten alle drie dat het nog heel erg lang kan duren voordat we elkaar nog eens ontmoeten. Zodra Messalla weg is, klimmen Doran en ik het laatste stukje naar de begane grond.
We komen boven in een rustige straat van een buitenwijk. Op dit late uur is hier niemand te zien. Doran vraagt hoe ik nu thuis wil geraken en ik antwoord dat ik gewoon te voet naar het dichtstbijzijnde restaurant zal gaan om daar een taxi te bellen. Iets anders kan ik toch niet doen. We zitten hier behoorlijk ver van het Centrum en de Transfer is al lang gesloten. De shuttle die ons daarstraks bijna omver gereden heeft, was waarschijnlijk al onderweg naar zijn stelplaats voor de nacht.
Doran en ik zeggen elkaar gedag en gaan dan elk een andere kant op. Hij hoeft maar een tiental minuten te wandelen tot aan het station waar hij van een oude ventilatieschacht zijn slaapplek gemaakt heeft, en ik weet dat er amper drie straten hiervandaan een restaurant is dat pas sluit om één uur 's nachts. Tijdens de wandeling begin ik na te denken over wat ik straks aan mijn ouders moet vertellen als ik thuis kom. Ik zal minstens een uur later zijn dan we hadden afgesproken. Waarschijnlijk zelfs meer.
Hoewel de vermoeidheid stilaan toe begint te slaan, dwing ik mezelf om me op de vraag te concentreren. Fulvia heeft ons geleerd om bij een spionageopdracht altijd op voorhand zo goed mogelijk in te schatten wat er eventueel mis zou kunnen gaan. Zo kan je een paar goede uitvluchten achter de hand houden. Een snel ter plekke verzonnen smoes is zelden geloofwaardig. Uiteindelijk besluit ik om gewoon voort te bouwen op het excuus dat ik daarstraks gebruikt heb om vanavond de stad in te kunnen. De groepstaak die mijn klasgenoten en ik samen moesten maken. Ik zal gewoon zeggen dat de opdracht een stuk ingewikkelder was dan we gedacht hadden, en dat we daarom zo intensief bezig zijn geweest dat we de klok helemaal uit het oog verloren zijn. Een vrij simpele uitleg, maar volgens Plutarch zijn de eenvoudigste uitvluchten vaak de beste. Anders geraak je alleen maar verstrikt in je eigen leugens.
Zodra ik in het restaurant ben en een taxi gebeld heb, ga ik aan het tafeltje bij het raam zitten om te wachten. Ik zal nog een paar minuten geduld moeten hebben. Van die tijd maak ik gebruik om eens goed naar mijn rechterbeen te kijken. Tijdens de korte wandeling hierheen heb ik daar af en toe wat pijn gevoeld, en nu herinner ik me weer dat ik me bij onze vlucht door de riolen ergens aan gestoten heb. Met als resultaat een blauwe plek, vlak boven mijn knie. Morgen meteen zalf kopen en de eerste paar dagen rokken dragen die over de knieën vallen, zeg ik tegen mezelf. Ik wil niet dat mijn ouders dit zien. Een lange broek zou natuurlijk nog beter zijn. Maar omdat ik eigenlijk nooit broeken draag - behalve tijdens een arenavakantie of als het echt heel erg koud is - kan ik het beter gewoon bij jurken houden.
De taxi stopt voor de deur van het restaurant en ik haal alvast mijn portefeuille boven om op voorhand te betalen. Tijdens de rit naar huis heb ik moeite om mijn ogen open te houden. Toch weet ik dat ik straks niet zomaar meteen in slaap zal kunnen vallen, na wat er vanavond allemaal is gebeurd. De documentaire over de Olympische Spelen was veel interessanter dan ik gedacht had. Hopelijk wordt die op het Festival inderdaad een succes.
Tot vandaag had ik zelf nog nooit over de Olympische Spelen gehoord. Het enige wat ik kende was het 'Olympische bad' in Oceans World, het zwemcomplex waar mijn vriendinnen en ik af en toe naartoe gaan. Blijkbaar is dat gewoon de standaardnaam voor een zwembad van vijftig meter lang. We hebben ons heel af en toe weleens afgevraagd waar die rare naam vandaan kwam, maar zo belangrijk vonden we het nu ook weer niet. Pas nu weet ik na al die jaren eindelijk het antwoord. Meer zelfs, ik durf mijn hand er voor in het vuur te steken dat vrijwel niemand in het Capitool die naam snapt. Want noch op school, noch op tv zijn de Olympische Spelen ooit ter sprake gekomen. Misschien omdat andere mensen weleens dezelfde conclusies zouden kunnen trekken als ik daarstraks gedaan heb?
Maar wat me van vandaag het meest zal bijblijven, is toch wel het geheim dat Doran en Messalla me in de treintunnel verteld hebben. District 13 bestaat nog altijd, en hun president zal samen met Plutarch de opstand van de rebellen leiden.
En daarmee is het Grote Geheim nu eindelijk aan het licht gekomen … onder andere daarom keek ik er heel erg naar uit om dit hoofdstuk te kunnen posten. Een aantal van mijn lezers hadden al gemerkt dat ik tot nu toe eigenlijk niets over district 13 geschreven had, en zij waren dus zeker in de juiste richting aan het denken! Hoe veel van jullie hadden eigenlijk al echt geraden dat het Grote Geheim inderdaad zou zijn dat district 13 nog altijd bestaat?
Oorspronkelijk waren hoofdstuk 12 en dit hoofdstuk gewoon samen één geheel. Maar toen bedacht ik me dat, als ik het inderdaad in één keer zo posten, het hele verhaal over de Olympische Spelen waarschijnlijk naar de achtergrond verdrongen zou worden door alles wat er daarna in de tunnels gebeurt. Daarom heb ik besloten om het op te splitsen in twee aparte hoofdstukken. Dat dit hoofdstuk uitgerekend het nummer 13 gekregen heeft, is dus gewoon toeval. Maar ik vind het zelf wel een heel leuk toeval!
Daarnaast wil ik nog even de titel verder uitleggen. Het is natuurlijk zo dat dit hoofdstuk zich bijna volledig onder de grond afspeelt, behalve het begin en het einde. Maar het woord 'ondergronds' verwijst voor mij ook naar district 13 - dat onder de grond is gebouwd - en naar het feit dat dit het grootste en belangrijkste geheim van het Capitoolverzet is: 'ondergrondse' informatie dus.
Mijn Tumblr is intussen ook nog eens bijgewerkt.
